I
‘I’ verwijst hier naar de spreker zelf: ‘I want to review these words.’ Het staat als onderwerp vóór een werkwoord, bijvoorbeeld in een zin over wat je zelf wilt doen.
want
‘want’ betekent hier dat de spreker iets wil doen, namelijk de woorden opnieuw bestuderen. Gebruik ‘want’ vaak met ‘to’ en een handeling, zoals in ‘I want to review’; je gebruikt het bijvoorbeeld om een wens te vertellen.
to
‘to’ markeert hier de handeling die volgt op ‘want’: ‘to review’. Gebruik ‘want to’ samen vóór een handeling wanneer je zegt wat je wilt doen.
review
‘review’ betekent hier iets opnieuw bestuderen of herhalen. In ‘I want to review these words’ volgt het na ‘to’; je kunt het gebruiken wanneer je leerstof opnieuw bekijkt.
these
‘these’ verwijst hier naar meerdere woorden die voor de spreker duidelijk zijn: ‘these words’. Gebruik ‘these’ vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord voor dingen die je aanwijst of als dichtbij beschouwt.
words
‘words’ verwijst hier naar meerdere afzonderlijke taalelementen die de cursisten leren. ‘Words’ is de meervoudsvorm van ‘word’; je gebruikt het bijvoorbeeld voor woorden die je wilt lezen, leren of herhalen.
Let's
‘Let’s’ geeft hier een voorstel om iets samen te doen: ‘Let’s use these word cards.’ Het is een verkorte vorm van ‘let us’ en is bruikbaar wanneer je iemand uitnodigt om samen een handeling uit te voeren.
use
‘use’ betekent hier de woordkaartjes inzetten bij het leren. In ‘Let’s use these word cards’ volgt het direct na ‘Let’s’; je gebruikt het wanneer je zegt welk hulpmiddel of object je voor een doel inzet.
word
‘word’ verwijst hier naar één taalelement in ‘word cards’. Het staat vóór ‘cards’ om aan te geven dat de kaartjes voor woorden zijn; je kunt ‘word’ ook gebruiken voor één woord dat je leest of leert.
cards
‘cards’ verwijst hier naar meerdere kleine kaartjes die voor het leren worden gebruikt. ‘Cards’ is de meervoudsvorm van ‘card’; je gebruikt het bijvoorbeeld voor kaartjes die je samen gebruikt of bekijkt.
can't
‘can’t’ betekent hier dat de spreker niet in staat is iets te onthouden: ‘I can’t remember this one.’ Het is de verkorte vorm van ‘cannot’ en wordt gebruikt om onvermogen in een concrete situatie uit te drukken.
remember
‘remember’ betekent hier iets in het geheugen kunnen houden. In ‘I can’t remember this one’ volgt het na ‘can’t’; je kunt het gebruiken wanneer je zegt dat je een woord, naam of feit wel of niet kunt onthouden.
this
‘this’ verwijst hier naar één woordkaartje of één woord dat de spreker bedoelt: ‘this one’. Gebruik ‘this’ vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord of samen met ‘one’ wanneer je naar één nabij of aangewezen ding verwijst.
one
‘one’ staat hier voor één eerder genoemd item, namelijk het woord dat de spreker niet kan onthouden: ‘this one’. Je gebruikt ‘one’ zo om een zelfstandig naamwoord niet opnieuw te herhalen, bijvoorbeeld bij het kiezen van één kaartje.
Look
‘Look’ is hier een directe aansporing om ergens naar te kijken: ‘Look at the example sentence.’ Gebruik deze vorm aan het begin van een instructie wanneer je iemand vraagt zijn aandacht op iets te richten.
at
‘at’ hoort hier bij ‘Look at’ en wijst aan waarop iemand moet kijken: ‘Look at the example sentence.’ Gebruik ‘look at’ vóór het object waar je iemands aandacht naartoe richt.
the
‘the’ maakt hier duidelijk dat het om een specifieke voorbeeldzin gaat: ‘the example sentence’. Gebruik ‘the’ wanneer de gesprekspartners weten welke persoon, zaak of tekst bedoeld wordt.
example
‘example’ betekent hier een voorbeeld dat laat zien hoe het woord in een zin gebruikt wordt. In ‘the example sentence’ staat het vóór ‘sentence’; je kunt het gebruiken om naar een voorbeeld te verwijzen dat iets verduidelijkt.
sentence
‘sentence’ verwijst hier naar een groep woorden die samen een voorbeeld vormen. In ‘the example sentence’ is het de zin die de cursist moet bekijken; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je iemand naar geschreven tekst verwijst.
helps
‘helps’ betekent hier dat de zin het onthouden gemakkelijker maakt: ‘The sentence helps me remember it.’ Je kunt ‘helps’ gebruiken in een patroon als ‘X helps me’ wanneer iets een handeling voor jou gemakkelijker maakt.
me
‘me’ verwijst hier naar de spreker als degene voor wie het onthouden gemakkelijker wordt: ‘helps me remember it’. Het staat na het werkwoord in ‘helps me’; je gebruikt het wanneer de handeling op jou gericht is.
it
‘it’ verwijst hier naar het woord of item dat onthouden moet worden: ‘remember it’. Gebruik ‘it’ om naar één eerder genoemd ding te verwijzen zonder het opnieuw te benoemen.
Try
‘Try’ betekent hier dat iemand een poging moet doen met een ander kaartje: ‘Try another card’. Het is een directe instructie; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je iemand aanmoedigt om een oplossing of activiteit te proberen.
another
‘another’ betekent hier één ander kaartje dan het kaartje dat eerder werd gebruikt: ‘another card’. Gebruik ‘another’ vóór een enkelvoudig telbaar zelfstandig naamwoord wanneer je nog één extra of verschillend exemplaar bedoelt.
and
‘and’ verbindt hier twee opdrachten: ‘Try another card and check the example first.’ Gebruik ‘and’ om twee woorden, handelingen of zinnen met elkaar te verbinden, vooral wanneer beide bij dezelfde instructie horen.
check
‘check’ betekent hier de voorbeeldzin bekijken om de informatie te controleren of te gebruiken: ‘check the example first’. Gebruik ‘check’ vóór het object dat je bekijkt of controleert; dit past bijvoorbeeld bij een leerinstructie.
first
‘first’ betekent hier dat iets vóór de andere handeling moet gebeuren: bekijk eerst het voorbeeld. Gebruik ‘first’ om de volgorde van handelingen aan te geven, zoals in ‘check the example first’.
will
‘will’ markeert hier een handeling die de spreker nu voor de toekomst aankondigt: ‘I will try the next card now.’ Gebruik ‘will’ vóór de handeling wanneer je een besluit, voornemen of verwachting over een toekomstige actie uitdrukt.
next
‘next’ betekent hier de kaart die in de volgorde na de huidige kaart komt: ‘the next card’. Gebruik ‘next’ vóór een zelfstandig naamwoord om het volgende onderdeel in een reeks aan te wijzen.
now
‘now’ betekent hier op dit moment: de spreker gaat het volgende kaartje meteen proberen. Gebruik ‘now’ om aan te geven dat een handeling in de huidige situatie plaatsvindt of direct begint.
Read
‘Read’ is hier een directe instructie om de zin te lezen: ‘Read the sentence first’. Gebruik deze vorm aan het begin van een opdracht wanneer je iemand vraagt geschreven woorden te lezen.
then
‘then’ betekent hier daarna en geeft de tweede stap in de instructie aan: ‘then say the word’. Gebruik ‘then’ om aan te geven wat na een eerdere handeling moet gebeuren.
say
‘say’ betekent hier het woord hardop uitspreken: ‘say the word’. Gebruik ‘say’ met de woorden of zin die iemand moet uitspreken, bijvoorbeeld in een taalles wanneer een leerling een antwoord geeft.