Een gedeelde badkamer schoonhouden | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a shared bathroom, two adults talk about paper towels, the trash bin, and keeping the sink area clean..

NL → EN / Niveau: A1

Over deze les

Met Een gedeelde badkamer schoonhouden oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Can I use this shared bathroom?

Ken ai joez dhis sjèrd bèthroem? Kan ik deze gedeelde badkamer gebruiken?
B

You can, and please keep the sink area clean.

Joe ken, èn pliez kiip dhə singk èria klien. Dat kan, en houd de wastafel alsjeblieft schoon.
A

I need a paper towel.

Ai niid uh pee-per tau-əl. Ik heb een papieren handdoek nodig.
B

There are some near the sink.

Dhèr ər səm nier dhə singk. Er liggen er een paar bij de wastafel.
A

Does this go in the trash?

Daz dhis gou in dhə trèsj? Moet dit in de afvalbak?
B

Put it in the small bin.

Poet it in dhə smool bin. Doe het in de kleine afvalbak.
A

I will wipe the sink quickly too.

Ai wəl waip dhə singk kwikli toe. Ik zal de wastafel ook snel afnemen.
B

That helps the next person.

Dhèt helps dhə nekst pərsən. Dat helpt de volgende persoon.

Woord voor woord

Can “Can” betekent hier dat iemand toestemming vraagt of iets mag doen, in “Can I use this shared bathroom?”. In “You can” geeft de ander die toestemming. Je gebruikt “Can I ...?” wanneer je in een gedeelde ruimte beleefd wilt vragen of iets toegestaan is.
I “I” verwijst naar de persoon die zelf spreekt, bijvoorbeeld in “Can I use this shared bathroom?” en “I need a paper towel.” Het staat voor de handeling of behoefte van de spreker. Je gebruikt “I” om over jezelf te spreken wanneer je iets vraagt, nodig hebt of gaat doen.
use “Use” betekent hier een badkamer gebruiken, in “Can I use this shared bathroom?”. Na “Can I” staat de exacte vorm “use” om de handeling te noemen. Je gebruikt het met een voorwerp of plaats die je wilt gebruiken, zoals “use this shared bathroom”.
this “This” verwijst naar iets specifieks dat dichtbij of duidelijk aanwezig is, hier in “this shared bathroom”. Het staat direct voor het zelfstandig naamwoord waarnaar wordt verwezen. Je gebruikt “this” bijvoorbeeld wanneer je naar een bepaalde ruimte of een bepaald voorwerp wijst.
shared “Shared” betekent hier dat meerdere mensen dezelfde badkamer gebruiken, in “this shared bathroom”. Het beschrijft “bathroom” en staat ervoor. Je gebruikt “shared” voor een ruimte of voorziening die door verschillende mensen wordt gebruikt.
bathroom “Bathroom” is hier de badkamer met onder andere de wastafel, in “this shared bathroom”. Het woord kan samen met een beschrijving staan, zoals “shared bathroom”. Je gebruikt het wanneer je naar deze ruimte verwijst, bijvoorbeeld bij een vraag over toegang.
You “You” verwijst naar de persoon tegen wie wordt gesproken, in “You can”. Het is de aangesprokene die toestemming krijgt of een verzoek hoort. Je gebruikt “you” wanneer je rechtstreeks met één of meer andere mensen praat.
and “And” verbindt hier twee delen van hetzelfde antwoord: “You can” en “please keep the sink area clean”. Het voegt een extra verzoek toe zonder de eerste boodschap te vervangen. Je gebruikt “and” om twee handelingen, eigenschappen of zinnen met elkaar te verbinden.
please “Please” maakt “keep the sink area clean” beleefder. Het staat in dit gesprek bij een verzoek aan iemand die de gedeelde badkamer gebruikt. Je gebruikt “please” wanneer je iemand vriendelijk om een handeling vraagt.
keep “Keep” betekent hier ervoor zorgen dat iets in een bepaalde toestand blijft, in “keep the sink area clean”. Het wordt gevolgd door het voorwerp “the sink area” en de toestand “clean”. Je gebruikt deze constructie wanneer je vraagt of iemand een plaats of voorwerp schoon, stil of anderszins in een bepaalde toestand houdt.
the “The” verwijst hier naar een specifieke wastafelzone die in deze badkamer bedoeld is, in “the sink area”. Het staat voor de combinatie “sink area”. Je gebruikt “the” wanneer de luisteraar kan weten over welk concreet onderdeel of welke concrete plaats je spreekt.
sink “Sink” betekent hier de wastafel, in “the sink area” en “near the sink”. Het benoemt de plaats waar mensen hun handen wassen en waar de papieren handdoeken liggen. Je gebruikt het met een plaatsaanduiding, zoals “near the sink”.
area “Area” betekent hier de ruimte rond de wastafel, in “the sink area”. Samen met “sink” verwijst het niet alleen naar de kom, maar naar het omliggende gedeelte dat schoon moet blijven. Je gebruikt “area” om een bepaald deel van een ruimte aan te wijzen.
clean “Clean” betekent hier zonder vuil, in “keep the sink area clean”. Het beschrijft de toestand waarin de wastafelzone moet blijven. Je gebruikt het na “keep” om aan te geven welke toestand je voor een plaats of voorwerp wilt behouden.
need “Need” betekent hier nodig hebben, in “I need a paper towel”. De spreker zegt dat een papieren handdoek noodzakelijk is voor de volgende handeling. Je gebruikt “need” met datgene wat je nodig hebt, zoals “need a paper towel”.
a “A” verwijst hier naar één nog niet nader bepaalde papieren handdoek, in “a paper towel”. Het staat voor de enkelvoudige naamwoordgroep. Je gebruikt “a” wanneer je één exemplaar noemt zonder een specifieke handdoek aan te wijzen.
paper “Paper” beschrijft hier het materiaal van de handdoek, in “paper towel”. Het staat voor “towel” en vormt daarmee één uitdrukking voor een handdoek van papier. Je gebruikt “paper” op dezelfde manier voor een voorwerp dat van papier is gemaakt.
towel “Towel” betekent hier een handdoek die wordt gebruikt om iets af te drogen, in “a paper towel”. In deze badkamer gaat het specifiek om een papieren handdoek. Je gebruikt het na een materiaalbeschrijving, zoals “paper towel”, wanneer je een handdoek benoemt.
There “There” introduceert hier de aanwezigheid van enkele papieren handdoeken, in “There are some near the sink”. Het verwijst niet zelfstandig naar een plaats, maar opent de mededeling dat iets aanwezig is. Je gebruikt “There are” om te vertellen dat meerdere dingen ergens beschikbaar of aanwezig zijn.
are “Are” geeft in “There are some near the sink” aan dat er enkele handdoeken aanwezig zijn. Het hoort bij de constructie “There are” voor meerdere aanwezige dingen. Je gebruikt “are” hier om beschikbaarheid of aanwezigheid mee te delen.
some “Some” betekent hier enkele of een niet nader genoemd aantal papieren handdoeken, in “There are some near the sink”. Het geeft aan dat er meer dan één beschikbaar is zonder het precieze aantal te noemen. Je gebruikt “some” wanneer een onbepaalde hoeveelheid voldoende informatie is.
near “Near” betekent hier dichtbij, in “near the sink”. Het geeft de plaats van de papieren handdoeken aan ten opzichte van de wastafel. Je gebruikt “near” vóór de plaats of het voorwerp waar iets dichtbij is.
Does “Does” vormt hier de vraag “Does this go in the trash?”. Het helpt om te vragen of het genoemde voorwerp in de afvalbak hoort; daarna volgt de vorm “go”. Je gebruikt deze vraag wanneer je wilt weten of iets op een bepaalde plaats moet worden weggegooid.
go “Go” betekent hier niet letterlijk lopen, maar ergens terechtkomen of geplaatst worden, in “Does this go in the trash?”. Het wordt gebruikt met de bestemming “in the trash”. Je gebruikt “go in” wanneer je vraagt of zegt waar iets hoort te worden geplaatst.
in “In” geeft hier aan dat iets binnen in de afvalbak terechtkomt, in “go in the trash” en “Put it in the small bin”. Het verbindt de handeling met de plaats van bestemming. Je gebruikt “in” met een bak, tas of andere ruimte wanneer iets daarin wordt gedaan.
trash “Trash” betekent hier afval dat moet worden weggegooid, in “Does this go in the trash?”. Het is de algemene bestemming waar het gebruikte materiaal mogelijk terechtkomt. Je gebruikt “trash” wanneer je over weggegooid afval of de afvalstroom spreekt.
Put “Put” betekent hier plaats of doe, in de instructie “Put it in the small bin”. Het geeft een directe opdracht over wat er met het voorwerp moet gebeuren. Je gebruikt “Put” met een voorwerp en daarna de plaats waar je het neerlegt of indoet.
it “It” verwijst hier naar het voorwerp waarover zojuist werd gevraagd, in “Put it in the small bin”. Het voorkomt dat het voorwerp opnieuw genoemd moet worden. Je gebruikt “it” voor een al bekend enkelvoudig voorwerp.
small “Small” betekent hier niet groot en beschrijft de afvalbak, in “the small bin”. Het staat voor “bin” en helpt de juiste bak te onderscheiden. Je gebruikt “small” voor een voorwerp met beperkte afmetingen, bijvoorbeeld wanneer er meerdere bakken zijn.
bin “Bin” betekent hier een bak waarin afval wordt gedaan, in “the small bin”. In deze situatie is het de specifieke kleine afvalbak in de badkamer. Je gebruikt “bin” wanneer je een afvalcontainer aanwijst, bijvoorbeeld na “Put it in”.
will “Will” geeft hier de toekomstige intentie van de spreker aan, in “I will wipe the sink quickly too”. De spreker belooft of kondigt aan dat hij of zij de wastafel zal afnemen. Je gebruikt “will” vóór de werkwoordsvorm “wipe” om een toekomstige handeling te noemen.
wipe “Wipe” betekent hier schoonmaken door met iets over een oppervlak te wrijven, in “I will wipe the sink quickly too”. Na “will” blijft de vorm “wipe” onveranderd. Je gebruikt “wipe” met een oppervlak dat je schoonmaakt, zoals “wipe the sink”.
quickly “Quickly” betekent hier snel of in korte tijd, in “wipe the sink quickly”. Het beschrijft hoe de spreker de wastafel zal afnemen. Je gebruikt “quickly” om aan te geven dat een handeling met hoge snelheid of zonder veel tijd gebeurt.
too “Too” betekent hier ook, in “I will wipe the sink quickly too”. De spreker voegt het afnemen van de wastafel toe aan de andere schoonmaakhandelingen. Je gebruikt “too” vaak aan het einde van een zin wanneer je zegt dat iets eveneens geldt.
That “That” verwijst hier naar de zojuist genoemde handeling, namelijk de wastafel snel afnemen, in “That helps the next person”. Het maakt van die handeling het onderwerp van de volgende zin. Je gebruikt “That” om naar een eerder genoemde actie, gebeurtenis of situatie te verwijzen.
helps “Helps” betekent hier dat de schoonmaakactie de situatie voor iemand gemakkelijker of beter maakt, in “That helps the next person”. Het onderwerp “That” verwijst naar de handeling uit de vorige zin. Je gebruikt “helps” wanneer een actie voordeel oplevert voor een persoon of situatie.
next “Next” betekent hier de persoon die daarna de badkamer gebruikt, in “the next person”. Het geeft de volgorde aan: deze persoon komt na de spreker. Je gebruikt “next” vóór een persoon, plaats of gebeurtenis die in de volgorde daarop volgt.
person “Person” betekent hier een individuele gebruiker van de badkamer, in “the next person”. Samen met “the next” verwijst het naar degene die daarna komt. Je gebruikt “person” wanneer je naar één individuele mens verwijst zonder diens naam te noemen.

Grammatica

keep + object + adjective

Keep the sink area clean.

Kiip dhə singk èria klien.

Houd het wastafelgedeelte schoon.

Na keep komt een object gevolgd door een bijvoeglijk naamwoord dat de toestand beschrijft.

Imperative + near + noun

Put the paper towel near the sink.

Poet dhə pee-per tau-əl nier dhə singk.

Leg de papieren handdoek bij de wastafel.

Gebruik de gebiedende wijs zonder onderwerp; near geeft de plaats van het object aan.

Engels woordenschat

bathroom zelfstandig naamwoord
bèthroem badkamer
clean bijvoeglijk naamwoord
klien schoon
keep werkwoord
kiip schoonhouden
near voorzetsel
nier in de buurt van
paper towel uitdrukking
pee-per tau-əl papieren handdoek
put werkwoord
poet doen
shared bijvoeglijk naamwoord
sjèrd gedeeld
sink zelfstandig naamwoord
singk wastafel
sink area uitdrukking
singk èria wastafelgedeelte
small bijvoeglijk naamwoord
smool klein
trash zelfstandig naamwoord
trèsj afval
use werkwoord
joez gebruiken

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Kan ik deze gedeelde badkamer gebruiken?

Antwoord tonenCan I use this shared bathroom?

Ik heb een papieren handdoek nodig.

Antwoord tonenI need a paper towel.

Er liggen er een paar bij de wastafel.

Antwoord tonenThere are some near the sink.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

schoon

Antwoord tonenclean

badkamer

Antwoord tonenbathroom

wastafel

Antwoord tonensink

schoonhouden

Antwoord tonenkeep