Can
“Can” vraagt hier of iets mogelijk is: de spreker vraagt of zij samen kunnen controleren. In een vraag staat “Can” voor het onderwerp, zoals in “Can we ...?”. Je gebruikt dit bijvoorbeeld om beleefd naar de mogelijkheid van een gezamenlijke actie te vragen.
we
“we” verwijst hier naar de spreker en de aangesproken persoon samen. Het is het onderwerp in “Can we make sure ...?”. Je gebruikt “we” wanneer jij en minstens één andere persoon samen iets doen.
make sure
“make sure” betekent hier controleren of iets klaar of in orde is. In deze uitdrukking geeft “make” de handeling van ervoor zorgen aan en geeft “sure” het resultaat van zekerheid aan. Een veelgebruikt patroon is “make sure + zin”, zoals in “make sure my bag is ready”.
my
“my” geeft hier aan dat de tas van de spreker is: “my bag”. Het staat direct vóór het zelfstandig naamwoord waarop het betrekking heeft. Je gebruikt “my” om iets als bezit of verbonden met jezelf aan te duiden.
bag
“bag” betekent hier een tas waarin de benodigde spullen worden meegenomen. Het staat in “my bag”, dus samen met een bezitsaanduiding. Je gebruikt “bag” bijvoorbeeld voor een tas die je inpakt of meeneemt.
is
“is” verbindt hier “my bag” met de toestand “ready”: de tas is klaar. In “my bag is ready” staat “is” tussen het onderwerp en de beschrijving ervan. Je gebruikt deze vorm om over één ding of persoon te zeggen hoe die is of waar die is.
ready
“ready” betekent hier voorbereid om te vertrekken of gebruikt te worden. Het beschrijft de toestand van “my bag” in “my bag is ready”. Je gebruikt “ready” wanneer iets voorbereid is voor de volgende stap.
Put
“Put” betekent hier leg of plaats de belangrijke spullen op tafel. “Put” staat aan het begin van de opdracht en krijgt daarna het voorwerp en de plaats: “Put the important things on the table”. Je gebruikt dit patroon om iemand te zeggen waar die iets moet plaatsen.
the
“the” verwijst hier naar specifieke dingen die belangrijk zijn in deze situatie: “the important things”. Het staat vóór de beschrijving en het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt “the” wanneer de bedoelde persoon of personen de dingen uit de context kunnen herkennen.
important
“important” betekent hier dat de dingen nodig of bijzonder relevant zijn voor het vertrek. Het beschrijft “things” in “the important things”. Je kunt “important” vóór een zelfstandig naamwoord zetten om aan te geven dat iets extra aandacht verdient.
things
“things” verwijst hier naar de verschillende voorwerpen die op tafel moeten worden gelegd. In “the important things” gaat het om concrete spullen, niet om een specifiek benoemd voorwerp. Je gebruikt “things” wanneer je over meerdere voorwerpen spreekt zonder ze allemaal te benoemen.
on
“on” geeft hier aan dat de dingen boven op een oppervlak komen te liggen: “on the table”. Het staat vóór de plaats waar iets wordt neergelegd. Je gebruikt “on” bij een positie op een oppervlak.
table
“table” is hier het vlakke meubel waarop de belangrijke dingen worden gelegd. Het staat in de plaatsbepaling “on the table”. Je gebruikt “table” bijvoorbeeld om aan te geven waar je spullen neerlegt.
first
“first” betekent hier vóór de andere stappen: leg de belangrijke dingen eerst op tafel. Het geeft de volgorde van de handeling aan in “Put ... first”. Je gebruikt “first” om aan te geven wat als eerste moet gebeuren.
phone
“phone” betekent hier de telefoon van de spreker, die in een vak van de tas zit. Het staat in “my phone”, waarbij “my” de eigenaar aanduidt. Je gebruikt “phone” voor een telefoon die je bijvoorbeeld in een tas of zak bewaart.
in
“in” geeft hier aan dat de telefoon zich binnen in het voorvak bevindt: “in the front pocket”. Het staat vóór het vak dat de locatie beschrijft. Je gebruikt “in” voor iets dat zich binnen een ruimte, container of vak bevindt.
front
“front” betekent hier aan de voorkant van de tas: “the front pocket” is het voorvak. Het beschrijft welk vak bedoeld wordt. Je kunt “front” vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken om het voorste deel aan te duiden.
pocket
“pocket” betekent hier een klein vak in de tas waarin de telefoon zit. Het staat in “the front pocket”, samen met de aanduiding van de positie. Je gebruikt “pocket” voor een vak in bijvoorbeeld een tas of kledingstuk.
Where
“Where” vraagt hier naar de plaats waar de sleutels zijn neergelegd. Het staat aan het begin van “Where did you put your keys?”. Je gebruikt “Where” om naar een locatie of plaats te vragen.
did
“did” helpt hier om een vraag te vormen over het plaatsen van de sleutels: “Where did you put your keys?”. Na “did” staat de vorm “put” in de vraag. Je gebruikt het patroon “Where did you put ...?” om te vragen waar iemand iets heeft geplaatst.
you
“you” verwijst hier naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. Het is degene die de sleutels heeft neergelegd in “Where did you put your keys?”. Je gebruikt “you” voor één of meer aangesproken personen.
your
“your” geeft hier aan dat de sleutels bij de aangesproken persoon horen: “your keys”. Het staat direct vóór “keys”. Je gebruikt “your” om bezit of verbondenheid met de aangesproken persoon aan te duiden.
keys
“keys” betekent hier de sleutels waarnaar in de tas wordt gezocht. Het staat in “your keys”, met “your” als bezitsaanduiding. Je gebruikt “keys” voor voorwerpen waarmee je bijvoorbeeld sloten opent.
They
“They” verwijst hier naar de sleutels uit de vorige vraag. Het is het onderwerp in “They are next to my phone.”. Je gebruikt “they” om naar meerdere personen of dingen te verwijzen.
are
“are” verbindt hier “They” met de locatie “next to my phone”: de sleutels liggen naast de telefoon. Het beschrijft waar de meervoudige dingen zich bevinden. Je gebruikt “are” in zulke zinnen met “they” om een toestand of locatie te beschrijven.
next to
“next to” betekent hier naast of direct bij iets: de sleutels liggen naast de telefoon. In deze combinatie geeft “next” de nabijheid aan en verbindt “to” de locatie met “my phone”. Een bruikbaar patroon is “X is next to Y” of “X are next to Y”, afhankelijk van het onderwerp.
Do
“Do” helpt hier om een vraag te vormen over wat de aangesproken persoon nodig heeft: “Do you also need your water bottle?”. Het staat vóór het onderwerp “you”. Je gebruikt het patroon “Do you need ...?” om te vragen of iemand iets nodig heeft.
also
“also” betekent hier ook: naast de andere spullen is er misschien een waterfles nodig. Het staat in de vraag vóór “need”. Je gebruikt “also” om extra informatie of een extra mogelijkheid toe te voegen.
need
“need” betekent hier nodig hebben: de vraag gaat over de vraag of de waterfles nodig is. In “Do you also need your water bottle?” staat het voorwerp direct na “need”. Je gebruikt het patroon “need + voorwerp” om aan te geven dat iets vereist of gewenst is.
water
“water” verwijst hier naar de vloeistof in de fles: “water bottle”. Het vormt samen met “bottle” de naam van een voorwerp. Je gebruikt “water” in zulke combinaties om te zeggen wat een fles bevat.
bottle
“bottle” betekent hier een fles voor de waterdrank: “water bottle”. Het staat samen met “water” als een vaste benaming voor dit voorwerp. Je gebruikt “bottle” voor een houder waarin vloeistof zit.
Yes
“Yes” is hier een bevestigend antwoord op de vraag of de waterfles nodig is. Het bevestigt de voorafgaande vraag voordat de spreker uitlegt waar de fles is. Je gebruikt “Yes” om instemming of een bevestigend antwoord te geven.
it
“it” verwijst hier naar de waterfles uit de vorige zin. Het is het onderwerp in “it is already in the main pocket”. Je gebruikt “it” om naar één eerder genoemd ding te verwijzen.
already
“already” betekent hier dat de waterfles op dit moment al in het hoofdvak zit. Het geeft aan dat de genoemde handeling of toestand eerder dan nu is bereikt. Je gebruikt “already” vaak om te zeggen dat iets al geregeld of aanwezig is.
main
“main” betekent hier het belangrijkste of centrale vak van de tas: “the main pocket”. Het beschrijft welk vak bedoeld wordt. Je kunt “main” vóór een zelfstandig naamwoord zetten om het primaire onderdeel aan te duiden.
Then
“Then” betekent hier dan: op basis van de gecontroleerde spullen volgt de conclusie dat alles aanwezig is. Het verbindt de controle met het resultaat “you have what you need”. Je gebruikt “Then” om een gevolg of conclusie aan te kondigen.
have
“have” betekent hier hebben of beschikken over: de persoon heeft alle benodigde spullen. Het staat in “you have what you need”, met daarna wat die persoon heeft. Je gebruikt het patroon “have + voorwerp” om bezit of aanwezigheid bij iemand uit te drukken.
what
“what” verwijst hier naar de dingen die nodig zijn in “what you need”. Het leidt het deel aan dat specificeert welke dingen bedoeld worden. Je gebruikt “what + persoon + werkwoord” om te verwijzen naar wat iemand doet of nodig heeft.