Where
“Where” vraagt hier naar de plaats: waar de spreker zijn portemonnee moet doen. Het staat aan het begin van de vraag “Where should I put my wallet?”. Gebruik “Where” om naar een plaats te vragen.
should
“should” geeft hier advies of verwachting aan: waar de spreker zijn portemonnee het beste kan doen. In “Where should I put my wallet?” staat het vóór de persoon en het werkwoord. Een bruikbaar patroon is “should” plus een werkwoord, bijvoorbeeld om te vragen wat verstandig is.
I
“I” betekent hier de persoon die spreekt: ik. In “Where should I put my wallet?” is “I” degene die de portemonnee moet opbergen. Gebruik “I” wanneer je over jezelf spreekt.
put
“put” betekent hier doen of leggen op een bepaalde plaats. In “Where should I put my wallet?” gaat het om de portemonnee opbergen. Een bruikbaar patroon is “put” plus een voorwerp en een plaats.
my
“my” geeft bezit aan en betekent hier mijn. In “my wallet” hoort de portemonnee bij de spreker. Gebruik “my” vóór iets dat van jezelf is.
wallet
“wallet” betekent hier portemonnee, het voorwerp dat veilig moet worden opgeborgen. Het staat in “my wallet” als het voorwerp na “put”. Gebruik “wallet” wanneer je over een portemonnee spreekt.
Keep
“Keep” betekent hier bewaren of op een bepaalde plaats houden. In “Keep it in the inside pocket.” is het een instructie om de portemonnee in de binnenzak te laten. Een bruikbaar patroon is “keep” plus een voorwerp en een plaats.
it
“it” verwijst hier naar de eerder genoemde portemonnee. In “Keep it in the inside pocket.” voorkomt “it” dat “wallet” opnieuw wordt genoemd. Gebruik “it” voor een eerder genoemd ding wanneer duidelijk is waarnaar je verwijst.
in
“in” geeft hier aan dat iets zich binnen een plaats bevindt. In “in the inside pocket” staat de portemonnee binnen in de binnenzak. Gebruik “in” vóór een plaats of ruimte waarin iets zit.
the
“the” verwijst hier naar een specifieke, bekende zak: de binnenzak. In “the inside pocket” gaat het niet om zomaar een zak, maar om de bedoelde zak. Gebruik “the” vóór iets specifieks waar de gesprekspartners naar kunnen verwijzen.
inside
“inside” beschrijft hier welke zak bedoeld wordt: de zak aan de binnenkant. Samen vormen “inside pocket” de betekenis binnenzak. In het Engels staat deze beschrijving vóór het zelfstandig naamwoord.
pocket
“pocket” betekent hier zak, meer bepaald de zak waarin de portemonnee wordt bewaard. In “the inside pocket” wordt de soort zak nader bepaald door “inside”. Gebruik “pocket” voor een zak in bijvoorbeeld een kledingstuk of tas.
Is
“Is” vormt hier een vraag over een toestand of eigenschap: of de voorzak veilig is. In “Is the front pocket safe?” staat “Is” vóór het onderwerp. Gebruik deze vraagvolgorde om naar een toestand of eigenschap te vragen.
front
“front” beschrijft hier de zak aan de voorkant: de voorzak. In “the front pocket” staat “front” vóór “pocket” om de zak te specificeren. Gebruik een vergelijkbare plaatsbeschrijving vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je iets precies wilt aanduiden.
safe
“safe” betekent hier veilig, omdat de spreker wil weten of de voorzak een veilige plaats is. In “Is the front pocket safe?” beschrijft “safe” de zak. Gebruik “safe” om te zeggen of een plaats of situatie geen gevaar oplevert.
one
“one” vervangt hier het eerder genoemde zelfstandig naamwoord “pocket”. In “The inside one is safer.” betekent “the inside one” dus de binnenzak, niet het getal één. Gebruik “one” na een beschrijving wanneer je herhaling van een zelfstandig naamwoord wilt vermijden.
safer
“safer” betekent hier veiliger en vergelijkt de binnenzak met de voorzak. Het is de vergelijkende vorm van “safe” en staat in “The inside one is safer.”. Gebruik “safer” wanneer je twee plaatsen, keuzes of situaties met elkaar vergelijkt.
can
“can” geeft hier aan dat de spreker de mogelijkheid of het vermogen heeft om de rits te sluiten. In “I can close the zipper.” staat “can” vóór “close”. Een bruikbaar patroon is “can” plus een werkwoord om te zeggen wat iemand kan doen.
close
“close” betekent hier sluiten: de rits dichtdoen. In “I can close the zipper.” volgt “close” op “can” en krijgt het geen extra uitgang. Gebruik “close” voor het sluiten van bijvoorbeeld een rits, deur of tas.
zipper
“zipper” betekent hier rits, het onderdeel dat de zak afsluit. In “close the zipper” is de rits het voorwerp van “close”. Gebruik “zipper” wanneer je over de sluiting van bijvoorbeeld een tas of kledingstuk spreekt.
That
“That” verwijst hier naar de handeling die net is genoemd: de rits sluiten. In “That should keep it secure.” is die handeling volgens de spreker voldoende om het voorwerp veilig te houden. Gebruik “That” om naar een eerder genoemde handeling, situatie of zaak te verwijzen.
secure
“secure” betekent hier veilig opgeborgen of goed beschermd. In “That should keep it secure.” beschrijft het de toestand van de portemonnee nadat de rits is gesloten. Gebruik “secure” wanneer iets op een veilige of beschermde manier op zijn plaats blijft.
phone
“phone” betekent hier telefoon, het tweede waardevolle voorwerp in de zak. In “My phone is in there too.” is “phone” het onderwerp. Gebruik “phone” wanneer je over een telefoon spreekt.
there
“there” verwijst hier naar de plaats waar de portemonnee zit, namelijk de binnenzak. In “in there” geeft het aan dat de telefoon daar ook in zit. Gebruik “there” om naar een eerder genoemde of aangewezen plaats te verwijzen.
too
“too” betekent hier ook en voegt de telefoon toe aan wat al over de portemonnee is gezegd. In “My phone is in there too.” staat het aan het einde van de zin. Gebruik “too” om aan te geven dat iets eveneens geldt.
Check
“Check” betekent hier controleren of nagaan. In “Check the pocket before you go.” is het een instructie om de zak te controleren voordat je vertrekt. Gebruik “check” voor een korte opdracht om iets na te kijken.
before
“before” betekent hier voordat en geeft aan dat de controle eerder moet gebeuren dan het vertrek. In “before you go” leidt het een deelzin met een handeling in. Gebruik “before” om de volgorde van twee handelingen aan te geven.
you
“you” verwijst hier naar de persoon tegen wie B spreekt: je of jij. In “before you go” is “you” degene die vertrekt. Gebruik “you” wanneer je de gesprekspartner aanspreekt.
go
“go” betekent hier gaan of vertrekken. In “before you go” verwijst het naar het moment waarop de aangesprokene vertrekt. Gebruik “go” om beweging naar een andere plaats of het vertrekken aan te duiden.