What
‘What’ vraagt hier naar het boek of andere inhoud die iemand aan het lezen is. In ‘What are you reading?’ staat het aan het begin van de vraag naar een handeling die nu bezig is.
are
‘Are’ is hier het hulpwerkwoord bij ‘reading’ in de vraag ‘What are you reading?’. Samen verwijzen ze naar iets wat de aangesprokene op dit moment doet; na ‘you’ volgt het werkwoord in de vorm ‘reading’.
you
‘You’ verwijst hier naar de persoon tegen wie A spreekt. In ‘What are you reading?’ staat ‘you’ na het hulpwerkwoord en vóór ‘reading’; je gebruikt het voor de aangesprokene.
reading
‘Reading’ betekent hier lezen en verwijst naar het boek dat B op dat moment leest. In ‘I am reading a short book’ staat het vóór het object ‘a short book’.
I
‘I’ verwijst naar de persoon die zelf spreekt, hier B. Het is het onderwerp in ‘I am reading a short book’ en kan voor eigen handelingen of meningen worden gebruikt.
am
‘Am’ is hier het hulpwerkwoord dat bij ‘I’ hoort in ‘I am reading a short book’. Samen met ‘reading’ maakt het duidelijk dat het lezen op dat moment bezig is.
a
‘A’ betekent hier ‘een’ en introduceert één niet nader bepaald boek. Het staat vóór de beschrijving ‘short’ en het zelfstandig naamwoord ‘book’ in ‘a short book’.
short
‘Short’ betekent hier dat het boek niet lang is. Het beschrijft ‘book’ en staat ervoor in ‘a short book’; bij een zelfstandig naamwoord staat zo’n beschrijving vaak ervoor.
book
‘Book’ betekent hier boek, het voorwerp dat B leest. In ‘a short book’ vormt het samen met ‘a’ en ‘short’ het object van ‘reading’.
Do
‘Do’ is hier een hulpwerkwoord waarmee A een vraag over een voorkeur begint: ‘Do you like the story?’. Het betekent in deze vraag niet zelfstandig ‘doen’; daarna volgt ‘you’ en het werkwoord ‘like’.
like
‘Like’ betekent hier leuk vinden of waarderen, met ‘the story’ als datgene wat B wel of niet leuk vindt. Je gebruikt het bijvoorbeeld om naar iemands mening over een boek of verhaal te vragen.
the
‘The’ maakt in ‘the story’ duidelijk dat het om een specifiek verhaal gaat, namelijk het verhaal waarover in het gesprek wordt gesproken. Het staat direct vóór ‘story’.
story
‘Story’ betekent hier het verhaal in het boek. Het is het specifieke onderwerp van de vraag ‘Do you like the story?’ en wordt daarna aangeduid met ‘It’.
It
‘It’ verwijst hier naar het verhaal dat in de vorige zin wordt genoemd. In ‘It is easy to follow’ staat het als onderwerp voor een beoordeling van dat verhaal.
is
‘Is’ verbindt hier het onderwerp ‘It’ met de beoordeling ‘easy to follow’. De zin zegt daardoor dat het verhaal makkelijk te volgen is.
easy
‘Easy’ betekent hier makkelijk, omdat het verhaal eenvoudig te volgen is. In ‘easy to follow’ staat het vóór ‘to follow’ om aan te geven hoe die handeling wordt ervaren.
to
‘To’ markeert hier de werkwoordsvorm ‘follow’ na ‘easy’. De combinatie ‘easy to follow’ beschrijft iets dat zonder veel moeite te volgen is.
follow
‘Follow’ betekent hier het verhaal volgen en begrijpen terwijl je leest. In ‘easy to follow’ hoort het bij de beoordeling van de leesbaarheid van het verhaal.
Where
‘Where’ vraagt hier naar de plaats waar iemand leest. Het staat aan het begin van ‘Where do you usually read?’; je gebruikt het voor vragen over een locatie.
usually
‘Usually’ betekent hier meestal en geeft aan dat het om een gewoonte gaat. In de dialoog staat het in de vraag na ‘you’ en in het antwoord na ‘I’, bij de handeling ‘read’.
read
‘Read’ betekent hier lezen als een gewoonlijke activiteit: waar iemand gewoonlijk leest. In ‘I usually read in a quiet room at home’ wordt het gevolgd door informatie over de plaats.
in
‘In’ geeft hier aan dat het lezen binnen een bepaalde ruimte gebeurt: ‘in a quiet room’. Je gebruikt het bij een plaats die als ruimte of omgeving wordt voorgesteld.
quiet
‘Quiet’ betekent hier rustig of stil en beschrijft de kamer waarin B leest. Het staat vóór ‘room’ in ‘a quiet room’.
room
‘Room’ betekent hier kamer, de binnenruimte waar B gewoonlijk leest. In ‘in a quiet room’ volgt het op ‘in’ en vormt het de plaatsaanduiding.
at
‘At’ maakt hier deel uit van de vaste plaatsaanduiding ‘at home’. Het geeft aan dat B thuis is wanneer die persoon leest.
home
‘Home’ betekent hier thuis en verwijst naar de plaats waar B leest. In de vaste combinatie ‘at home’ staat het na ‘at’.
That
‘That’ verwijst hier naar de zojuist beschreven situatie van lezen in een rustige kamer thuis. Met ‘That sounds calm’ reageert A op de voorafgaande mededeling.
sounds
‘Sounds’ betekent hier klinkt of komt over en geeft A’s indruk van de beschreven situatie weer. In ‘That sounds calm’ wordt het gevolgd door de beoordeling ‘calm’.
calm
‘Calm’ betekent hier kalm of rustig en beschrijft hoe de situatie op A overkomt. Het staat na ‘sounds’ in ‘sounds calm’.
helps
‘Helps’ geeft hier aan dat de rustige manier van lezen B ondersteunt bij het genieten van vrije tijd. In ‘helps me enjoy my free time’ staat na ‘helps’ de persoon ‘me’ en daarna de handeling ‘enjoy’.
me
‘Me’ verwijst hier naar B, de persoon die door het lezen geholpen wordt. In ‘helps me’ staat het na ‘helps’ als de persoon die de hulp ervaart.
enjoy
‘Enjoy’ betekent hier genieten van de vrije tijd. In ‘enjoy my free time’ volgt het object direct na het werkwoord.
my
‘My’ geeft hier aan dat de vrije tijd bij de spreker hoort. Het staat vóór ‘free time’ in ‘my free time’.
free
‘Free’ betekent hier vrij van werk of andere verplichtingen en beschrijft de tijd die voor ontspanning beschikbaar is. Het vormt samen met ‘time’ de vaste uitdrukking ‘free time’.
time
‘Time’ betekent hier tijd, meer bepaald de tijd die B voor ontspanning heeft. In ‘free time’ wordt het voorafgegaan door ‘free’ en is de hele woordgroep het object van ‘enjoy’.