Is
In “Is walking your hobby?”, betekent “Is” of iets waar is: is wandelen jouw hobby? Het staat vooraan om een ja-neevraag te vormen. Een bruikbaar patroon is “Is ...?” om naar een toestand, eigenschap of feit te vragen.
walking
“walking” benoemt hier de activiteit wandelen, waarnaar als hobby wordt gevraagd. Het is de activiteit in “Is walking your hobby?”. Je kunt “walking” gebruiken om wandelen als activiteit te bespreken, bijvoorbeeld in “Walking is good exercise” als nieuw voorbeeld.
your
“your” betekent hier dat de hobby bij de aangesproken persoon hoort: jouw hobby. Het staat vóór “hobby” in “your hobby”. Een bruikbaar patroon is “your + zelfstandig naamwoord” wanneer iets van de gesprekspartner is.
hobby
“hobby” betekent hier een activiteit die iemand in de vrije tijd graag doet. In “Is walking your hobby?” gaat het specifiek om wandelen. Je gebruikt “hobby” bijvoorbeeld om naar iemands vrijetijdsbesteding te vragen.
I
“I” verwijst in “I like going for walks in my free time” naar de spreker zelf. Het is het onderwerp van de mededeling. Je gebruikt “I” wanneer je over je eigen voorkeuren of activiteiten vertelt.
like
“like” betekent hier graag doen of leuk vinden: de spreker vindt wandelen prettig. In “I like going for walks” staat “like” vóór de activiteit die iemand prettig vindt. Een bruikbaar patroon is “I like + activiteit” om een voorkeur te vertellen.
going
“going” draagt in “going for walks” bij aan de betekenis van eropuit gaan om te wandelen. De hele uitdrukking “going for walks” betekent wandelingen maken. Een bruikbaar patroon is “go/going for + activiteit”, bijvoorbeeld “go for a swim” als nieuw voorbeeld.
for
In de uitdrukking “going for walks” hoort “for” bij de activiteit wandelen; het helpt de uitdrukking vormen, maar betekent hier niet zelfstandig “voor”. Gebruik het volledige patroon “go for a walk” of “go for walks” wanneer je vertelt dat je gaat wandelen.
walks
“walks” betekent hier wandelingen in “going for walks”. De vorm verwijst naar wandelingen als terugkerende activiteit. Je kunt “go for walks” gebruiken om een gewone vrijetijdsactiviteit te beschrijven.
in
“in” geeft in “in my free time” de periode aan waarin de activiteit plaatsvindt en geeft in “in the park” de plaats aan. Het staat vóór een periode of plaats. Bruikbare patronen zijn “in my free time” en “in the park”.
my
“my” betekent hier dat de vrije tijd bij de spreker hoort: mijn vrije tijd. Het staat vóór “free time” in “my free time”. Een bruikbaar patroon is “my + zelfstandig naamwoord” voor iets dat bij de spreker hoort.
free
“free” betekent in “free time” dat de tijd beschikbaar is en niet door werk of een andere verplichting bezet wordt. Samen met “time” vormt het de uitdrukking “free time”. Je gebruikt “free” vóór een zelfstandig naamwoord om beschikbare tijd aan te duiden.
time
“time” betekent hier de periode waarin de spreker geen andere verplichtingen heeft. In “my free time” verwijst het naar tijd voor activiteiten. Een bruikbaar patroon is “in my free time” om te zeggen wanneer je iets doet.
Where
“Where” vraagt in “Where do you usually go?” naar een plaats. Het staat aan het begin van de vraag. Je gebruikt “Where do you ...?” om te vragen naar de plaats waar iemand naartoe gaat of iets doet.
do
“do” helpt in “Where do you usually go?” om een vraag over een gewone activiteit te vormen. Het draagt hier niet de betekenis “doen” als hoofdactiviteit. Een bruikbaar patroon is “Where do you + werkwoord?” om naar een bestemming of plaats te vragen.
you
“you” verwijst in “Where do you usually go?” naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. Het is degene die gewoonlijk ergens naartoe gaat. Je gebruikt “you” om rechtstreeks naar de activiteiten van de gesprekspartner te vragen.
usually
“usually” betekent hier normaal gesproken of meestal. Het maakt duidelijk dat de vraag gaat over de gebruikelijke bestemming, niet over één enkele keer. Een bruikbaar patroon is “usually” vóór het hoofdwerkwoord, zoals in “you usually go”.
go
“go” betekent in “Where do you usually go?” ergens naartoe gaan. Het vraagt naar de bestemming van de aangesproken persoon. Een bruikbaar patroon is “go to + plaats”; in deze vraag wordt de plaats door “Where” gevraagd.
walk
“walk” betekent in “I walk in the park” dat de spreker zich te voet door het park beweegt. Hier beschrijft het een gewone activiteit. Je gebruikt “walk in + plaats” om te zeggen waar je wandelt.
the
“the” verwijst in “the park” naar een specifiek park dat in de situatie bedoeld is. Het staat vóór “park”. Een bruikbaar patroon is “the + zelfstandig naamwoord” wanneer de gesprekspartners weten over welke plaats of zaak het gaat.
park
“park” betekent hier het park waar de spreker wandelt. In “I walk in the park” is het de plaats van de wandeling. Je kunt “in the park” gebruiken om een activiteit in een park te beschrijven.
route
“route” betekent in “Is the route long?” de weg of het pad van de wandeling. Er wordt gevraagd naar de afstand of lengte ervan. Je kunt “the route” gebruiken wanneer een bepaalde weg of wandelweg al duidelijk is.
long
“long” betekent in “Is the route long?” dat de route een grote afstand heeft. Het beschrijft hier de lengte van de route. Een bruikbaar patroon is “Is the route long?” om naar de lengte van een route te vragen.
It
“It” verwijst in “It is a short, easy walk” naar de wandeling of route die net besproken is. Het maakt die wandeling opnieuw het onderwerp van de zin. Je gebruikt “It is ...” om iets dat al bekend is verder te beschrijven.
a
“a” introduceert in “a short, easy walk” één wandeling zonder die als een specifieke, eerder genoemde wandeling te benoemen. Het staat vóór de beschrijvingen en “walk”. Een bruikbaar patroon is “a + beschrijving + zelfstandig naamwoord” voor één niet nader bepaalde zaak.
short
“short” betekent in “a short, easy walk” dat de wandeling een kleine afstand of korte duur heeft. Het beschrijft “walk”. Je kunt “a short walk” gebruiken wanneer je een korte wandeling voorstelt of beschrijft.
easy
“easy” betekent in “a short, easy walk” dat de wandeling niet moeilijk is. Het beschrijft samen met “short” dezelfde wandeling. Een bruikbaar patroon is “an easy walk” voor een wandeling die weinig inspanning of moeilijkheid vraagt.
That
“That” verwijst in “That sounds relaxing” naar wat de ander zojuist over de wandeling heeft verteld. Het maakt van die informatie het onderwerp van de reactie. Je gebruikt “That” om naar een zojuist genoemde situatie of mededeling te verwijzen.
sounds
“sounds” betekent in “That sounds relaxing” dat iets een bepaalde indruk geeft op basis van wat je hoort. Het gaat hier niet om een letterlijk geluid. Een bruikbaar patroon is “That sounds + beschrijving” om positief of negatief op informatie te reageren.
relaxing
“relaxing” betekent in “That sounds relaxing” dat de wandeling waarschijnlijk rustgevend aanvoelt. Het beschrijft de indruk die de wandeling volgens de spreker geeft. Je kunt “sounds relaxing” gebruiken om te zeggen dat een voorgestelde activiteit kalm en aangenaam lijkt.
We
“We” verwijst in “We can go there together” naar de spreker en de aangesproken persoon samen. Het is de groep die de wandeling kan maken. Je gebruikt “we” om een gezamenlijke activiteit voor te stellen of te beschrijven.
can
“can” betekent hier dat de twee personen de mogelijkheid hebben om samen naar die plaats te gaan. In “We can go there together” drukt het een mogelijkheid of voorstel uit. Een bruikbaar patroon is “We can + werkwoord” om een gezamenlijke mogelijkheid te noemen.
there
“there” verwijst in “go there” naar de eerder genoemde plaats, het park. Het geeft de bestemming aan zonder “the park” opnieuw te herhalen. Je gebruikt “go there” wanneer de bestemming al uit de context bekend is.
together
“together” betekent in “We can go there together” dat de twee personen samen gaan. Het benadrukt dat ze dezelfde activiteit met elkaar doen. Je kunt “do something together” of “go somewhere together” gebruiken voor gezamenlijke plannen.