De tafel dekken | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: At home, two adults check a list for setting a table and notice that one spoon is still needed..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met De tafel dekken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Let's look at the list.

lets loek ut de list. Laten we naar de lijst kijken.
B

I have it here.

ai hev it hier. Ik heb hem hier.
A

Are the cups ready?

ar de kaps redDie? Zijn de kopjes klaar?
B

I washed them all.

ai wosjt dem ol. Ik heb ze allemaal gewassen.
A

Is anything missing?

iz ennie-sing missing? Ontbreekt er iets?
B

We still need one spoon.

wie stil nied wan spoen. We hebben nog één lepel nodig.
A

I can get another one.

ai ken get enadder wan. Ik kan er nog een halen.
B

Then the table is set.

den de teebel iz set. Dan is de tafel gedekt.

Woord voor woord

Let's ‘Let's’ betekent hier ‘laten we’ en vormt een voorstel om samen iets te doen. Het staat in ‘Let's look at the list.’ Een bruikbaar patroon is ‘Let's + werkwoord’ wanneer je samen een actie wilt voorstellen, bijvoorbeeld bij het controleren van iets thuis.
look ‘look’ betekent hier gericht kijken of iets bekijken. In ‘Let's look at the list.’ hoort het bij de richting ‘at’ en het voorwerp ‘the list’. Gebruik ‘look at + iets’ wanneer je iemands aandacht op iets wilt richten, bijvoorbeeld tijdens het bekijken van een document.
at ‘at’ richt de aandacht op het genoemde voorwerp in ‘look at the list’. Het maakt samen met ‘look’ de uitdrukking ‘look at’ voor iets bekijken. Gebruik ‘look at + voorwerp’ wanneer je iemand vraagt ergens naar te kijken.
the ‘the’ geeft aan dat het om een specifieke lijst gaat: ‘the list’. Het verwijst hier naar de lijst die de twee personen samen controleren. Gebruik ‘the’ voor iets dat in de situatie bekend of duidelijk bepaald is.
list ‘list’ betekent hier een geschreven overzicht van spullen die nodig zijn. In ‘Let's look at the list.’ is het de lijst die ze controleren voor het dekken van de tafel. Je kunt ‘a list’ of ‘the list’ gebruiken afhankelijk van of de lijst al bekend is.
I ‘I’ verwijst naar de persoon die spreekt in ‘I have it here.’ Het maakt duidelijk wie de lijst bij zich heeft. Gebruik ‘I’ als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in ‘I have ...’.
have ‘have’ betekent hier bij zich hebben of bezitten: de spreker heeft de lijst hier. In ‘I have it here.’ staat ‘have’ vóór het voorwerp ‘it’. Gebruik ‘have + voorwerp’ om te zeggen dat je iets hebt of bij je hebt.
it ‘it’ verwijst in ‘I have it here.’ naar de eerder genoemde lijst. Het voorkomt dat ‘the list’ opnieuw wordt herhaald. Gebruik ‘it’ voor één eerder genoemd ding wanneer duidelijk is waarnaar je verwijst.
here ‘here’ betekent op deze plaats; de spreker geeft aan dat de lijst hier is. In ‘I have it here.’ verduidelijkt het waar het voorwerp zich bevindt. Gebruik ‘here’ wanneer je de plaats van iets of iemand wilt aangeven.
Are ‘Are’ vraagt in ‘Are the cups ready?’ of de kopjes zich in een bepaalde toestand bevinden. Het staat aan het begin van deze vraag vóór ‘the cups’. Gebruik ‘Are ...?’ om naar een toestand van meerdere personen of dingen te vragen.
cups ‘cups’ betekent hier kopjes die nodig zijn om de tafel te dekken. In ‘Are the cups ready?’ is het datgene waarover de vraag gaat. Gebruik ‘cups’ voor meerdere drinkbekers of kopjes, bijvoorbeeld bij een maaltijd.
ready ‘ready’ betekent hier klaargemaakt en beschikbaar voor gebruik. In ‘Are the cups ready?’ vraagt de spreker of de kopjes gereed zijn. Gebruik ‘ready’ na ‘be’ om te vragen of te zeggen dat iets voorbereid is.
washed ‘washed’ betekent hier met water schoongemaakt; de spreker zegt dat hij of zij de kopjes heeft schoongemaakt. In ‘I washed them all.’ gaat ‘washed’ over de kopjes. Gebruik ‘wash + voorwerp’ wanneer je zegt dat je iets hebt schoongemaakt.
them ‘them’ verwijst in ‘I washed them all.’ naar de kopjes. Het is het voorwerp van ‘washed’ en vervangt ‘the cups’. Gebruik ‘them’ voor meerdere eerder genoemde personen of dingen.
all ‘all’ betekent hier allemaal: geen van de kopjes is overgeslagen. In ‘I washed them all.’ benadrukt het dat de volledige groep is gewassen. Gebruik ‘all’ na een voornaamwoord zoals ‘them’ om een hele groep aan te duiden.
Is ‘Is’ vraagt in ‘Is anything missing?’ of er iets in een bepaalde toestand is. Het staat aan het begin van de vraag vóór ‘anything’. Gebruik ‘Is ...?’ om naar de toestand van één ding of een onbepaald item te vragen.
anything ‘anything’ betekent hier ook maar iets of welk item dan ook. In ‘Is anything missing?’ vraagt de spreker of er een ontbrekend item is. Gebruik ‘anything’ vaak in vragen over de aanwezigheid, beschikbaarheid of afwezigheid van iets.
missing ‘missing’ betekent hier niet aanwezig terwijl het wel nodig of verwacht is. In ‘Is anything missing?’ vraagt de spreker of er iets ontbreekt op de lijst voor het tafeldekken. Gebruik ‘be missing’ om te zeggen of te vragen of iets niet aanwezig is.
We ‘We’ verwijst in ‘We still need one spoon.’ naar de spreker en de andere persoon samen. Het maakt van de behoefte een gezamenlijke behoefte. Gebruik ‘we’ als onderwerp wanneer jij en minstens één andere persoon bedoeld zijn.
still ‘still’ betekent hier dat de behoefte nog steeds bestaat nadat andere spullen al geregeld zijn. In ‘We still need one spoon.’ ontbreekt er dus nog altijd een lepel. Gebruik ‘still need + voorwerp’ wanneer iets ondanks eerdere voorbereidingen nog nodig is.
need ‘need’ betekent hier nodig hebben: er is nog een lepel vereist. In ‘We still need one spoon.’ staat het vóór het voorwerp ‘one spoon’. Gebruik ‘need + voorwerp’ om te zeggen wat je nodig hebt.
spoon ‘spoon’ betekent hier een lepel die nodig is voor het dekken van de tafel. In ‘We still need one spoon.’ gaat het om één ontbrekend stuk bestek. Gebruik ‘spoon’ voor een lepel die je bijvoorbeeld bij een maaltijd gebruikt.
can ‘can’ betekent hier dat de spreker in staat is om iets te doen en het kan aanbieden. In ‘I can get another one.’ staat ‘can’ vóór ‘get’. Gebruik ‘can + werkwoord’ om een mogelijkheid of vermogen aan te geven, bijvoorbeeld wanneer je aanbiedt iets te halen.
get ‘get’ betekent hier halen of pakken, namelijk een extra lepel verkrijgen. In ‘I can get another one.’ volgt ‘get’ op ‘can’ en krijgt het ‘another one’ als voorwerp. Gebruik ‘get + voorwerp’ wanneer je iets gaat halen of bemachtigen.
another ‘another’ betekent hier nog één extra exemplaar van hetzelfde soort. In ‘I can get another one.’ verwijst het naar een extra lepel. Gebruik ‘another + enkelvoudig ding’ wanneer je één extra exemplaar wilt aanduiden.
one ‘one’ verwijst in ‘another one.’ naar een lepel en vervangt de herhaling van ‘spoon’. Samen betekent ‘another one’ één extra lepel. Gebruik ‘one’ op deze manier wanneer het vervangen voorwerp uit de context duidelijk is.
Then ‘Then’ betekent hier daarna of als gevolg daarvan. In ‘Then the table is set.’ volgt de conclusie nadat de extra lepel is gehaald. Gebruik ‘Then’ om een volgende stap of een gevolg aan te kondigen.
table ‘table’ betekent hier de tafel waaraan de maaltijd wordt gebruikt. In ‘Then the table is set.’ is het de tafel die na de voorbereiding klaar is. Gebruik ‘the table’ wanneer de specifieke tafel in de situatie bedoeld is.
set ‘set’ betekent hier klaargemaakt met de benodigde spullen; ‘the table is set’ betekent dat de tafel gedekt is. Het beschrijft de toestand van de tafel nadat de kopjes en lepel geregeld zijn. Gebruik ‘the table is set’ wanneer alles voor een maaltijd op tafel klaarligt.

Grammatica

another + singular noun

another spoon

enadder spoen

nog een lepel

another betekent ‘nog een’ of ‘een andere’ en staat vóór een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud.

still + verb

still need

stil nied

nog nodig hebben

still betekent hier ‘nog’ en staat meestal vóór het hoofdwerkwoord.

Engels woordenschat

all voornaamwoord
ol allemaal

I washed them all.

anything voornaamwoord
ennie-sing iets

Is anything missing?

cup zelfstandig naamwoord
kap kopje cups

Are the cups ready?

have werkwoord
hev hebben

I have it here.

here bijwoord
hier hier

I have it here.

list zelfstandig naamwoord
list lijst

Let's look at the list.

look werkwoord
loek kijken

Let's look at the list.

missing bijvoeglijk naamwoord
missing ontbrekend

Is anything missing?

need werkwoord
nied nodig hebben

We still need one spoon.

ready bijvoeglijk naamwoord
reddie klaar

Are the cups ready?

still bijwoord
stil nog

We still need one spoon.

wash werkwoord
wosj wassen washed

I washed them all.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Laten we naar de lijst kijken.

Antwoord tonenLet's look at the list.

Ik heb hem hier.

Antwoord tonenI have it here.

Zijn de kopjes klaar?

Antwoord tonenAre the cups ready?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

kijken

Antwoord tonenlook

kopje

Antwoord tonencups

hebben

Antwoord tonenhave

hier

Antwoord tonenhere