Where
“Where” vraagt hier naar de plaats: waar zullen we gaan zitten? Het staat aan het begin van de vraag “Where should we sit?” en wordt gebruikt wanneer je samen een plek kiest.
should
“should” drukt hier een voorstel of vraag om advies uit, niet een strenge verplichting. In “Where should we sit?” staat het vóór “we” en vóór de basisvorm “sit”; je gebruikt dit bijvoorbeeld wanneer je wilt beslissen wat de beste plek is.
we
“we” betekent hier “wij” en verwijst naar de twee mensen die samen een tafel kiezen. Het is het onderwerp in “Where should we sit?”; je gebruikt het voor jezelf samen met minstens één andere persoon.
sit
“sit” betekent hier zitten of gaan zitten op een gekozen plek. Na “should” blijft het de basisvorm in “Where should we sit?”; je gebruikt “sit” bijvoorbeeld bij het kiezen van een stoel of tafel.
The
“The” verwijst hier naar een specifieke tafel die de gesprekspartners kunnen aanwijzen: “The corner table”. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord wanneer de bedoelde zaak duidelijk of bekend is, bijvoorbeeld bij het aanwijzen van een tafel in een ruimte.
corner
“corner” beschrijft hier dat de tafel bij een hoek staat: “The corner table”. Samen met “table” vormt het een vaste woordgroep voor een tafel in de hoek; je kunt deze woordgroep gebruiken wanneer je een tafel aan de hand van haar plaats aanwijst.
table
“table” betekent hier tafel, de plek waar de twee mensen kunnen zitten en lezen. In “The corner table” wordt het voorafgegaan door “corner”, en in “This table” verwijst het naar de tafel die dichtbij wordt aangewezen.
is
“is” verbindt hier “The corner table” met de beschrijving “in a quiet spot”: de tafel bevindt zich op een rustige plek. Je gebruikt “is” in een patroon als “The table is in ...” om de plaats of toestand van iets te beschrijven.
in
“in” geeft hier aan waar de tafel zich bevindt: “in a quiet spot”, dus op of in een rustige plek. De veelgebruikte woordgroep “in a quiet spot” past bijvoorbeeld bij het zoeken naar een rustige plaats om te lezen.
a
“a” betekent hier “een” en introduceert één niet nader bepaalde plek in “a quiet spot”. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord “spot”; je gebruikt het wanneer je een plek noemt zonder die eerder precies aan te wijzen.
quiet
“quiet” betekent hier rustig en beschrijft de plek als geschikt voor weinig lawaai. In “a quiet spot” staat het vóór “spot”; je gebruikt deze combinatie bijvoorbeeld wanneer je een rustige plaats om te lezen zoekt.
spot
“spot” betekent hier een plek of plaats, namelijk “a quiet spot”. Het wordt vaak gebruikt in een woordgroep met een beschrijving ervoor, zoals “a quiet spot”, wanneer je een geschikte plaats aanwijst.
This
“This” wijst hier een tafel dichtbij of duidelijk aangewezen aan: “This table”. Het staat vóór “table” en wordt gebruikt om een specifieke keuze in de huidige ruimte te bespreken.
has
“has” betekent hier dat deze tafel over goed licht beschikt: “This table has nice light too.” Het staat na “This table” en vóór wat de tafel heeft; je gebruikt het bijvoorbeeld om een kenmerk van een plaats of voorwerp te noemen.
nice
“nice” beschrijft het licht hier als prettig of aangenaam. In “nice light” staat het vóór “light”; je kunt zo een positieve eigenschap van een plek of voorwerp benoemen wanneer je samen een keuze maakt.
light
“light” betekent hier licht, de verlichting bij de tafel. In “This table has nice light too” is “light” wat de tafel heeft; je gebruikt dit bijvoorbeeld om uit te leggen waarom een plek goed is om te lezen.
too
“too” betekent hier ook en voegt het goede licht toe aan andere positieve eigenschappen van deze tafel. Het staat aan het einde van “This table has nice light too”; je gebruikt het om een extra overeenkomst of voordeel te noemen.
would
“would” maakt “This table would be better for reading” tot een voorzichtige beoordeling of suggestie: deze tafel zou beter zijn om te lezen. Het staat vóór “be” en wordt gebruikt wanneer je een mogelijke of overwogen keuze bespreekt.
be
“be” betekent hier zijn in “This table would be better for reading”. Na “would” staat de basisvorm “be”; je gebruikt het in het patroon “would be + beschrijving” om een voorstel of beoordeling te formuleren.
better
“better” betekent hier beter dan een andere tafel voor het doel van lezen. Het staat na “be” in “would be better for reading”; je gebruikt het om een keuze als geschikter te beoordelen.
for
“for” geeft hier het doel of de activiteit aan waarvoor de tafel geschikter is: “for reading”. Je gebruikt het patroon “better for + activiteit” om te zeggen waarvoor iets beter geschikt is.
reading
“reading” verwijst hier naar de activiteit lezen. In “better for reading” volgt het na “for” en benoemt het waarvoor de tafel beter geschikt is; je gebruikt deze vorm bijvoorbeeld om een plek voor een activiteit te kiezen.
Are
“Are” is hier de vraagvorm van “be” en vraagt of de stoelen comfortabel zijn: “Are these chairs comfortable?” Het staat vóór “these chairs”; je gebruikt dit patroon om naar een eigenschap van meerdere dingen te vragen.
these
“these” wijst hier meerdere stoelen dichtbij of duidelijk zichtbaar aan: “these chairs”. Het staat vóór het meervoud “chairs”; je gebruikt het wanneer je naar bepaalde voorwerpen in de huidige situatie verwijst.
chairs
“chairs” betekent hier stoelen, de zitplaatsen die de gesprekspartners beoordelen. In “these chairs” staat het na “these”; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je samen controleert of meerdere stoelen geschikt zijn.
comfortable
“comfortable” betekent hier comfortabel of prettig om op te zitten. In “Are these chairs comfortable?” beschrijft het de stoelen; je gebruikt de vraag om iemands ervaring met zitmeubilair te controleren.
They
“They” betekent hier ze en verwijst naar “these chairs”. Het is het onderwerp van “They feel fine to me”; je gebruikt het om naar meerdere eerder genoemde personen of dingen terug te verwijzen.
feel
“feel” beschrijft hier hoe de stoelen aanvoelen wanneer je erop zit: “They feel fine to me.” Je gebruikt het patroon “feel + bijvoeglijke beschrijving” om een lichamelijke of zintuiglijke indruk te geven, bijvoorbeeld bij het testen van een stoel.
fine
“fine” betekent hier prima of goed genoeg, volgens de spreker. In “They feel fine to me” beschrijft het de ervaring van de stoelen; je gebruikt “feel fine” bijvoorbeeld om te zeggen dat iets aangenaam of acceptabel aanvoelt.
to
“to” markeert hier wiens beoordeling wordt gegeven in “to me”: voor mij of volgens mijn ervaring. De woordgroep “to me” staat na “fine”; je gebruikt die om een persoonlijke indruk of mening aan te geven.
me
“me” betekent hier mij en verwijst naar de persoon die de stoelen heeft geprobeerd. In “to me” staat het na het voorzetsel “to”; je gebruikt deze combinatie om duidelijk te maken vanuit wiens perspectief iets geldt.
Let's
“Let's” is de verkorte vorm van “let us” en geeft hier een gezamenlijk voorstel: laten we aan deze tafel gaan zitten. In “Let's sit at this table” staat het vóór de basisvorm “sit”; je gebruikt het om samen een actie voor te stellen.
at
“at” geeft hier de gekozen plaats aan: “at this table”, dus aan deze tafel. Je gebruikt het patroon “sit at + plaats” wanneer je zegt waar iemand gaat zitten.
I'll
“I'll” is de verkorte vorm van “I will” en drukt hier een voornemen of aanbod uit: ik zal de tassen eronder leggen. In “I'll put our bags under it” staat het vóór “put”; je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je direct aanbiedt iets te doen.
put
“put” betekent hier plaatsen of leggen: de spreker legt de tassen onder de tafel. Na “I'll” blijft het de basisvorm in “I'll put our bags under it”; het patroon “put + voorwerp + plaats” is bruikbaar wanneer je zegt waar je iets neerlegt.
our
“our” betekent hier onze en geeft aan dat de tassen bij beide gesprekspartners horen. Het staat vóór “bags” in “our bags”; je gebruikt het vóór een zelfstandig naamwoord om gezamenlijk bezit aan te geven.
bags
“bags” betekent hier tassen, de voorwerpen die onder de tafel worden gelegd. In “our bags” staat het na “our”; je gebruikt dit woord bijvoorbeeld wanneer je meerdere persoonlijke tassen in een ruimte bespreekt.
under
“under” betekent hier onder en geeft de plaats onder de tafel aan: “under it”. Het wordt gebruikt om de locatie van iets te beschrijven; je kunt het patroon “put something under ...” gebruiken wanneer je iets onder een ander voorwerp legt.
it
“it” verwijst hier naar de eerder genoemde tafel in “under it”. Het voorkomt dat “table” opnieuw wordt herhaald; je gebruikt “it” voor één eerder genoemd ding wanneer de verwijzing duidelijk is.