Praten over koken | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: At home, two adults talk about cooking simple soup and sharing it when it is ready..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Praten over koken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Is cooking your hobby?

iz koek-ing jor hobbie? Is koken jouw hobby?
B

I like making simple food at home.

ai laik meik-ing sim-pul foed ut hoem. Ik maak thuis graag eenvoudig eten.
A

What do you like to make?

wot doe joe laik tuh meik? Wat maak je graag?
B

I often make a simple soup.

ai of-un meik uh sim-pul soep. Ik maak vaak een eenvoudige soep.
A

Do you use a recipe?

doe joe joez uh ress-uh-pie? Gebruik je een recept?
B

I follow an easy one.

ai fol-oh un ie-zie wun. Ik volg een eenvoudig recept.
A

I would like to try it when it is ready.

ai wud laik tuh trai it wen it iz reddie. Ik zou de soep graag willen proberen als die klaar is.
B

I will save some soup for you.

ai wil seev sum soep fer joe. Ik zal wat soep voor je bewaren.

Woord voor woord

Is “Is” staat aan het begin van de vraag “Is cooking your hobby?” en vraagt of koken iemands hobby is. De vorm “is” in “it is ready” verbindt “it” met de toestand “ready”. Je gebruikt “Is” bijvoorbeeld om naar een toestand of eigenschap te vragen: “Is this your bag?”
cooking “Cooking” betekent hier koken en is de activiteit waarnaar gevraagd wordt in “Is cooking your hobby?”. Het woord benoemt de activiteit als onderwerp van de zin. Je kunt “cooking” ook gebruiken in “I enjoy cooking.”
your “Your” verwijst in “your hobby” naar de persoon tegen wie gesproken wordt: de hobby is van jou. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “hobby”. Gebruik hetzelfde patroon met andere dingen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “your recipe”.
hobby “Hobby” betekent hier een activiteit die iemand regelmatig voor plezier doet. In “your hobby” gaat het om de hobby van de aangesprokene. Je kunt naar iemands hobby vragen met “What is your hobby?” in een nieuw voorbeeld.
I “I” verwijst naar de spreker zelf, zoals in “I like making simple food at home.” Het staat als onderwerp vóór het werkwoord. Je gebruikt “I” wanneer je iets over jezelf vertelt, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I cook at home.”
like “Like” betekent hier leuk vinden of graag doen: de spreker vindt “making simple food” prettig. In “I like making simple food at home” volgt na “like” de activiteit “making”. Een veelgebruikt patroon is “I like + activiteit”, zoals in het nieuwe voorbeeld “I like reading.”
making “Making” betekent hier bereiden of klaarmaken en verwijst naar het maken van eenvoudig eten. In “I like making simple food at home” is het de activiteit die de spreker graag doet. Na “like” kun je op dezelfde manier een activiteit noemen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I like making soup.”
simple “Simple” betekent in “simple food” dat het eten niet ingewikkeld is om te maken. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “food”. Je kunt “simple” ook vóór een ander zelfstandig naamwoord gebruiken, zoals in het nieuwe voorbeeld “a simple meal”.
food “Food” betekent hier eten in het algemeen, in “simple food”. Het woord staat na “simple” en wordt hier niet als één specifiek gerecht genoemd. Je kunt over eten praten met “I make food at home” in een nieuw voorbeeld.
at “At” maakt in “at home” duidelijk waar de activiteit plaatsvindt. Samen met “home” vormt het een vaste plaatsaanduiding. Gebruik “at” ook in andere plaatsuitdrukkingen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “at work”.
home “Home” betekent hier de plek waar de spreker woont; “at home” betekent thuis. De combinatie geeft de plaats van “making simple food” aan. Je kunt zeggen “I am at home” wanneer je vertelt waar je bent.
What “What” vraagt in “What do you like to make?” naar een ding of activiteit: wat de aangesprokene graag maakt. Het staat aan het begin van de vraag. Een veelgebruikt patroon is “What do you like to ...?”, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “What do you like to eat?”
do “Do” is in “What do you like to make?” het hulpwerkwoord dat de vraag vormt; “do” in “Do you use a recipe?” heeft dezelfde vraagfunctie. Het staat vóór het onderwerp “you”. Je gebruikt dit patroon bij vragen in de tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld “Do you cook?” in een nieuw voorbeeld.
you “You” verwijst naar de persoon die wordt aangesproken, zoals in “What do you like to make?”. Het staat in de vragen na het hulpwerkwoord “do”. Je gebruikt “you” om rechtstreeks aan één of meer gesprekspartners te vragen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “Do you like soup?”
to “To” markeert in “to make” de vorm die volgt op “like”: wat iemand graag wil of leuk vindt om te doen. Het staat direct vóór “make”. Een veelgebruikt patroon is “like to + werkwoord”, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I like to cook.”
make “Make” betekent hier bereiden of klaarmaken, zoals in “to make” en “What do you like to make?”. In “to make” volgt het op “to”; in de vraag staat het aan het einde. Je kunt hetzelfde werkwoord gebruiken met een gerecht als object, bijvoorbeeld “make soup” in een nieuw voorbeeld.
often “Often” betekent hier vaak en geeft aan dat de spreker regelmatig een eenvoudige soep maakt. Het staat vóór “make” in “I often make a simple soup”. Je kunt “often” vóór het hoofdwerkwoord plaatsen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I often cook at home.”
a “A” verwijst in “a simple soup” naar één niet nader bepaalde soep. Het staat vóór “simple soup”. Gebruik “a” vóór een enkelvoudig woord wanneer je iets voor het eerst of niet-specifiek noemt, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “a recipe”.
soup “Soup” betekent hier soep, het gerecht dat de spreker vaak maakt en later voor de ander bewaart. In “a simple soup” wordt het nader beschreven door “simple”. Je kunt “soup” gebruiken als object na “make”, zoals in het nieuwe voorbeeld “I make soup.”
use “Use” betekent in “Do you use a recipe?” een recept gebruiken bij het koken. Het staat na “you” in de vraag. Je kunt “use” ook met andere hulpmiddelen combineren, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I use a timer.”
recipe “Recipe” betekent hier een reeks instructies voor het bereiden van eten. In “a recipe” vraagt de spreker of de ander zo’n recept gebruikt. Een veelgebruikt patroon is “follow a recipe”, zoals in “I follow a recipe” in een nieuw voorbeeld.
follow “Follow” betekent in “I follow an easy one” een recept volgens de instructies uitvoeren. Het werkwoord krijgt hier “an easy one” als object, waarbij “one” naar een recept verwijst. Je kunt ook zeggen “follow a recipe” in een nieuw voorbeeld.
an “An” verwijst in “an easy one” naar één niet nader bepaald item en staat vóór “easy” omdat dat woord met een klinkerklank begint. Samen verwijst de woordgroep naar een gemakkelijk recept. Gebruik “an” op dezelfde manier vóór een volgende klinkerklank, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “an easy recipe”.
easy “Easy” betekent in “an easy one” dat het bedoelde recept niet moeilijk is. Het staat vóór “one”, dat hier het eerder genoemde recept vervangt. Je kunt “easy” ook direct vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken, bijvoorbeeld “an easy recipe” in een nieuw voorbeeld.
one “One” verwijst in “an easy one” naar één eerder genoemd recept en voorkomt dat “recipe” opnieuw wordt herhaald. Het staat na het bijvoeglijk naamwoord “easy”. Je kunt “one” gebruiken om een eerder genoemd enkelvoudig item aan te duiden, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I want a simple one.”
would “Would” draagt in “I would like to try it” bij aan een beleefde wens: de spreker zou de soep graag willen proberen. Het staat vóór “like”. Een veelgebruikt beleefd patroon is “I would like + iets”, bijvoorbeeld “I would like some soup” in een nieuw voorbeeld.
try “Try” betekent in “to try it” de soep proeven of ervaren. Het staat na “to” en vóór “it”. Je kunt “try” gebruiken met iets nieuws als object, bijvoorbeeld “try this soup” in een nieuw voorbeeld.
it “It” verwijst in “try it” naar de soep die eerder genoemd is. Het staat als object na “try”. Je gebruikt “it” om naar een eerder genoemd enkelvoudig ding te verwijzen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “The soup is hot, but I will try it.”
when “When” betekent in “when it is ready” op het moment dat de soep klaar is. Het leidt de tijdsaanduiding in die aangeeft wanneer de spreker haar wil proberen. Je kunt “when” gebruiken om een gebeurtenis aan een tijdstip of toestand te koppelen, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “Call me when you are ready.”
ready “Ready” betekent in “it is ready” klaar om gebruikt of gegeten te worden; hier gaat het om de soep. Het staat na “is” en beschrijft de toestand van “it”. Je kunt “ready” gebruiken wanneer iets beschikbaar is om te beginnen of te gebruiken, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “The food is ready.”
will “Will” geeft in “I will save some soup for you” aan dat de spreker dit later of als toezegging zal doen. Het staat vóór “save”. Een veelgebruikt patroon is “I will + werkwoord” voor een belofte of beslissing, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “I will call you later.”
save “Save” betekent hier wat soep bewaren zodat de aangesprokene die later kan krijgen. In “save some soup for you” wordt aangegeven wat er bewaard wordt en voor wie. Je kunt “save” ook gebruiken voor iets dat je voor later houdt, bijvoorbeeld “save some food for later” in een nieuw voorbeeld.
some “Some” betekent in “some soup” een niet nader bepaalde hoeveelheid soep. Het staat vóór het niet-telbare zelfstandig naamwoord “soup”. Je gebruikt “some” wanneer de precieze hoeveelheid niet belangrijk is, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld “some food”.
for “For” maakt in “for you” duidelijk voor wie de soep bestemd is: voor de aangesprokene. Het staat vóór “you”. Je kunt hetzelfde patroon gebruiken om de ontvanger of bestemde persoon te noemen, bijvoorbeeld “a meal for you” in een nieuw voorbeeld.

Grammatica

like + verb-ing

I like cooking.

ai laik koek-ing.

Ik vind koken leuk.

Na like gebruik je voor een activiteit vaak een werkwoord op -ing: like cooking.

Engels woordenschat

cooking zelfstandig naamwoord
koek-ing koken
follow werkwoord
fol-oh volgen
food zelfstandig naamwoord
foed eten
hobby zelfstandig naamwoord
hobbie hobby
home zelfstandig naamwoord
hoem thuis
like werkwoord
laik leuk vinden
make werkwoord
meik maken
often bijwoord
of-un vaak
recipe zelfstandig naamwoord
ress-uh-pie recept
simple bijvoeglijk naamwoord
sim-pul eenvoudig
soup zelfstandig naamwoord
soep soep
use werkwoord
joez gebruiken

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Is koken jouw hobby?

Antwoord tonenIs cooking your hobby?

Wat maak je graag?

Antwoord tonenWhat do you like to make?

Ik maak vaak een eenvoudige soep.

Antwoord tonenI often make a simple soup.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

leuk vinden

Antwoord tonenlike

eenvoudig

Antwoord tonensimple

maken

Antwoord tonenmake

vaak

Antwoord tonenoften