I
‘I’ verwijst hier naar de spreker. Het staat als onderwerp voor ‘feel’ in ‘I feel cold now’. Je gebruikt ‘I’ wanneer je over je eigen gevoel of toestand praat.
feel
‘feel’ betekent hier lichamelijk ervaren; de spreker ervaart kou. In ‘I feel cold now’ volgt na ‘feel’ de ervaren toestand ‘cold’. Gebruik ‘feel’ in een gesprek over een lichamelijke gewaarwording of indruk.
cold
‘cold’ benoemt hier het koude gevoel van de spreker. In ‘I feel cold now’ beschrijft het wat de spreker ervaart, terwijl ‘feel’ die ervaring aangeeft. Gebruik ‘cold’ bij iets dat koud aanvoelt of een lage temperatuur heeft.
now
‘now’ betekent op dit moment. Het geeft in ‘I feel cold now’ aan dat het koude gevoel momenteel geldt. Gebruik ‘now’ om naar de huidige tijd te verwijzen.
Wrap
‘Wrap’ is hier een directe instructie om jezelf met iets te bedekken. In ‘Wrap yourself in this warm blanket’ staat het aan het begin van de opdracht en geeft het de handeling aan. Je gebruikt ‘Wrap’ bijvoorbeeld wanneer je iemand adviseert zich warm te houden.
yourself
‘yourself’ verwijst naar de aangesproken persoon zelf en is het voorwerp van ‘Wrap’. In ‘Wrap yourself in this warm blanket’ hoort het bij een handeling waarbij iemand zichzelf omhult. Gebruik deze vorm wanneer de uitvoerder en ontvanger van de handeling dezelfde persoon zijn.
in
‘in’ geeft hier aan dat de deken rondom de persoon wordt aangebracht: ‘Wrap yourself in this warm blanket’. Het verbindt ‘wrap’ met het omhullende voorwerp. Gebruik ‘in’ in vergelijkbare patronen waarin iemand of iets door een omhullend materiaal wordt bedekt.
this
‘this’ wijst op de deken die hier dichtbij wordt aangewezen. In ‘this warm blanket’ staat het vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord ‘blanket’. Gebruik ‘this’ om een nabij voorwerp aan te wijzen.
warm
‘warm’ beschrijft de aangename temperatuur van de deken. In ‘this warm blanket’ staat het vóór ‘blanket’ om de deken te typeren. Gebruik ‘warm’ bij iets dat warmte geeft of niet koud aanvoelt.
blanket
‘blanket’ betekent deken, een bedekking die hier warmte geeft. In ‘this warm blanket’ is het het voorwerp waarmee de aangesproken persoon zich kan omhullen. Gebruik ‘blanket’ in een thuissituatie wanneer je over zo’n bedekking praat.
My
‘My’ geeft aan dat de handen bij de spreker horen. In ‘My hands’ staat het vóór het zelfstandig naamwoord ‘hands’. Gebruik ‘My’ om bezit of verbondenheid met jezelf aan te geven.
hands
‘hands’ verwijst naar de handen van de spreker, de lichaamsdelen aan het uiteinde van de armen. Dit is de meervoudsvorm van ‘hand’, en in ‘My hands are cold too’ is het het onderwerp van de beschrijving. Gebruik ‘hands’ wanneer je over beide of meerdere handen praat.
are
‘are’ geeft in ‘My hands are cold too’ aan dat de handen koud zijn. Het is hier de vorm van ‘be’ die past bij het meervoudige onderwerp ‘My hands’. Gebruik ‘are’ om meerdere personen of dingen met een toestand of beschrijving te verbinden.
too
‘too’ voegt toe dat de handen óók koud zijn, naast het eerder genoemde koude gevoel. In ‘My hands are cold too’ staat het aan het einde om die toevoeging te markeren. Gebruik ‘too’ om extra overeenstemming of een extra feit te noemen.
Hold
‘Hold’ is hier een directe instructie om de beker in je handen te houden. In ‘Hold this warm cup for a while’ staat het aan het begin van de opdracht en volgt het object. Gebruik ‘Hold’ bij praktisch advies over iets dat iemand moet vasthouden.
cup
‘cup’ betekent beker, het voorwerp dat hier wordt vastgehouden. In ‘this warm cup’ wordt het nader bepaald door ‘this’ en ‘warm’. Gebruik ‘cup’ in een situatie waarin iemand uit een klein drinkvat drinkt of het vasthoudt.
for
‘for’ geeft in ‘for a while’ de duur aan: gedurende een bepaalde tijd. Het staat hier vóór de tijdsuitdrukking ‘a while’. Gebruik ‘for’ om aan te geven hoelang een handeling duurt.
a
‘a’ maakt in ‘a while’ van ‘while’ een niet nader bepaalde periode. Het hoort hier bij de volledige tijdsuitdrukking ‘a while’. Gebruik ‘a while’ wanneer de exacte duur niet belangrijk is.
while
‘while’ betekent hier een periode of tijdsduur in ‘a while’. Samen met ‘a’ vormt het de uitdrukking voor een niet precies genoemde tijd. Gebruik ‘a while’ wanneer je geen exacte duur noemt.
That
‘That’ verwijst hier terug naar de zojuist genoemde handeling, het vasthouden van de warme beker. In ‘That helps a little’ staat het als onderwerp van de reactie. Gebruik ‘That’ om naar een zojuist genoemd feit, voorwerp of handeling terug te wijzen.
helps
‘helps’ betekent hier dat iets de kou of de situatie een beetje verbetert. Het is een vorm van ‘help’ bij het onderwerp ‘That’ in ‘That helps a little’. Gebruik ‘helps’ om het effect van een handeling of middel te beschrijven.
little
‘little’ geeft in ‘a little’ aan dat het effect slechts in geringe mate aanwezig is. Het hoort bij de volledige uitdrukking ‘a little’; die uitdrukking beperkt hier de mate waarin ‘helps’ geldt. Gebruik ‘a little’ om een kleine mate of hoeveelheid aan te geven.
Sit
‘Sit’ is een directe instructie om een zittende houding aan te nemen. In ‘Sit on the sofa and rest’ staat het aan het begin van de opdracht. Gebruik ‘Sit’ wanneer je iemand zegt plaats te nemen.
on
‘on’ geeft hier de plaats aan waarop iemand gaat zitten: ‘on the sofa’. Het staat tussen ‘Sit’ en de plaatsbepaling. Gebruik ‘on’ bij zitten op een stoel, bank of ander oppervlak.
the
‘the’ verwijst naar de specifieke bank die in deze situatie bedoeld is. In ‘the sofa’ staat het vóór ‘sofa’. Gebruik ‘the’ wanneer de gesprekspartners weten welk voorwerp bedoeld is.
sofa
‘sofa’ betekent bank, de zitplaats waarop A moet gaan zitten. In ‘on the sofa’ wordt de locatie van het zitten genoemd. Gebruik ‘sofa’ in gesprekken over zitten of rusten in huis.
and
‘and’ verbindt hier twee opdrachten: ‘Sit on the sofa’ en ‘rest’. Het laat zien dat beide handelingen bij hetzelfde advies horen. Gebruik ‘and’ om handelingen of informatie naast elkaar te zetten.
rest
‘rest’ betekent hier uitrusten en ontspannen. In ‘Sit on the sofa and rest’ is het de tweede handeling in het advies. Gebruik ‘rest’ wanneer iemand moet herstellen of even niet actief moet zijn.
room
‘room’ betekent kamer, de afgesloten ruimte waarvan de temperatuur wordt beschreven. In ‘The room feels warmer now’ is het het onderwerp van de beschrijving. Gebruik ‘room’ wanneer je over een ruimte in een gebouw praat.
feels
‘feels’ betekent hier dat de kamer warmer aanvoelt of zo wordt ervaren. Het is een vorm van ‘feel’ bij het enkelvoudige onderwerp ‘The room’ in ‘The room feels warmer now’. Gebruik ‘feel’ of ‘feels’ om een indruk of lichamelijke gewaarwording te beschrijven.
warmer
‘warmer’ betekent hier dat de kamer meer warm aanvoelt dan eerder. Het is de vergrotende vorm van ‘warm’ en staat in ‘The room feels warmer now’ na ‘feels’. Gebruik ‘warmer’ om een temperatuur of indruk met een eerdere toestand te vergelijken.
I'll
‘I’ll’ betekent hier dat de spreker zelf het raam zal sluiten. Het kondigt een voorgenomen handeling aan in ‘I’ll close the window so it stays that way’. Gebruik ‘I’ll’ om in een gesprek een eigen plan, aanbod of beslissing aan te kondigen.
close
‘close’ betekent hier sluiten, dus het raam dichtdoen. In ‘close the window’ volgt na ‘close’ het voorwerp van de handeling. Gebruik ‘close’ wanneer je iemand opdraagt of vertelt dat iets dichtgaat.
window
‘window’ betekent raam, het voorwerp dat in deze dialoog wordt gesloten. In ‘the window’ gaat het om een specifiek raam in de kamer. Gebruik ‘window’ in gesprekken over een raam openen, sluiten of bekijken.
so
‘so’ verbindt het sluiten van het raam met het gewenste resultaat dat de warmere toestand blijft. In ‘so it stays that way’ leidt het de gevolgrelatie in. Gebruik ‘so’ wanneer een handeling bedoeld is om het daaropvolgende resultaat te bereiken.
it
‘it’ verwijst hier naar de kamer of naar de huidige warmere toestand. Als onderwerp in ‘it stays that way’ voorkomt het dat de kamer of situatie opnieuw wordt genoemd. Gebruik ‘it’ om naar een eerder genoemde enkelvoudige zaak of situatie te verwijzen.
stays
‘stays’ betekent hier dat iets in dezelfde toestand blijft. Het is een vorm van ‘stay’ bij het onderwerp ‘it’ in ‘it stays that way’. Gebruik ‘stays’ wanneer je zegt dat iets niet verandert of op dezelfde plaats of toestand blijft.
way
‘way’ verwijst in ‘that way’ naar de manier of toestand waarin de kamer nu is, namelijk warmer. In de volledige uitdrukking ‘that way’ verwijst het terug naar de eerder beschreven situatie. Gebruik ‘that way’ om naar een al beschreven manier of toestand te verwijzen.