What
“What” vraagt hier naar de betekenis van een woord: “What does this word mean?”. Je gebruikt “What” wanneer je naar informatie over iets vraagt, bijvoorbeeld in een vraag naar betekenis.
does
“does” is hier het hulpwerkwoord dat de vraag vormt in “What does this word mean?”. Het is de vorm van “do” die samen met “mean” wordt gebruikt; een veelgebruikt patroon is “What does ... mean?”.
this
“this” verwijst in “What does this word mean?” naar het woord dat wordt besproken. In “This room is clean and bright.” verwijst de hoofdlettervorm “This” naar de kamer; je gebruikt “this” voor iets dat in de huidige situatie wordt aangewezen.
word
“word” betekent hier een afzonderlijke taaleenheid die de cursisten leren. In “this word” staat het na een aanwijzend woord; je kunt ook spreken over “a word” wanneer je één woord bedoelt.
mean
“mean” vraagt in “What does this word mean?” naar de betekenis die iets heeft. Na “does” blijft de vorm “mean” staan; gebruik “What does ... mean?” om naar de betekenis van een woord of uitdrukking te vragen.
It
“It” verwijst in “It means a small room.” naar het woord dat net werd besproken. Het staat hier als onderwerp vóór “means”; je gebruikt “It means ...” om de betekenis van iets uit te leggen.
means
“means” zegt in “It means a small room.” welke betekenis het woord heeft. Het is de vorm van “mean” die hier bij “It” staat; een bruikbaar patroon is “It means ...” gevolgd door de uitleg.
a
“a” verwijst in “a small room” naar één niet nader bepaalde kamer. Het staat vóór “small room” en wordt gebruikt bij een enkelvoudig zelfstandig naamwoord dat niet met een klinkerklank begint.
small
“small” betekent in “a small room” dat de kamer niet groot is. Het staat vóór “room” om die kamer te beschrijven; je kunt “a small” vóór een ander enkelvoudig zelfstandig naamwoord gebruiken.
room
“room” betekent hier een afgesloten ruimte in een gebouw. In “a small room” staat het na het bijvoeglijk naamwoord “small”; je gebruikt “room” bijvoorbeeld wanneer je een ruimte beschrijft.
Can
“Can” vraagt in “Can you pronounce it slowly?” of iemand iets kan doen. Het staat aan het begin van de vraag vóór “you” en wordt gevolgd door een werkwoord in de basisvorm; “Can you ...?” is ook een veelgebruikt verzoek.
you
“you” verwijst in “Can you pronounce it slowly?” naar de persoon die wordt aangesproken. Het staat na “Can” en vóór de handeling; je gebruikt “you” voor één of meer aangesproken personen.
pronounce
“pronounce” betekent hier een woord hardop uitspreken. In “Can you pronounce it slowly?” volgt het op “Can you”; je gebruikt “pronounce” wanneer je naar de uitspraak van een woord vraagt of die uitlegt.
slowly
“slowly” betekent hier met een lage snelheid, zodat de uitspraak goed te volgen is. Het staat in “pronounce it slowly” na de handeling; je kunt “slowly” gebruiken om aan te geven hoe iemand iets moet doen.
I'll
“I'll” betekent hier dat de spreker van plan is iets te doen in “I'll break it into parts.”. Het is de verkorte vorm van “I will”; een bruikbaar patroon is “I'll” gevolgd door een werkwoord voor een aangekondigde handeling.
break
“break” betekent in “I'll break it into parts.” iets in kleinere delen verdelen. In de uitdrukking “break it into parts” verwijst “it” naar het woord; je kunt dit patroon gebruiken wanneer je iets stap voor stap opdeelt.
into
“into” laat in “break it into parts” zien dat iets wordt verdeeld over afzonderlijke delen. Het hoort bij de combinatie “break ... into parts”; gebruik “into” wanneer je een verdeling of verandering naar afzonderlijke onderdelen beschrijft.
parts
“parts” zijn in “break it into parts” de afzonderlijke delen waarin het woord wordt verdeeld. Het is de meervoudsvorm van “part”; je gebruikt “into parts” wanneer iets in meerdere onderdelen wordt opgesplitst.
give
“give” betekent in “Can you give me an example?” iets aan iemand verstrekken, hier een voorbeeld. Het staat na “Can you” en vóór “me an example”; een bruikbaar patroon is “give someone an example”.
me
“me” verwijst in “give me an example” naar de spreker als ontvanger van het voorbeeld. Het staat na “give” en vóór wat wordt gegeven; je gebruikt “give me ...” wanneer iemand iets aan jou geeft of aanbiedt.
an
“an” verwijst in “an example” naar één niet nader bepaald voorbeeld. Het staat vóór “example”, dat met een klinkerklank begint; je gebruikt “an” vóór een enkelvoudig woord met zo’n beginklank.
example
“example” betekent hier iets dat laat zien hoe een woord wordt gebruikt, zoals “This room is clean and bright.”. In “an example” staat het na het onbepaalde lidwoord; je kunt “give me an example” gebruiken wanneer je om een verduidelijkend voorbeeld vraagt.
is
“is” verbindt in “This room is clean and bright.” de kamer met de beschrijvingen “clean” en “bright”. Het is de vorm van “be” die hier bij “This room” staat; een bruikbaar patroon is “iets is + beschrijving”.
clean
“clean” betekent in “This room is clean and bright.” dat de kamer niet vuil is. Het staat na “is” als beschrijving van de kamer; je gebruikt “is clean” om de toestand van iets te beschrijven.
and
“and” verbindt in “clean and bright” twee beschrijvingen van dezelfde kamer. Je gebruikt “and” om woorden of woordgroepen samen te voegen, zoals in “A and B”.
bright
“bright” betekent in “This room is clean and bright.” dat de kamer veel licht heeft. Het staat na “and” naast “clean” als tweede beschrijving; je gebruikt “bright” bijvoorbeeld om een goed verlichte ruimte te beschrijven.
I
“I” verwijst in “I want to practice using it.” naar de spreker. Het staat als onderwerp vóór “want”; je gebruikt “I” om over je eigen wens, plan of handeling te spreken.
want
“want” betekent in “I want to practice using it.” dat de spreker iets wil doen. Het staat vóór “to practice”; een veelgebruikt patroon is “I want to” gevolgd door een handeling die je van plan bent te doen.
to
“to” markeert in “to practice” de handeling die de spreker wil doen. Het staat na “want” en vóór “practice”; gebruik “want to” gevolgd door een werkwoord om een wens of bedoeling uit te drukken.
practice
“practice” betekent hier herhaald oefenen om beter te worden in het gebruiken van een woord. In “practice using it” wordt het gevolgd door de handeling “using it”; je kunt “practice” gebruiken wanneer je een taalhandeling doelgericht herhaalt.
using
“using” betekent in “practice using it” het woord daadwerkelijk gebruiken. Het is de vorm van “use” die hier na “practice” staat; een bruikbaar patroon is “practice” gevolgd door een handeling op “-ing”.
Try
“Try” geeft in “Try it in a short sentence.” een aansporing om iets te proberen. Het staat aan het begin van de zin vóór “it”; je gebruikt “Try” wanneer je iemand uitnodigt om een handeling uit te voeren.
in
“in” laat in “in a short sentence” zien waarin het woord wordt gebruikt: in een zin. Het staat vóór “a short sentence”; je gebruikt “in” hier om de context aan te geven waarin een woord of handeling voorkomt.
short
“short” betekent in “a short sentence” dat de zin niet lang is. Het staat vóór “sentence” om die zin te beschrijven; je gebruikt “a short” vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord voor iets met beperkte lengte.
sentence
“sentence” betekent hier een groep woorden die samen een volledige gedachte uitdrukt. In “a short sentence” staat het na het bijvoeglijk naamwoord “short”; je gebruikt “sentence” wanneer je een voorbeeld van taalgebruik bespreekt.