I
'I' betekent hier 'ik': de persoon die om hulp vraagt. Het staat als onderwerp vóór 'need', zoals in 'I need help'.
need
'need' betekent hier 'nodig hebben': de spreker zegt dat hulp noodzakelijk is. In 'I need help' volgt na 'need' wat iemand nodig heeft; in deze situatie gaat het om hulp bij een taak.
help
'help' betekent hier 'hulp'. In 'I need help with this task' is het datgene waar de spreker om vraagt; een bruikbaar patroon is help with + een taak of activiteit.
with
'with' verbindt 'help' met 'this task' en betekent hier 'bij' of 'met betrekking tot'. De combinatie 'help with' gebruik je wanneer je hulp bij een taak, probleem of activiteit bedoelt.
this
'this' verwijst hier naar iets specifieks dat dichtbij of direct besproken is: deze taak. In 'this task' staat het vóór het zelfstandig naamwoord om precies aan te wijzen over welke taak het gaat.
task
'task' betekent hier 'taak': het werk dat de spreker moet uitvoeren. 'Task' gebruik je voor een concrete opdracht, bijvoorbeeld een opdracht op het werk.
Which
'Which' vraagt hier 'welk(e)': de spreker wil weten welk onderdeel bedoeld wordt. In 'Which part' staat 'Which' vóór het zelfstandig naamwoord wanneer je uit meerdere mogelijkheden kiest.
part
'part' betekent hier 'deel' of 'onderdeel' van de taak. In 'Which part feels difficult?' verwijst het naar een bepaald stuk van het geheel; je kunt 'part' ook gebruiken voor een onderdeel van een plan of document.
feels
'feels' betekent hier 'voelt aan' of 'lijkt' en beschrijft hoe een onderdeel wordt ervaren. Bij het onderwerp 'part' staat de vorm 'feels' in de constructie 'part feels difficult'.
difficult
'difficult' betekent hier 'moeilijk'. In 'feels difficult' beschrijft het hoe het besproken onderdeel voor de ander aanvoelt; je gebruikt het bijvoorbeeld om een taak of probleem te beoordelen.
The
'The' verwijst hier naar een specifiek onderdeel van de taak dat al bekend is. In 'The first part' staat het vóór de aanduiding van dat concrete onderdeel.
first
'first' betekent hier 'eerste' en geeft de positie aan van het onderdeel in een volgorde. In 'The first part' maakt het duidelijk dat het om het begin van de taak gaat.
is
'is' verbindt 'The first part' met de beschrijving 'unclear'. In 'The first part is unclear' zegt de spreker dat het eerste onderdeel onduidelijk is.
unclear
'unclear' betekent hier 'onduidelijk': de spreker begrijpt het eerste onderdeel nog niet goed. Je gebruikt het om aan te geven dat instructies, informatie of een onderdeel niet helder zijn.
can
'can' betekent hier 'kunnen' en drukt een mogelijkheid of aanbod uit. In 'I can walk you through it' biedt de spreker aan om te helpen; na 'can' volgt het werkwoord 'walk' zonder extra uitgang.
walk
'walk' betekent hier samen met 'through' niet letterlijk 'lopen', maar iemand stap voor stap begeleiden of iets uitleggen. In 'I can walk you through it' biedt de spreker deze begeleiding aan bij een onduidelijke taak.
you
'you' betekent hier 'jou' en verwijst naar de persoon die hulp nodig heeft. In 'walk you through it' is 'you' degene die de uitleg stap voor stap krijgt.
through
'through' draagt in 'walk you through it' bij aan de betekenis 'stap voor stap door iets heen'. Het herbruikbare patroon is walk + persoon + through + onderwerp, bijvoorbeeld bij het uitleggen van een procedure.
it
'it' verwijst hier naar de taak of het besproken onderdeel daarvan. In 'walk you through it' voorkomt het dat de hele taak opnieuw genoemd moet worden.
Should
'Should' betekent hier 'zal ik' of 'zou ik moeten' en wordt gebruikt om advies of toestemming te vragen. In 'Should I start with this file?' vraagt de spreker of dit een goede manier is om te beginnen.
start
'start' betekent hier 'beginnen'. In 'Should I start with this file?' vraagt de spreker waarmee hij of zij moet beginnen, en in 'Start there' geeft de ander een directe instructie.
file
'file' betekent hier 'bestand', bijvoorbeeld een bestand dat voor de taak nodig is. In 'this file' wordt één specifiek bestand aangewezen als startpunt.
there
'there' betekent hier 'daar' en verwijst naar het aangewezen startpunt, in deze situatie het bestand of de plek die net genoemd is. In 'Start there' gebruik je het om iemand naar een eerder aangewezen plaats of punt te sturen.
then
'then' betekent hier 'dan' of 'daarna' en ordent de volgende stap. In 'then show me what you have' volgt het laten zien van het werk nadat de ander daar is begonnen.
show
'show' betekent hier 'laten zien'. In 'show me what you have' vraagt de spreker om het werk of resultaat te bekijken; een veelgebruikt patroon is show + persoon + wat die persoon heeft.
me
'me' betekent hier 'mij' en verwijst naar de persoon die het resultaat wil bekijken. In 'show me what you have' is 'me' degene aan wie iets getoond wordt.
what
'what' betekent hier 'wat' en leidt de inhoud in van wat er getoond moet worden. In 'what you have' gaat het niet om een losse vraag, maar om het werk of resultaat dat de ander op dat moment heeft.
have
'have' betekent hier 'hebben' of 'beschikbaar hebben'. In 'what you have' verwijst het naar het werk dat de ander tot dan toe heeft gemaakt; deze combinatie kan na 'show me' de inhoud aangeven die iemand moet laten zien.
I'll
'I'll' betekent hier 'ik zal' en is de verkorte vorm van 'I will'. In 'I'll try that now' drukt de spreker een onmiddellijke bedoeling uit om de gegeven instructie uit te voeren.
try
'try' betekent hier 'proberen': de spreker gaat de voorgestelde aanpak uitvoeren. In 'I'll try that now' staat na 'try' het object 'that', dat verwijst naar de zojuist gegeven instructie.
that
'that' betekent hier 'dat' en verwijst naar de instructie of aanpak die de ander net heeft gegeven. In 'I'll try that now' vervangt het de volledige eerder besproken handeling.
now
'now' betekent hier 'nu' en maakt duidelijk dat de spreker meteen begint. Je gebruikt het om aan te geven dat een handeling op het huidige moment plaatsvindt.
check
'check' betekent hier 'controleren' of 'nakijken'. In 'check your work' zegt de spreker dat hij het gemaakte werk later zal bekijken om te zien of het goed is.
your
'your' betekent hier 'jouw' en geeft aan dat het werk van de aangesproken persoon is. In 'your work' staat het vóór het zelfstandig naamwoord om de bezitter aan te wijzen.
work
'work' betekent hier 'werk' of het resultaat van de uitgevoerde taak. In 'check your work' verwijst het naar wat de ander heeft gedaan en dat gecontroleerd kan worden.
after
'after' betekent hier 'na' en geeft de tijdsvolgorde aan. In 'after that' verwijst het naar een controle die plaatsvindt nadat de ander de eerdere instructie heeft uitgevoerd.