Voorbereiden op bewolkt weer | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: Before a walk, two adults talk about cloudy, windy weather and getting a coat and hat before going outside..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Voorbereiden op bewolkt weer oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

It looks cloudy outside.

it loeks klaudi autsaid. Het ziet er buiten bewolkt uit.
B

Take a warm coat with you.

teek uh woorm koot widh joe. Neem een warme jas mee.
A

Does the wind feel cold?

duz dhuh wind fiel kould? Voelt de wind koud aan?
B

It is cold and windy today.

it iz kould uhnd windi tuhdee. Het is vandaag koud en winderig.
A

I need my hat too.

ai niid mai het toe. Ik heb ook mijn hoed nodig.
B

It is by the door.

it iz bai dhuh door. Hij ligt bij de deur.
A

I will put it on before I leave.

ai wil poet it an bifoor ai liev. Ik zet hem op voordat ik vertrek.
B

Then you will be ready for the walk.

dhen joe wil bie reddi fer dhuh wook. Dan ben je klaar voor de wandeling.

Woord voor woord

It In “It looks cloudy outside” verwijst “It” naar het weer; in “It is by the door” en “put it on” verwijst “it” naar de eerder genoemde hoed. “It” staat vaak voor weer, een voorwerp of een situatie. Je gebruikt deze vorm wanneer je niet opnieuw hetzelfde zelfstandig naamwoord wilt herhalen.
looks “looks” betekent hier dat iets er op een bepaalde manier uitziet of lijkt: het weer lijkt bewolkt. De vorm staat in “It looks cloudy” vóór een bijvoeglijk naamwoord. Je gebruikt dit bijvoorbeeld om een indruk van het weer of het uiterlijk van iets te geven.
cloudy “cloudy” beschrijft in “It looks cloudy outside” weer met veel wolken. Het staat na “looks” om te zeggen hoe het buiten lijkt. Je gebruikt het wanneer je de toestand van de lucht beschrijft.
outside “outside” betekent hier buiten, in de open lucht. In “It looks cloudy outside” staat het aan het einde om de plaats van het weer aan te geven. Je gebruikt het wanneer je iets buiten wilt lokaliseren of over buiten zijn praat.
Take “Take” is hier een aansporing om een warme jas mee te nemen. In “Take a warm coat with you” staat het aan het begin van de zin en volgt daarna het voorwerp. Je gebruikt deze vorm wanneer je iemand direct praktisch advies of een instructie geeft.
a “a” introduceert in “a warm coat” één niet nader bepaalde jas. Het staat vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord met een beschrijving ervoor. Je gebruikt “a” wanneer de luisteraar nog niet weet om welk specifiek exemplaar het gaat.
warm “warm” beschrijft in “a warm coat” een jas die warmte geeft of geschikt is tegen kou. Het staat vóór “coat”. Je gebruikt dit woord om kleding of iets anders als aangenaam warm te beschrijven, bijvoorbeeld bij advies voor koud weer.
coat “coat” betekent in “a warm coat” een jas die je als buitenste kleding draagt. Het is het voorwerp dat iemand moet meenemen. Je gebruikt dit woord wanneer je over een jas voor buiten praat.
with “with” betekent hier samen met of bij je hebben. In “with you” geeft het aan dat de jas meegaat met de aangesproken persoon. Je gebruikt de combinatie “with you” wanneer iets met iemand moet meegaan.
you “you” verwijst in “Take a warm coat with you” naar de persoon tegen wie wordt gesproken. Het staat na “with” in de combinatie “with you”. Je gebruikt het om de aangesproken persoon aan te duiden in een advies, vraag of mededeling.
Does “Does” helpt in “Does the wind feel cold?” om een ja-neevraag over de wind te vormen. Na “Does” staat het werkwoord “feel” in deze vraag. Je gebruikt deze vorm bij een vraag over iets dat één persoon of ding doet of ervaart.
the “the” verwijst in “the wind” naar de specifieke wind waarover de gesprekspartners op dat moment praten. Het staat vóór “wind”. Je gebruikt “the” wanneer de context duidelijk maakt welke persoon, zaak of situatie bedoeld is.
wind “wind” betekent in “the wind” bewegende lucht buiten. Hier vraagt de spreker of deze wind koud aanvoelt. Je gebruikt het woord in gesprekken over buitenweer, temperatuur en de omstandigheden tijdens een wandeling.
feel “feel” betekent hier aanvoelen via een lichamelijke gewaarwording: de wind voelt koud aan. In “feel cold” staat het vóór het bijvoeglijk naamwoord “cold”. Je gebruikt dit patroon om te vragen of te zeggen hoe iets lichamelijk aanvoelt.
cold “cold” beschrijft in “feel cold” een lage temperatuur die je voelt, en in “It is cold” koud weer. Het kan na “feel” staan om een gewaarwording te beschrijven of na “is” om het weer te beschrijven. Je gebruikt het wanneer je over kou of een lage temperatuur praat.
is “is” verbindt in “It is cold and windy today” het onderwerp met een beschrijving van het weer. In “It is by the door” verbindt het “It” met een plaatsaanduiding. Je gebruikt deze vorm om over de toestand, eigenschap of plaats van één persoon, zaak of situatie te spreken.
and “and” verbindt in “cold and windy” twee beschrijvingen van hetzelfde weer. Het voegt informatie toe zonder tegenstelling uit te drukken. Je gebruikt het om woorden of zinsdelen met elkaar te verbinden.
windy “windy” betekent in “It is cold and windy today” dat er veel wind is. Het staat naast “cold” als tweede beschrijving van het weer. Je gebruikt het om winderige omstandigheden te beschrijven, bijvoorbeeld voordat je naar buiten gaat.
today “today” betekent op deze dag en geeft in “It is cold and windy today” aan wanneer het weer zo is. Het staat aan het einde van de zin. Je gebruikt het om een mededeling aan de huidige dag te koppelen.
I “I” verwijst in “I need my hat too” en “I will put it on” naar de spreker zelf. Het staat vóór het werkwoord. Je gebruikt het wanneer je over je eigen behoefte, handeling of plan praat.
need “need” betekent in “I need my hat too” dat de spreker de hoed nodig heeft voordat die naar buiten gaat. Het staat vóór het voorwerp “my hat”. Je gebruikt het patroon “need” plus een zelfstandig naamwoord om te zeggen wat noodzakelijk is.
my “my” geeft in “my hat” aan dat de hoed bij de spreker hoort. Het staat direct vóór “hat”. Je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord om bezit of verbondenheid met de spreker aan te geven.
hat “hat” betekent in “my hat” een kledingstuk voor op het hoofd. De spreker heeft deze hoed nodig voor het koude en winderige weer. Je gebruikt dit woord wanneer je over een hoed of andere hoofdbedekking praat.
too “too” betekent in “I need my hat too” ook of eveneens. Het voegt de hoed toe aan de jas die al genoemd is. Je gebruikt “too” vaak aan het einde van een zin om extra overeenkomstige informatie toe te voegen.
by “by” betekent in “by the door” vlak bij of naast. Het geeft de plaats van de hoed ten opzichte van de deur aan. Je gebruikt “by” met een plaats om te zeggen dat iets dichtbij een ander punt of voorwerp is.
door “door” betekent in “the door” de deur bij de ingang van de woning. De hoed ligt daar in de buurt. Je gebruikt dit woord wanneer je over een deur of een plaats naast een deur praat.
will “will” geeft in “I will put it on” aan dat de spreker van plan is de handeling later uit te voeren. Het staat vóór “put”. Je gebruikt “will” met een werkwoord om over een toekomstige handeling of beslissing te spreken.
put “put” betekent in “put it on” aantrekken of op het lichaam doen, hier met betrekking tot de hoed. Samen met “on” vormt het de handeling van iets aantrekken. Je gebruikt de structuur “put” plus een voorwerp plus “on” wanneer je kleding of een accessoire aantrekt.
on “on” draagt in “put it on” bij aan de betekenis aantrekken of op het lichaam plaatsen. Het hoort hier bij “put” en staat na het voorwerp “it”. Je gebruikt de combinatie “put ... on” voor kleding of iets dat je op je lichaam draagt.
before “before” betekent in “before I leave” voordat de latere handeling plaatsvindt. Het verbindt het aantrekken van de hoed met het vertrek. Je gebruikt “before” om aan te geven dat één handeling eerder gebeurt dan een andere.
leave “leave” betekent in “I leave” weggaan van de huidige plaats. In “before I leave” gaat het om het vertrek voordat de wandeling begint. Je gebruikt dit woord wanneer iemand een plaats verlaat.
Then “Then” betekent in “Then you will be ready” dan of daarna, als gevolg van wat zojuist is besproken. Het leidt de conclusie van de situatie in. Je gebruikt het om een volgende stap of gevolg aan te geven.
be “be” geeft in “you will be ready” de toestand van de aangesproken persoon aan: klaar zijn. Na “will” blijft deze vorm staan. Je gebruikt “be” met een beschrijving zoals “ready” om een toestand of eigenschap uit te drukken.
ready “ready” betekent in “be ready for the walk” voorbereid en klaar om aan de wandeling te beginnen. Het staat na “be” en vóór “for the walk”. Je gebruikt het wanneer iemand of iets voorbereid is op een activiteit of gebeurtenis.
for “for” verbindt in “ready for the walk” de toestand van klaar zijn met datgene waarvoor iemand klaar is. Hier is dat de wandeling. Je gebruikt het patroon “ready for” plus een activiteit of gebeurtenis.
walk “walk” betekent in “the walk” de wandeling die de twee personen van plan zijn te maken. Het staat na “the” en wordt hier als de activiteit benoemd. Je gebruikt dit woord wanneer je over een wandeling of een wandeling als activiteit praat.

Grammatica

put on + object

Put on your coat before you leave.

poet an jur koot bifoor joe liev.

Trek je jas aan voordat je vertrekt.

Na put on volgt het kledingstuk. De woordgroep betekent 'aantrekken' of 'opzetten'.

feel + adjective

I feel cold outside today.

ai fiel kould autsaid tuhdee.

Ik heb het vandaag buiten koud.

Na feel gebruik je een bijvoeglijk naamwoord, zoals cold, niet een bijwoord.

Engels woordenschat

cloudy bijvoeglijk naamwoord
klaudi bewolkt
coat zelfstandig naamwoord
koot jas
cold bijvoeglijk naamwoord
kould koud
feel werkwoord
fiel aanvoelen
hat zelfstandig naamwoord
het hoed
need werkwoord
niid nodig hebben
outside bijwoord
autsaid buiten
take werkwoord
teek nemen
today bijwoord
tuhdee vandaag
warm bijvoeglijk naamwoord
woorm warm
wind zelfstandig naamwoord
wind wind
windy bijvoeglijk naamwoord
windi winderig

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Het ziet er buiten bewolkt uit.

Antwoord tonenIt looks cloudy outside.

Neem een warme jas mee.

Antwoord tonenTake a warm coat with you.

Voelt de wind koud aan?

Antwoord tonenDoes the wind feel cold?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

winderig

Antwoord tonenwindy

bewolkt

Antwoord tonencloudy

warm

Antwoord tonenwarm

nemen

Antwoord tonentake