Do
In “Do you already have a train ticket?” vormt “Do” de vraag. Het staat vóór “you” en vóór de hoofdwerkwoordsvorm “have”. In een nieuwe vraag gebruik je hetzelfde patroon: “Do you need help?”
you
“You” verwijst hier naar de persoon tegen wie de spreker praat. Het is het onderwerp van “Do you already have a train ticket?”. In een nieuwe vraag kan het patroon “Do you ...?” één persoon of meerdere aangesproken personen betreffen.
already
“Already” betekent hier “al”, dus vóór dit moment. Het staat vóór de werkwoordsgroep in “Do you already have a train ticket?”. Je gebruikt het vaak om te vragen of iets eerder dan verwacht of vóór nu is gebeurd.
have
“Have” betekent hier iets hebben of bezitten: de aangesprokene heeft mogelijk een treinkaartje. In “Do you already have a train ticket?” blijft “have” na het onderwerp staan omdat “Do” de vraag vormt. Een nieuw voorbeeld is “I have a ticket.”
a
“A” maakt in “a train ticket” duidelijk dat het om één, nog niet nader bepaald treinkaartje gaat. Het staat vóór de zelfstandige naamwoordgroep “train ticket”. In een nieuw voorbeeld werkt hetzelfde patroon in “a phone”.
train
“Train” specificeert in “a train ticket” dat het kaartje voor een trein is. Het staat vóór “ticket” en vormt daarmee één naamwoordgroep. Je kunt dit patroon ook gebruiken met een ander type kaartje, bijvoorbeeld in een nieuw voorbeeld “a bus ticket”.
ticket
“Ticket” betekent hier een kaartje dat nodig is om met de trein te reizen. In “a train ticket” is “train” de specificatie en “ticket” het hoofdonderdeel van de woordgroep. In een nieuwe situatie kun je bijvoorbeeld vragen: “Where is my ticket?”
Not
“Not” maakt het korte antwoord “Not yet” negatief. Hier geeft het aan dat de spreker nog geen treinkaartje heeft. Het staat samen met “yet” in een gebruikelijke korte reactie op een vraag.
yet
“Yet” betekent hier “nog”, tot nu toe. In “Not yet” zegt de spreker dat het gevraagde op dit moment nog niet het geval is. Deze korte uitdrukking gebruik je wanneer iets waarschijnlijk later nog gebeurt.
I
“I” verwijst naar de persoon die spreekt. In “I need to buy one” is “I” degene die een kaartje moet kopen. In een nieuwe mededeling staat “I” meestal vóór het werkwoord, zoals in “I have a ticket.”
need
“Need” betekent hier nodig hebben of moeten: de spreker moet een kaartje kopen. Het staat in “I need to buy one” vóór “to buy”. Een betrouwbaar patroon is “I need to ...”, gevolgd door een handeling.
to
“To” verbindt in “I need to buy one” de behoefte met de handeling die daarop volgt. Het staat direct vóór “buy”. Een nieuw voorbeeld met hetzelfde patroon is “I need to wait.”
buy
“Buy” betekent hier kopen. In “I need to buy one” benoemt het de handeling die nodig is om een kaartje te krijgen. Het staat na “to” en vóór “one”; een nieuw voorbeeld is “I want to buy a ticket.”
one
“One” verwijst hier naar één treinkaartje en vervangt het al genoemde “ticket”. Daardoor hoeft “ticket” niet opnieuw te worden gezegd in “buy one”. Je gebruikt deze vorm vaak om een eerder genoemd enkel voorwerp opnieuw aan te duiden.
There
Aan het begin van “There are ticket machines by the entrance” introduceert “There” het bestaan van ticketmachines op een bepaalde plaats. De plaats wordt daarna aangevuld met “by the entrance”. Een nieuw voorbeeld is “There is a phone here.”
are
“Are” geeft in “There are ticket machines by the entrance” aan dat de genoemde ticketmachines er zijn. Het hoort bij het meervoudige onderwerp “ticket machines”. In het patroon “There are ...” noem je daarna dingen die ergens aanwezig zijn.
machines
“Machines” verwijst hier naar de automaten waarmee je een kaartje kunt kopen. De meervoudsvorm past bij “There are” en de verwijzing naar meer dan één automaat. In een nieuwe situatie kun je zeggen “The machines are near the entrance.”
by
“By” betekent hier “bij” of “vlak naast”: de machines staan bij de ingang. In “by the entrance” staat “by” vóór de plaatsaanduiding. Je kunt “by” ook gebruiken voor een andere nabije plek, zoals in een nieuw voorbeeld “by the door”.
the
“The” verwijst in “the entrance” naar een specifieke ingang die in deze stationssituatie herkenbaar is. Het staat vóór “entrance”. Je gebruikt dit lidwoord wanneer de luisteraar weet over welke plaats of welk voorwerp je spreekt.
entrance
“Entrance” betekent hier de plek waar mensen het station binnengaan. In “by the entrance” wordt deze plek gebruikt als referentiepunt voor de machines. In een nieuwe situatie kun je iemand bijvoorbeeld ontmoeten “at the entrance”.
I'll
“I'll” is de verkorte vorm van “I will” en geeft hier de toekomstige bedoeling van de spreker aan: de spreker zal het eigen kaartje daar kopen. In “I'll get mine there” staat het vóór het werkwoord “get”. Een nieuw voorbeeld is “I'll wait here.”
get
“Get” betekent hier verkrijgen of regelen; in “I'll get mine there” gaat de spreker daar het eigen kaartje kopen of regelen. Het staat na “I'll” en vóór “mine”. De precieze betekenis van “get” hangt vaak af van het voorwerp en de situatie.
mine
“Mine” betekent hier “het mijne” en verwijst naar het kaartje van de spreker. In “I'll get mine there” staat het zelfstandig, zonder dat “ticket” opnieuw wordt genoemd. Je gebruikt “mine” wanneer het bezit al duidelijk is uit de context.
my
“My” betekent hier “mijn” en geeft aan dat het kaartje bij de spreker hoort. In “my ticket” staat het vóór het zelfstandig naamwoord “ticket”. Een nieuw voorbeeld is “my phone”.
phone
“Phone” betekent hier telefoon; het kaartje staat op die telefoon. In “on my phone” is “phone” de plaats of het apparaat waarop de ticketinformatie beschikbaar is. In een nieuwe situatie kun je bijvoorbeeld zeggen “I have your number on my phone.”
on
“On” geeft in “on my phone” aan dat het kaartje op of via de telefoon beschikbaar is. Het staat vóór “my phone”. Deze combinatie gebruik je voor informatie of een bestand dat op een apparaat staat.
Then
“Then” betekent hier “dan”: als de ander het kaartje gaat kopen, zal de spreker daarna opnieuw afspreken. Het verbindt de voorafgaande situatie met de volgende afspraak. In een nieuw voorbeeld kan “Then” ook een volgende stap aangeven: “Then we can leave.”
meet
“Meet” betekent hier iemand ontmoeten of met iemand afspreken. In “I'll meet you back here” benoemt het de afspraak om de ander opnieuw op deze plek te zien. Het staat na “I'll” en vóór de persoon “you”.
back
“Back” geeft hier aan dat de ontmoeting opnieuw op de eerder genoemde plek plaatsvindt. In “I'll meet you back here” voegt “back” het idee van terugkeer toe aan de afspraak; “here” benoemt de plek. Je gebruikt “back” vaak wanneer iemand naar een eerdere plaats of toestand terugkomt.
here
“Here” betekent hier “hier”, op de plek waar de spreker en de ander zich bevinden of opnieuw zullen afspreken. In “I'll meet you back here” verwijst het naar de huidige stationsplek. Een nieuw voorbeeld is “Wait here.”
after
“After” betekent hier “nadat” en introduceert de handeling die eerst moet gebeuren: “after I buy mine”. Het geeft de volgorde tussen de aankoop en de ontmoeting aan. Je kunt “after” gebruiken vóór een gebeurtenis of handeling, zoals in “after work”.
wait
“Wait” betekent hier wachten op de ander bij de automaten. In “I'll wait near the machines” staat het na “I'll” en beschrijft het de geplande handeling. Een nieuw voorbeeld is “Please wait here.”
near
“Near” betekent hier “vlak bij” en beschrijft de plaats waar de spreker zal wachten. In “near the machines” staat het vóór het referentiepunt “the machines”. Je gebruikt “near” voor een plek die dichtbij is zonder exact dezelfde plek te zijn.
Look
“Look” is hier een opdracht om de aandacht op het zoeken naar de spreker te richten. In “Look for me beside the machines” staat het aan het begin van de zin. Het vaste patroon “look for” betekent iemand of iets proberen te vinden.
for
“For” hoort in “look for me” bij het zoeken en geeft aan wie of wat gezocht wordt. Het staat vóór het object “me”. In een nieuw voorbeeld kun je zeggen “Look for your ticket.”
me
“Me” verwijst hier naar de spreker als de persoon die gezocht moet worden. In “Look for me” staat het na het voorzetsel “for”. Het is de objectvorm die je gebruikt wanneer de persoon het doel van de handeling is.
beside
“Beside” betekent hier “naast” en geeft de positie van de spreker ten opzichte van de automaten aan. In “beside the machines” staat het vóór het plaatsbepalende naamwoord “the machines”. In een nieuwe situatie kun je bijvoorbeeld zeggen “She is beside me.”
them
“Them” verwijst hier naar de eerder genoemde ticketmachines. In “Look for me beside them” staat het na “beside” en vormt het het referentiepunt voor de plaats. Deze objectvorm gebruik je wanneer naar meerdere personen of dingen wordt verwezen.