I
“I” verwijst hier naar de persoon die de notitie heeft geschreven. Het is de vorm die de spreker gebruikt om zichzelf aan te duiden. Je gebruikt “I” als onderwerp, bijvoorbeeld in “I work here” (nieuw voorbeeld).
wrote
“wrote” betekent hier dat de spreker een korte notitie op papier of in tekst heeft gemaakt. Dit is de verleden tijd van “write”, en precies de vorm “wrote” staat in de dialoog. Je gebruikt “I wrote ...” om te zeggen wat je eerder hebt geschreven.
a
“a” geeft hier één niet nader bepaalde korte notitie aan: niet een specifieke notitie die al eerder genoemd is. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord “note”. Je gebruikt “a” bijvoorbeeld in “a short message” (nieuw voorbeeld).
short
“short” betekent hier dat de notitie niet lang is. Het beschrijft “note” in de woordgroep “a short note”. Je kunt “short” vóór andere dingen gebruiken, zoals “a short email” (nieuw voorbeeld).
note
“note” betekent hier een korte geschreven boodschap of tekst. In “a short note” gaat het om een korte werknotitie. Je kunt “write a note” gebruiken wanneer je iemand een korte schriftelijke boodschap schrijft.
Can
“Can” vraagt hier of de spreker toestemming krijgt om de notitie nu te lezen. In de vraag staat “Can I ...?”, een veelgebruikte manier om naar mogelijkheid of toestemming te vragen. Je kunt hetzelfde patroon gebruiken met een ander werkwoord, bijvoorbeeld “Can I come in?” (nieuw voorbeeld).
read
“read” betekent hier de geschreven tekst bekijken en begrijpen. Na “Can” blijft het werkwoord in de vorm “read”, zoals in “Can I read ...?”. Je kunt “read” met een tekst of document gebruiken, bijvoorbeeld “read the email” (nieuw voorbeeld).
it
“it” verwijst hier naar de korte notitie die de andere persoon heeft geschreven. Het voorkomt dat “the note” opnieuw wordt herhaald. Je gebruikt “read it” wanneer duidelijk is welk document of voorwerp bedoeld wordt.
now
“now” betekent hier op dit moment, dus meteen tijdens het gesprek. Het geeft aan wanneer de persoon de notitie wil lezen. Je kunt “now” bijvoorbeeld gebruiken in “I need it now” (nieuw voorbeeld).
Here
“Here” betekent hier “hier”, op de plek van de spreker, terwijl de notitie wordt aangeboden of aangewezen. In “Here it is” kondigt het aan dat iets beschikbaar wordt gemaakt. Je gebruikt “Here is ...” ook om iets aan iemand te geven of te tonen.
is
“is” geeft hier aan dat de notitie zich op de aangewezen plek bevindt of wordt aangeboden. Het is de vorm van “be” die bij “it” hoort in “Here it is”. Je gebruikt “is” ook om te zeggen waar iets zich bevindt, bijvoorbeeld “It is on the desk” (nieuw voorbeeld).
reads
“reads” betekent hier dat de tekst bij het lezen goed overkomt. Het beschrijft dus hoe de notitie klinkt of overkomt als iemand haar leest, niet alleen de handeling van lezen. Je kunt “reads” in hetzelfde patroon gebruiken met een bijwoord, zoals “The text reads clearly” (nieuw voorbeeld).
well
“well” betekent hier goed of op een aangename manier. In “It reads well” zegt het dat de notitie prettig en duidelijk overkomt bij het lezen. Je gebruikt “well” ook om een handeling of resultaat positief te beoordelen, bijvoorbeeld “It works well” (nieuw voorbeeld).
Would
“Would” maakt hier een voorzichtige vraag over een mogelijk resultaat: zou een extra detail helpen? Het klinkt minder direct dan een gewone vraag en past bij een voorstel. Je kunt “Would ... help?” gebruiken wanneer je wilt nagaan of een wijziging nuttig zou zijn.
more
“more” betekent hier extra of nog een hoeveelheid bovenop wat er al is. In “one more detail” gaat het om één aanvullend detail. Je gebruikt “more” vóór een hoeveelheid of zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld “more information” (nieuw voorbeeld).
detail
“detail” betekent hier een klein, concreet stukje informatie in de notitie. Het is het extra gegeven waarvan wordt gevraagd of het zou helpen. Je kunt “add a detail” gebruiken wanneer je een tekst met een klein informatief element aanvult.
help
“help” betekent hier bijdragen aan een betere of duidelijkere notitie. In “Would one more detail help?” vraagt de spreker of het extra detail nuttig zou zijn. Je kunt “help with” gebruiken voor iets waarbij hulp of verbetering nodig is, bijvoorbeeld “This will help with the plan” (nieuw voorbeeld).
line
“line” betekent hier één regel geschreven tekst. In “One more line” stelt de spreker voor om één extra regel aan de notitie toe te voegen. Je gebruikt “a line” ook wanneer je naar een afzonderlijke regel in een document verwijst.
improve
“improve” betekent hier beter maken. In “would improve it” verwijst “it” naar de notitie, die door één extra regel beter zou worden. Je kunt “improve” gebruiken met iets dat beter moet worden, zoals “improve the text” (nieuw voorbeeld).
I'll
“I'll” is de verkorte vorm van “I will” en betekent hier dat de spreker nu zelf iets gaat doen. Het verwijst naar de aangekondigde actie van het toevoegen. Je gebruikt “I'll” vaak om een beslissing of aanbod voor de nabije toekomst uit te spreken.
add
“add” betekent hier iets extra’s in de bestaande notitie zetten. De spreker zal de voorgestelde regel of het voorgestelde detail toevoegen. Je gebruikt “add” met wat je toevoegt, bijvoorbeeld “add a sentence” (nieuw voorbeeld).
that
“that” verwijst hier naar het extra detail of de extra regel die net is voorgesteld. In “I'll add that” wordt het voorgestelde onderdeel als bekend aangewezen. Je kunt “add that” gebruiken wanneer je iets toevoegt waarnaar al in het gesprek is verwezen.
Then
“Then” betekent hier daarna of als gevolg daarvan: nadat de extra regel is toegevoegd. Het verbindt de wijziging met de volgende verwachting. Je gebruikt “Then” vaak om de volgende stap in een reeks aan te geven, bijvoorbeeld “Then we can send it” (nieuw voorbeeld).
we
“we” verwijst hier naar de spreker en de andere persoon samen. De twee personen beoordelen en delen de notitie gezamenlijk. Je gebruikt “we” als onderwerp wanneer jij en minstens één andere persoon samen iets doen.
should
“should” drukt hier een verwachting uit: na de toevoeging zouden de twee personen klaar moeten zijn. Het geeft aan wat waarschijnlijk of passend is, zonder absolute zekerheid. Je kunt “should be ready” gebruiken om te zeggen dat iemand of iets naar verwachting voorbereid zal zijn.
be
“be” geeft hier de toestand van klaar zijn aan in “be ready”. Na “should” staat de vorm “be”, zoals in “should be”. Je gebruikt “be” ook na andere modale werkwoorden om een toestand of kenmerk te beschrijven, bijvoorbeeld “can be useful” (nieuw voorbeeld).
ready
“ready” betekent hier voorbereid om de notitie te delen. In “be ready to share it” beschrijft het de toestand die na de laatste wijziging wordt verwacht. Je gebruikt “ready to” vóór een werkwoord voor een actie die iemand kan of wil uitvoeren.
to
“to” leidt hier het werkwoord “share” in en maakt deel uit van de constructie “ready to share”. Het geeft aan welke actie mogelijk is zodra iemand klaar is. Je gebruikt “ready to” gevolgd door een werkwoord, bijvoorbeeld “ready to start” (nieuw voorbeeld).
share
“share” betekent hier de notitie aan andere mensen geven of laten zien. In “ready to share it” gaat het om de volgende stap nadat de notitie is verbeterd. Je kunt “share something with someone” gebruiken om te zeggen met wie je iets deelt.