What
In “What activity should we do?”, vraagt “What” welke activiteit bedoeld is. Je gebruikt “What” vaak direct voor een zelfstandig naamwoord, zoals in “What activity?” of in een nieuwe vraag “What book do you want?”.
activity
“Activity” betekent hier een activiteit of iets om te doen. Het staat na “What” in “What activity” en kan ook met andere activiteiten worden gebruikt, bijvoorbeeld in een nieuwe uitdrukking “a simple activity”.
should
In “What activity should we do?” vraagt “should” om een voorstel of geschikte keuze. De gebruikelijke volgorde is “should” vóór de persoon en het werkwoord: “What should we choose?” in een nieuwe vraag.
we
“We” verwijst hier naar de spreker en de andere persoon samen. Het staat als onderwerp vóór “should” in de vraag; je gebruikt “we” bijvoorbeeld in een nieuwe zin als “We can read inside.”
do
“Do” betekent hier een activiteit uitvoeren in “What activity should we do?”. Na “should” blijft het werkwoord in deze vorm staan, bijvoorbeeld in een nieuwe vraag “What should we do next?”.
could
In “We could walk outside” drukt “could” een mogelijke optie uit. De vorm “could” staat vóór het werkwoord in de basisvorm, zoals in “could read” in een nieuwe zin.
walk
“Walk” betekent hier te voet lopen in “could walk outside”. Na “could” gebruik je de vorm “walk”; een nieuw voorbeeld is “We could walk to the park.”
outside
“Outside” betekent hier buiten, in de open lucht. Het geeft in “walk outside” aan waar de activiteit plaatsvindt; je kunt ook “stay outside” zeggen in een nieuwe zin.
It
“It” verwijst in “It may be cold out there” naar de situatie of het weer, niet naar een genoemd voorwerp. In weeruitdrukkingen gebruik je “It” bijvoorbeeld ook in een nieuwe zin als “It is warm today.”
may
In “It may be cold out there” drukt “may” een mogelijkheid uit: het is mogelijk dat het koud is. Na “may” staat de werkwoordsvorm “be”; een nieuw voorbeeld is “It may rain.”
be
“Be” geeft in “may be cold” de toestand “koud zijn” aan. Na “may” blijft deze vorm staan, zoals in een nieuwe zin “It may be warm.”
cold
“Cold” beschrijft in “It may be cold” een lage temperatuur. Het staat na “be” om de toestand van het weer te beschrijven; een nieuw voorbeeld is “The room is cold.”
out
In “out there” draagt “out” bij aan de betekenis buiten of buitenshuis. Samen met “there” verwijst “out there” naar een plek buiten; een nieuwe uitdrukking is “go out”.
there
“There” verwijst in “out there” naar de bedoelde plaats buiten. Het wordt vaak gebruikt om naar een plaats te wijzen, bijvoorbeeld in een nieuwe zin “The book is there.”
Then
“Then” betekent hier dan, in dat geval: als het buiten koud kan zijn, volgt een ander voorstel. Je kunt “Then” aan het begin van een reactie gebruiken, zoals in een nieuwe zin “Then we can stay inside.”
can
In “Then we can read inside” drukt “can” uit dat lezen mogelijk is of kan worden gedaan. Na “can” staat de werkwoordsvorm “read”; een nieuw voorbeeld is “We can choose a room.”
read
“Read” betekent hier geschreven woorden lezen in “can read inside”. Na “can” blijft het werkwoord in deze vorm staan; een nieuw voorbeeld is “I can read this book.”
inside
“Inside” betekent hier binnen, in een gebouw of kamer. Het geeft in “read inside” aan waar de activiteit plaatsvindt; je kunt ook “stay inside” zeggen in een nieuwe zin.
Reading
“Reading” benoemt in “Reading sounds better today” de activiteit lezen als onderwerp van de zin. Deze vorm kan ook aan het begin van een nieuwe zin staan, bijvoorbeeld “Reading is relaxing.”
sounds
In “Reading sounds better today” betekent “sounds” dat iets een bepaalde indruk geeft of zo lijkt. Het staat hier tussen de activiteit en “better”; een nieuw voorbeeld is “That sounds good.”
better
“Better” betekent hier geschikter of aantrekkelijker dan de andere optie, in “sounds better”. Je kunt “better” gebruiken om een voorkeur uit te drukken, bijvoorbeeld in een nieuwe zin “This plan is better.”
today
“Today” betekent op deze dag in “Reading sounds better today”. Het kan aan het einde van een zin staan, zoals in een nieuwe zin “We can read today.”
Let's
“Let’s” stelt in “Let’s choose a quiet room” voor om iets samen te doen. Het wordt gevolgd door een werkwoordsvorm zoals “choose”; een nieuw voorbeeld is “Let’s read inside.”
choose
“Choose” betekent hier een keuze maken tussen de mogelijke kamers of activiteiten. Na “Let’s” staat “choose” in deze vorm; een nieuw voorbeeld is “Let’s choose a book.”
a
“A” introduceert in “a quiet room” één niet nader bepaalde kamer. Het staat vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord met een beschrijving ertussen; een nieuwe uitdrukking is “a good spot.”
quiet
“Quiet” beschrijft in “a quiet room” een kamer met weinig of geen geluid. Het staat vóór “room” om die kamer te beschrijven; een nieuwe combinatie is “a quiet place.”
room
“Room” betekent hier een ruimte binnen een gebouw. In “a quiet room” is het de plaats die de twee personen willen kiezen; een nieuw voorbeeld is “We are in the room.”
I'll
“I’ll” geeft in “I’ll bring my book” aan dat de spreker deze toekomstige handeling op zich neemt. Het staat vóór het werkwoord in de basisvorm; een nieuw voorbeeld is “I’ll find a room.”
bring
“Bring” betekent hier iets meenemen naar de gekozen plek, in “I’ll bring my book”. Het gebruikelijke patroon is “bring” plus een voorwerp, zoals in een nieuw voorbeeld “I’ll bring a chair.”
my
“My” geeft in “my book” aan dat het boek bij de spreker hoort. Het staat direct vóór het zelfstandig naamwoord; een nieuwe combinatie is “my room.”
book
“Book” betekent hier een geschreven werk met bladzijden dat de spreker wil meenemen om te lezen. Het staat na “my” in “my book”; een nieuw voorbeeld is “I have a book.”
find
“Find” betekent hier een geschikte plek lokaliseren in “I’ll find a spot for us”. Na “I’ll” staat “find” in deze vorm; een nieuw voorbeeld is “I’ll find the room.”
spot
“Spot” betekent hier een specifieke plek waar de twee personen kunnen zitten of lezen. Het staat na “find” in “find a spot”; een nieuwe combinatie is “a quiet spot.”
for
“For” geeft in “a spot for us” aan voor wie de plek bedoeld is. Het patroon is “something for someone”, bijvoorbeeld in een nieuw voorbeeld “a chair for us.”
us
“Us” verwijst in “for us” naar de spreker en de andere persoon als degenen voor wie de plek bedoeld is. Na “for” gebruik je deze vorm; een nieuw voorbeeld is “This room is for us.”