Naar de inschrijvingsbalie | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: On the stairs inside a public building, two adults follow the event sign and prepare to reach the registration desk..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Naar de inschrijvingsbalie oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

I can see the event sign on the wall.

ai ken sie dhi ivént sain on dhə wol. Ik kan het evenementbord aan de muur zien.
B

It says the desk is upstairs.

it sez dhə desk iz apstèrz. Er staat dat de balie boven is.
A

The way upstairs is easy to follow.

dhə wee apstèrz iz íezi tuh fólou. De weg naar boven is makkelijk te volgen.
B

The sign helps a lot.

dhə sain helps uh lot. Het bord helpt veel.
A

The landing is just ahead.

dhə lènding iz djast uh-hed. De overloop is net verderop.
B

Then the registration desk should be close.

dhen dhə redzjie-stréésjun desk sjoed bie klous. Dan zou de inschrijvingsbalie dichtbij moeten zijn.
A

Let's go before the line gets longer.

lets gou bifór dhə lain gets longguh. Laten we gaan voordat de rij langer wordt.
B

I will keep the form ready.

ai wil kiep dhə form rédi. Ik houd het formulier klaar.

Woord voor woord

I “I” verwijst naar de spreker die zelf iets kan zien, zeggen of doen. Het staat vóór het werkwoord, zoals in “I can see”. Gebruik “I” wanneer je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in een gesprek bij een balie.
can “can” geeft hier aan dat de spreker iets kan zien: “I can see”. Na “can” volgt de werkwoordsvorm “see” zonder extra uitgang. Gebruik “can” ook om een mogelijkheid of vaardigheid uit te drukken.
see “see” betekent hier iets waarnemen of opmerken: de spreker kan het bord zien. Na “can” blijft de vorm “see” onveranderd, zoals in “I can see”. Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je iemand op een bord of gebouw wijst.
the “the” verwijst naar een specifiek ding, hier “the event sign”. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord waarvan de gesprekspartners weten welk ding bedoeld wordt. Gebruik “the” wanneer je naar een bepaald voorwerp, persoon of plaats verwijst.
event “event” betekent hier een georganiseerde gebeurtenis waarvoor de twee personen naar de inschrijvingsbalie gaan. In “the event sign” beschrijft het welk soort bord bedoeld wordt. Je kunt “event” gebruiken voor bijvoorbeeld een bijeenkomst, voorstelling of sportactiviteit.
sign “sign” is hier een bord met informatie of een aanwijzing voor de route. In “the event sign” verwijst het naar het bord dat bij het evenement hoort. Gebruik “sign” wanneer je informatie of richting op een bord beschrijft.
on “on” geeft hier aan dat het bord zich op een oppervlak bevindt: “on the wall”. Het wordt gebruikt vóór het oppervlak waarop iets ligt, hangt of staat. Je gebruikt dit patroon ook voor andere voorwerpen die zich op een muur of ander oppervlak bevinden.
wall “wall” betekent hier de verticale wand van het gebouw waarop het bord hangt. In “on the wall” geeft het de plaats van het bord aan. Gebruik “wall” wanneer je de wand van een kamer of gebouw bedoelt.
It “It” verwijst hier terug naar het bord en betekent dus dat het bord iets aangeeft. Het staat als onderwerp vóór “says” in “It says the desk is upstairs”. Gebruik “it” om opnieuw naar een eerder genoemd ding te verwijzen.
says “says” betekent hier dat het bord de informatie “the desk is upstairs” weergeeft. De vorm staat bij “It” in “It says”. Gebruik “It says” om te vertellen welke tekst of informatie een bord, bericht of document bevat.
desk “desk” betekent hier de balie waar de bezoekers zich kunnen registreren. In “the desk” verwijst het naar de specifieke balie die op het bord wordt genoemd. Gebruik “desk” in een patroon zoals “the information desk” of “the registration desk”.
is “is” geeft hier de locatie van de balie aan: de balie bevindt zich boven. Het staat bij “the desk” in “the desk is upstairs”. Gebruik “is” om de toestand of plaats van één persoon of ding te beschrijven.
upstairs “upstairs” betekent hier op een hogere verdieping van het gebouw. In “the desk is upstairs” beschrijft het waar de balie is. Gebruik “upstairs” wanneer je iemand naar een bovenverdieping verwijst.
way “way” betekent hier de route of weg naar boven. In “The way upstairs” verwijst het naar de route die de personen volgen. Je gebruikt “way” vaak voor een route, bijvoorbeeld in “the way to the station”.
easy “easy” betekent hier dat de route niet moeilijk te volgen is. In “easy to follow” beschrijft het hoe gemakkelijk een handeling is. Gebruik het patroon “easy to + werkwoord” om aan te geven dat iets eenvoudig is.
to “to” maakt hier deel uit van “to follow” en leidt de werkwoordsvorm na “easy” in. De combinatie “easy to follow” betekent dat je de route eenvoudig kunt volgen. Gebruik “to” in zulke patronen vóór een werkwoord na woorden zoals “easy”.
follow “follow” betekent hier een route of aanwijzing volgen. In “easy to follow” gaat het om de weg naar de balie. Gebruik “follow” bijvoorbeeld wanneer je een bord, route of persoon volgt.
helps “helps” betekent hier dat het bord de bezoekers helpt om de weg te vinden. De vorm staat na “The sign” in “The sign helps a lot”. Gebruik “helps” om te zeggen dat iemand of iets een taak gemakkelijker maakt.
a “a” staat in “a lot” vóór “lot” en maakt deel uit van de uitdrukking die hier “veel” betekent. Het markeert daar niet zelfstandig de hoeveelheid; “a lot” moet je als geheel begrijpen. Gebruik “a lot” om aan te geven dat iets in grote mate gebeurt.
lot “lot” betekent hier, samen met “a”, een grote hoeveelheid in “a lot”. In de zin geeft “a lot” aan dat het bord de bezoekers veel helpt. Gebruik de vaste combinatie “a lot” bijvoorbeeld na een werkwoord om een grote mate aan te geven.
landing “landing” betekent hier het vlakke gedeelte bij of tussen trappen. In “The landing is just ahead” geeft het een herkenningspunt op de route aan. Je gebruikt “landing” wanneer je een plek bij een trap beschrijft.
just “just” betekent hier ongeveer slechts een klein stukje of meteen, in “just ahead”. Het versterkt de aanwijzing dat de overloop niet ver weg is. Gebruik “just ahead” om iemand te vertellen dat iets verderop in de looprichting is.
ahead “ahead” betekent hier verderop, vóór de spreker in de looprichting. In “just ahead” wijst het op de plaats van de overloop. Gebruik “ahead” bij routeaanwijzingen wanneer iets vóór je ligt.
Then “Then” betekent hier “dan” of “in dat geval”: als de overloop dichtbij is, zou de balie ook dichtbij moeten zijn. Het verbindt de informatie uit de vorige zin met een gevolgtrekking. Gebruik “Then” om een gevolg of volgende stap aan te kondigen.
registration “registration” verwijst hier naar het registreren of inschrijven voor het evenement. In “the registration desk” beschrijft het het doel van de balie. Je gebruikt “registration” bijvoorbeeld bij het aanmelden voor een evenement of dienst.
should “should” geeft hier een verwachting of voorzichtige conclusie aan: de balie is waarschijnlijk dichtbij. In “should be close” klinkt de uitspraak minder absoluut dan een zekerheid. Gebruik “should” wanneer je op basis van informatie een verwachte uitkomst noemt.
be “be” betekent hier zich bevinden of zijn, in “should be close”. Na “should” blijft het werkwoord in deze vorm staan. Gebruik “should be + plaats of eigenschap” om een verwachting over locatie of toestand uit te drukken.
close “close” betekent hier dichtbij. In “should be close” beschrijft het de verwachte afstand tot de inschrijvingsbalie. Gebruik “close” om te zeggen dat een plaats of voorwerp niet ver weg is.
Let's “Let's” introduceert hier een voorstel om samen te gaan: “Let's go”. Het richt het voorstel tot de spreker en de andere persoon samen. Gebruik “Let's + werkwoord” wanneer je iemand uitnodigt om iets gezamenlijk te doen.
go “go” betekent hier zich naar de inschrijvingsbalie verplaatsen. In “Let's go” volgt het direct na “Let's” en vormt het een voorstel. Gebruik “go” voor bewegen naar een andere plaats of voor vertrekken.
before “before” betekent hier voordat een toekomstige verandering plaatsvindt: de twee personen willen gaan voordat de rij langer wordt. Het leidt de tijdsbepaling “the line gets longer” in. Gebruik “before” om aan te geven dat één handeling eerder gebeurt dan een andere.
line “line” betekent hier een rij mensen die op hun beurt wachten. In “the line” gaat het om de specifieke rij bij de registratie. Gebruik “line” in situaties waarin mensen wachten voor een balie, ingang of dienst.
gets “gets” betekent hier wordt, in de betekenis dat de rij langer wordt. De vorm staat bij “the line” in “the line gets longer”. Gebruik “gets + bijvoeglijk naamwoord” om een verandering van toestand te beschrijven.
longer “longer” betekent hier langer dan nu, doordat er mogelijk meer mensen in de rij komen. In “gets longer” beschrijft het de verandering van de rij. Gebruik “longer” om een grotere lengte of duur aan te geven.
will “will” geeft hier aan dat de spreker het formulier later of vanaf nu klaar zal houden. In “I will keep” staat het vóór de werkwoordsvorm “keep”. Gebruik “will” om een toekomstige handeling of beslissing uit te drukken.
keep “keep” betekent hier iets in een bepaalde toestand houden: het formulier blijft klaar voor gebruik. In “I will keep the form ready” volgt het na “will” zonder extra uitgang. Gebruik “keep + voorwerp + bijvoeglijk naamwoord” om aan te geven dat iets in een toestand blijft.
form “form” betekent hier een document dat de bezoeker waarschijnlijk bij de registratie moet gebruiken of invullen. In “the form” gaat het om een specifiek formulier. Gebruik “form” voor een document met velden die iemand moet invullen.
ready “ready” betekent hier voorbereid en direct bruikbaar. In “keep the form ready” beschrijft het de toestand waarin de spreker het formulier houdt. Gebruik “ready” wanneer iets voorbereid is voor een volgende handeling.

Grammatica

keep + object + adjective

Keep the form ready.

kiep dhə form rédi.

Houd het formulier klaar.

Na keep komt eerst het voorwerp en daarna het bijvoeglijk naamwoord dat de toestand beschrijft.

before + subject + verb

Before you see the registration desk, keep the form ready.

bifór ju sie dhə redzjie-stréésjun desk, kiep dhə form rédi.

Voordat je de inschrijvingsbalie ziet, houd je het formulier klaar.

Before leidt een bijzin in. In het Engels blijft de woordvolgorde onderwerp + werkwoord.

Engels woordenschat

a lot bijwoord
uh lot veel

The sign helps a lot.

desk zelfstandig naamwoord
desk balie

It says the desk is upstairs.

easy bijvoeglijk naamwoord
íezi makkelijk

The way upstairs is easy to follow.

event sign uitdrukking
ivént sain evenementenbord

I can see the event sign on the wall.

follow werkwoord
fólou volgen

The way upstairs is easy to follow.

helps werkwoord
helps helpt

The sign helps a lot.

landing zelfstandig naamwoord
lènding overloop

The landing is just ahead.

says werkwoord
sez zegt

It says the desk is upstairs.

see werkwoord
sie zien

I can see the event sign on the wall.

upstairs bijwoord
apstèrz boven

It says the desk is upstairs.

wall zelfstandig naamwoord
wol muur

I can see the event sign on the wall.

way zelfstandig naamwoord
wee weg

The way upstairs is easy to follow.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Er staat dat de balie boven is.

Antwoord tonenIt says the desk is upstairs.

Het bord helpt veel.

Antwoord tonenThe sign helps a lot.

De overloop is net verderop.

Antwoord tonenThe landing is just ahead.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

boven

Antwoord tonenupstairs

zegt

Antwoord tonensays

makkelijk

Antwoord toneneasy

volgen

Antwoord tonenfollow