Can
In 'Can you help me check my bag?' drukt Can uit dat iemand iets kan doen en vormt het een verzoek om hulp. Het staat vóór de aangesprokene en de werkwoordgroep. Gebruik deze vorm om iemand beleefd te vragen iets te doen.
you
In 'Can you help me check my bag?' verwijst you naar de persoon tegen wie de spreker praat. In 'You can close the bag now.' staat dezelfde vorm aan het begin van de zin als You. Gebruik you om de aangesprokene als handelende persoon of ontvanger van een verzoek aan te duiden.
help
In 'Can you help me check my bag?' betekent help dat de aangesprokene ondersteuning geeft. In de combinatie 'help me check' helpt de ander de spreker bij het controleren. Gebruik help met een persoon en de handeling waarbij die persoon hulp krijgt.
me
In 'help me check' verwijst me naar de spreker, die hulp krijgt bij het controleren. Het staat direct na help en vóór de handeling check. Gebruik me wanneer de spreker zelf degene is die hulp ontvangt.
check
In 'check my bag' betekent check de tas zorgvuldig bekijken om te controleren wat erin zit. Na help staat check hier in de vorm van de handeling die de spreker wil uitvoeren. Gebruik check vóór het voorwerp dat je onderzoekt.
my
In 'my bag' laat my zien dat de tas van de spreker is. Het staat direct vóór het zelfstandig naamwoord bag. Gebruik my om iets dat bij de spreker hoort aan te duiden.
bag
In 'my bag' betekent bag de tas die wordt gecontroleerd en doorzocht. Het woord kan na een bezittelijke vorm staan, zoals my. Gebruik bag voor een voorwerp waarin je spullen meeneemt.
I
In 'I can look through it with you.' verwijst I naar de spreker. Het staat aan het begin van de zin als degene die de tas samen gaat doorzoeken. Gebruik I om naar jezelf als handelende persoon te verwijzen.
look
In 'look through it' draagt look de handeling van kijken of onderzoeken bij. Samen met through it betekent de hele uitdrukking dat je de inhoud doorzoekt. Gebruik look through vóór het voorwerp dat je volledig bekijkt.
through
In 'look through it' geeft through aan dat het kijken door de inhoud heen gaat. Samen met look vormt het de uitdrukking voor iets doorzoeken; through alleen betekent hier niet de volledige handeling. Gebruik look through met het voorwerp dat je doorneemt.
it
In 'look through it' verwijst it naar de tas die eerder is genoemd. Zo hoeft bag niet opnieuw te worden gezegd. Gebruik it voor een eerder genoemd voorwerp wanneer duidelijk is waarnaar je verwijst.
with
In 'with you' betekent with dat de spreker samen met de aangesprokene handelt. Het maakt duidelijk met welke persoon de handeling wordt uitgevoerd. Gebruik with vóór een persoon om samenwerking of gezelschap aan te geven.
Do
In 'Do you see anything missing?' helpt Do om een vraag te vormen. Het staat vóór you, waarna de handeling see volgt. Gebruik deze vraagvorm wanneer je wilt vragen of iemand iets opmerkt.
see
In 'Do you see anything missing?' betekent see iets opmerken door ernaar te kijken. Het voorwerp waarnaar je kijkt staat hier na see als anything missing. Gebruik see met iets dat iemand moet kunnen waarnemen of opmerken.
anything
In 'anything missing' verwijst anything naar om het even welk voorwerp dat mogelijk niet aanwezig is. In deze vraag vraagt de spreker of er iets ontbreekt. Gebruik anything in een vraag over een mogelijk voorwerp of mogelijke zaak.
missing
In 'anything missing' beschrijft missing iets dat niet aanwezig is. Het helpt hier bepalen waarnaar de spreker zoekt tijdens het controleren van de tas. Gebruik dit om te zeggen dat een voorwerp ontbreekt wanneer je controleert of alles aanwezig is.
Your
In 'Your wallet and phone are both here.' laat Your zien dat de portemonnee en telefoon van de aangesprokene zijn. De vorm Your staat hier aan het begin van de zin; in 'under your jacket' staat dezelfde betekenis als your. Gebruik Your of your vóór een zelfstandig naamwoord dat bij de aangesprokene hoort.
wallet
In 'Your wallet' betekent wallet de kleine houder voor geld en kaarten van de aangesprokene. Het woord staat na Your, dat aangeeft van wie de wallet is. Gebruik wallet voor een voorwerp waarin je geld of kaarten bewaart.
and
In 'wallet and phone' verbindt and twee spullen met elkaar: de portemonnee en de telefoon. Beide worden samen genoemd als aanwezige voorwerpen. Gebruik and om woorden of voorwerpen in een opsomming te verbinden.
phone
In 'Your wallet and phone' betekent phone de telefoon van de aangesprokene. Het woord wordt met wallet verbonden door and. Gebruik phone voor een telefoon die je bij je hebt of zoekt.
are
In 'are both here' zegt are dat de portemonnee en telefoon aanwezig zijn. Het hoort bij de twee samen genoemde voorwerpen wallet and phone. Gebruik deze vorm om meerdere genoemde dingen aan een plaats of toestand te koppelen.
both
In 'are both here' benadrukt both dat de twee genoemde voorwerpen allebei aanwezig zijn. Het bevestigt dus afzonderlijk de aanwezigheid van wallet en phone. Gebruik both wanneer je precies twee dingen samen wilt benadrukken.
here
In 'are both here' betekent here dat de twee voorwerpen op de huidige plaats zijn, in deze situatie in of bij de tas. Het staat na are om de locatie aan te geven. Gebruik here om te zeggen dat iets op de plaats van de spreker of gesprekspartners is.
Where
In 'Where is my small notebook?' vraagt Where naar de locatie van het notitieboekje. Het staat aan het begin van de vraag. Gebruik Where wanneer je wilt weten waar iets zich bevindt.
is
In 'Where is my small notebook?' koppelt is het notitieboekje aan de gevraagde locatie. In 'It is under your jacket.' helpt is de locatie onder de jas mee te delen. Gebruik is om één genoemd voorwerp aan een plaats of toestand te koppelen.
small
In 'small notebook' geeft small aan dat het notitieboekje niet groot is. Het staat vóór notebook en helpt dit voorwerp van andere spullen te onderscheiden. Gebruik small vóór een zelfstandig naamwoord om een geringe omvang te beschrijven.
notebook
In 'small notebook' betekent notebook een klein boekje waarin je notities kunt schrijven. Het wordt hier gezocht in de tas. Gebruik notebook voor een boekje dat je gebruikt om aantekeningen te maken.
under
In 'under your jacket' geeft under aan dat het notitieboekje lager ligt dan en bedekt wordt door de jas. Het staat vóór het voorwerp dat de plaats bepaalt. Gebruik under om de positie onder iets anders te beschrijven.
jacket
In 'your jacket' betekent jacket de jas van de aangesprokene. De jas bepaalt hier de plaats waaronder het notitieboekje ligt. Gebruik jacket voor een kledingstuk dat je als jas draagt.
Then
In 'Then I have everything.' betekent Then dat de volgende conclusie volgt nadat het notitieboekje is gevonden. De spreker zegt daardoor dat alle spullen nu aanwezig zijn. Gebruik Then om een gevolg of conclusie na een gebeurtenis aan te geven.
have
In 'I have everything' betekent have dat de spreker alle benodigde spullen bij zich heeft. Het staat vóór everything, dat de volledige verzameling aanduidt. Gebruik have met een voorwerp of verzameling om bezit of beschikbaarheid uit te drukken.
everything
In 'I have everything' verwijst everything naar alle relevante spullen uit de tas. De spreker gebruikt het om de controle af te ronden en te zeggen dat er niets meer ontbreekt. Gebruik everything om naar de volledige verzameling van zaken te verwijzen.
close
In 'close the bag' betekent close de tas dichtdoen. Het staat vóór the bag, het voorwerp dat wordt gesloten. Gebruik close met iets dat je na gebruik dichtdoet.
the
In 'the bag' verwijst the naar de specifieke tas die in het gesprek al wordt gecontroleerd. Het staat direct vóór bag. Gebruik the vóór iets dat voor de gesprekspartners duidelijk of eerder genoemd is.
now
In 'close the bag now' betekent now op dit moment, nadat de controle klaar is. Het geeft aan dat de tas meteen kan worden gesloten. Gebruik now om te zeggen dat een handeling op het huidige moment moet of kan gebeuren.