I
I verwijst hier naar de spreker zelf: ‘ik’. Deze vorm gebruik je als onderwerp vóór een werkwoord, zoals in ‘I need’.
need
need betekent hier dat de spreker iets nodig heeft of noodzakelijk vindt. In ‘I need to change’ staat need vóór to en de daaropvolgende handeling. Gebruik het om een behoefte of noodzaak uit te drukken.
to
to markeert hier de handeling die na need komt: ‘veranderen’. Na need gebruik je vaak to met een werkwoord om aan te geven wat nodig is.
change
change betekent hier iets anders maken; de spreker wil de bestaande afspraak of aanpak aanpassen. In ‘to change the plan’ volgt change op to en krijgt het ‘the plan’ als object. Gebruik het ook wanneer je een afspraak, plaats of beslissing aanpast.
the
the verwijst hier naar een specifiek plan dat de gesprekspartners al kennen. In ‘the plan’ maakt the duidelijk dat het om dat bepaalde plan gaat, niet om een willekeurig plan.
plan
plan betekent hier de afgesproken of voorgenomen regeling. In ‘change the plan’ is het plan datgene wat aangepast moet worden. Je kunt plan gebruiken voor een voornemen, afspraak of aanpak.
What
What vraagt hier welke zaak of welk onderdeel bedoeld wordt. In ‘What part’ staat What vóór het zelfstandig naamwoord om naar een onbekend onderdeel te vragen. Gebruik What ook om naar informatie of een keuze te vragen.
part
part betekent hier een onderdeel of aspect van het plan. In ‘What part is not working?’ vraagt de spreker welk onderdeel een probleem geeft. Gebruik part voor een deel van een plan, taak of geheel.
is
is verbindt hier ‘What part’ met de toestand ‘not working’. Het is de vorm van be die bij één onderwerp hoort. In ‘is not working’ helpt is om te zeggen hoe iets op dat moment functioneert.
not
not maakt ‘working’ negatief: het onderdeel functioneert niet goed of levert niet het gewenste resultaat. In ‘is not working’ staat not tussen is en working. Gebruik not om een bewering of toestand te ontkennen.
working
working betekent hier functioneren of goed verlopen, niet alleen betaald werk doen. In ‘is not working’ gaat het om een onderdeel van het plan dat niet goed uitpakt. Gebruik working na be om te zeggen dat iets functioneert of verloopt.
meeting
meeting verwijst hier naar het samenkomen van de twee personen. In ‘meeting spot’ beschrijft meeting het soort plek: een plek waar je elkaar ontmoet. Gebruik meeting als onderdeel van een uitdrukking voor een bijeenkomst of ontmoetingsplek.
spot
spot betekent hier een bepaalde plek of locatie. In ‘The meeting spot’ gaat het om de locatie waar de gesprekspartners zouden afspreken. Gebruik spot voor een concrete, vaak informele aanduiding van een plaats.
feels
feels betekent hier ‘lijkt’ of ‘geeft de indruk’, zoals in ‘The meeting spot feels too noisy.’ Het beschrijft de indruk die de plek op de spreker maakt. Gebruik feels met een beschrijving om een persoonlijke indruk of ervaring te geven.
too
too geeft hier aan dat de mate hoger is dan prettig of geschikt: de plek is te lawaaierig. In ‘too noisy’ staat too vóór het bijvoeglijk naamwoord en versterkt het de betekenis van overmaat. Gebruik too + bijvoeglijk naamwoord wanneer iets een ongewenst hoge graad heeft.
noisy
noisy betekent hier dat er veel of harde geluiden zijn. In ‘too noisy’ beschrijft noisy de ontmoetingsplek en too zegt dat dit meer geluid is dan gewenst. Gebruik noisy om een ruimte, straat of omgeving met veel geluid te beschrijven.
Let's
Let's is hier een voorstel om samen naar een andere plek te gaan. Het is de verkorte vorm van let us en staat vooraan in ‘Let's move’. Gebruik Let's + werkwoord om een gezamenlijke actie voor te stellen.
move
move betekent hier naar een andere plek gaan. In ‘Let's move somewhere quieter’ is move de voorgestelde gezamenlijke actie en somewhere quieter geeft de nieuwe locatie aan. Gebruik move bij het veranderen van plaats, bijvoorbeeld binnen een gebouw.
somewhere
somewhere verwijst hier naar een niet nader genoemde plek. In ‘somewhere quieter’ wordt die onbekende plek nader omschreven als rustiger. Gebruik somewhere + een beschrijving wanneer de precieze locatie nog niet wordt genoemd.
quieter
quieter betekent hier ‘rustiger’, dus met minder geluid dan de eerste plek. Het is de vergelijkende vorm van quiet en staat in ‘somewhere quieter’. Gebruik quieter wanneer je twee plaatsen, ruimtes of situaties met elkaar vergelijkt.
inside
inside betekent hier binnen, in een gebouw of andere binnenruimte. In ‘move somewhere quieter inside’ geeft inside aan dat de nieuwe plek binnen is. Gebruik inside om een binnenlocatie of beweging naar binnen te beschrijven.
Can
Can vraagt hier of iets mogelijk is of mag: samen afspreken bij de ingang. In ‘Can we meet’ staat Can vóór het onderwerp en het werkwoord. Gebruik Can we + werkwoord om naar een mogelijkheid of toestemming voor een gezamenlijke actie te vragen.
we
we verwijst hier naar de spreker en de andere persoon samen. In ‘Can we meet’ is we degene(n) die mogelijk zullen afspreken. Gebruik we als onderwerp voor een handeling die jij samen met anderen uitvoert.
meet
meet betekent hier elkaar op een afgesproken plaats ontmoeten. In ‘Can we meet just inside the entrance?’ staat meet na Can in de basisvorm. Gebruik meet bij een afspraak of wanneer mensen op een plaats samenkomen.
just
just betekent hier ‘net’ of ‘precies’, met de betekenis dat de afspraak onmiddellijk aan de binnenkant van de ingang is. In ‘just inside the entrance’ beperkt just de plaats tot vlak binnen de ingang. Gebruik just vóór een plaatsaanduiding om een heel specifieke locatie aan te geven.
entrance
entrance betekent hier de ingang van een gebouw of ruimte. In ‘inside the entrance’ is het de herkenbare plaats waar de twee personen elkaar zullen ontmoeten. Gebruik entrance voor de plek waar je een gebouw binnengaat.
That
That verwijst hier naar het zojuist voorgestelde plan om bij de ingang af te spreken. In ‘That works for me’ neemt That de hele voorgestelde regeling als onderwerp. Gebruik That om naar een eerder genoemde afspraak, idee of oplossing te verwijzen.
works
works betekent hier ‘is geschikt’ of ‘komt goed uit’, niet alleen ‘functioneert’. In ‘That works for me’ zegt de spreker dat de voorgestelde afspraak voor hem of haar aanvaardbaar is. De vaste uitdrukking That works for me gebruik je om akkoord te gaan met een voorstel.
for
for geeft hier aan voor wie de afspraak geschikt is. In ‘works for me’ verbindt for de regeling met de persoon die ermee instemt. Gebruik works for + persoon om te zeggen dat een tijd, plaats of voorstel voor iemand past.
me
me verwijst hier naar de spreker als degene voor wie de afspraak geschikt is. In ‘for me’ staat me na het voorzetsel for. Gebruik me na een voorzetsel wanneer je naar jezelf verwijst.
I'll
I'll betekent hier dat de spreker later zal wachten. Het is de verkorte vorm van I will en staat vóór het werkwoord in ‘I'll wait’. Gebruik I'll + werkwoord om een toekomstige handeling of toezegging uit te drukken.
wait
wait betekent hier op de afgesproken plaats blijven totdat de ander er is. In ‘I'll wait there’ volgt wait op I'll en there geeft de plaats aan. Gebruik wait for + persoon wanneer je expliciet zegt op wie je wacht.
there
there verwijst hier naar de eerder genoemde plek bij de ingang. In ‘I'll wait there’ voorkomt there dat de locatie opnieuw genoemd moet worden. Gebruik there om naar een al bekende plaats te verwijzen.
when
when verbindt hier het wachten met het moment van aankomen: ‘als of wanneer ik aankom’. In ‘when I arrive’ leidt when een tijdsbepaling in. Gebruik when + een gebeurtenis om aan te geven wanneer iets gebeurt.
arrive
arrive betekent hier op de ontmoetingsplek aankomen. In ‘when I arrive’ staat arrive na I en beschrijft het moment waarop de spreker de plek bereikt. Gebruik arrive bij het bereiken van een plaats; je kunt daarna een plaatsaanduiding noemen wanneer die nodig is.
Then
Then betekent hier ‘dan’: als de nieuwe afspraak geldt, volgt de gezamenlijke actie. In ‘Then we can find’ verbindt Then de eerdere afspraak met het gevolg. Gebruik Then om een volgende stap of gevolg aan te kondigen.
find
find betekent hier een geschikte rustige plek lokaliseren of kiezen. In ‘we can find a quiet place together’ staat find na can in de basisvorm en krijgt het ‘a quiet place’ als object. Gebruik can find + object wanneer je zegt dat je iets kunt lokaliseren of uitkiezen.
a
a introduceert hier één niet nader bepaalde rustige plek. In ‘a quiet place’ is nog niet bekend welke plek dat precies zal zijn. Gebruik a vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer het om één niet-specifieke zaak gaat.
quiet
quiet betekent hier dat er weinig geluid is. In ‘a quiet place’ beschrijft quiet de plek die de twee personen samen willen vinden. Gebruik quiet vóór een zelfstandig naamwoord om een rustige ruimte of locatie aan te duiden.
place
place betekent hier een locatie waar de twee personen kunnen zijn. In ‘a quiet place’ is het de plek die zij samen zoeken. Gebruik place voor een algemene aanduiding van een locatie.
together
together betekent hier dat de twee personen de rustige plek samen zoeken. In ‘find a quiet place together’ beschrijft together dat zij deze handeling met elkaar uitvoeren. Gebruik together om samenwerking of gezamenlijkheid aan te geven.