We
We betekent hier ‘wij’: de twee sprekers samen. Het staat als onderwerp vóór het werkwoord, zoals in ‘We need’ en ‘We have’. Je gebruikt We wanneer je over jezelf en minstens één andere persoon spreekt.
need
Need betekent hier dat de sprekers een beter schoonmaakschema nodig hebben. Het staat in de constructie ‘We need a better cleaning schedule’, met datgene wat nodig is er direct achter. Je gebruikt need om een noodzakelijkheid of behoefte uit te drukken.
a
A betekent hier ‘een’ en introduceert één nog niet eerder genoemd schoonmaakschema. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord ‘cleaning schedule’. Je gebruikt a wanneer je iets voor het eerst of niet nader bepaald noemt.
better
Better betekent hier ‘beter dan het huidige schema’ en verwijst naar een verbetering. Het is de vergelijkende vorm die bij good hoort. Je gebruikt better wanneer je iets met een eerdere of bestaande situatie vergelijkt.
cleaning
Cleaning beschrijft hier waarvoor het schema dient: voor het schoonmaken. Het is de vorm van clean in de woordgroep ‘cleaning schedule’. Je gebruikt een dergelijke vorm vóór een zelfstandig naamwoord om het onderwerp of doel ervan aan te geven.
schedule
Schedule betekent hier een planning waarin schoonmaaktaken en momenten worden vastgelegd. In ‘cleaning schedule’ gaat het specifiek om een schoonmaakplanning. Je gebruikt schedule voor een plan met geplande activiteiten of tijden.
for
For geeft hier aan waarvoor of voor welk deel van het huis het schema bedoeld is: ‘for the apartment’. Het staat vóór de plaats waarop de planning betrekking heeft. Je gebruikt for vaak om doel, bestemming of toepassingsgebied aan te geven.
the
The verwijst hier naar een bepaald appartement, bepaalde taken, planken, keuken, badkamer, schema of koelkast. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord dat in de situatie afgebakend of bekend is. Je gebruikt the wanneer de luisteraar kan weten over welk concreet ding het gaat.
apartment
Apartment betekent hier ‘appartement’, de woning waarvoor het schoonmaakschema wordt gemaakt. Het staat na ‘the’ in ‘the apartment’. Je gebruikt apartment om een afzonderlijke woning in een gebouw aan te duiden.
have
Have helpt in ‘We have not been dividing’ om aan te geven dat het verdelen tot nu toe niet op de gewenste manier gebeurt. Samen met ‘been dividing’ beschrijft het een activiteit die over een periode loopt. Je gebruikt have in deze constructie vóór not en de daaropvolgende werkwoordsvorm.
not
Not maakt de mededeling negatief: de sprekers verdelen de taken niet eerlijk. Het staat in ‘have not been dividing’. Je gebruikt not om een werkwoordelijke uitdrukking te ontkennen.
been
Been is hier de vorm van be binnen ‘have not been dividing’ en draagt bij aan het idee van een activiteit die tot nu toe voortduurt. De betekenis komt uit de hele werkwoordsvorm, niet uit been alleen. Je gebruikt been hier vóór de -ing-vorm ‘dividing’.
dividing
Dividing betekent hier dat de sprekers de huishoudelijke taken onder elkaar verdelen. Het is de -ing-vorm van divide in ‘have not been dividing the chores evenly’. Je gebruikt dividing met een object wanneer je beschrijft hoe iets over personen of groepen wordt verdeeld.
chores
Chores betekent hier huishoudelijke taken of klussen in huis. Het is het meervoud van chore en staat als object na ‘dividing the’. Je gebruikt chores voor terugkerende taken zoals schoonmaken binnen een huishouden.
evenly
Evenly betekent hier dat de taken gelijk of eerlijk over de betrokken personen worden verdeeld. Het beschrijft hoe ‘dividing the chores’ gebeurt. Je gebruikt evenly bijvoorbeeld om aan te geven dat werk, tijd of een hoeveelheid gelijk wordt verdeeld.
I
I betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de spreker die de planken op zaterdag gaat afstoffen. Het staat als onderwerp vóór ‘can dust’. Je gebruikt I wanneer je over jezelf spreekt.
can
Can geeft hier aan dat de spreker de planken op zaterdagochtend kan afstoffen en deze taak op zich neemt. Het staat vóór de werkwoordsvorm ‘dust’. Je gebruikt can in het patroon can + werkwoord om mogelijkheid, vermogen of beschikbaarheid uit te drukken.
dust
Dust betekent hier ‘afstoffen’: stof van de planken verwijderen. Het staat na can in ‘can dust the shelves’, waar de vorm na can onveranderd blijft. Je gebruikt dust als werkwoord voor het schoonmaken van een oppervlak waarop stof ligt.
shelves
Shelves betekent hier ‘planken’, de oppervlakken die worden afgestoft. Het is het meervoud van shelf en staat na ‘the’. Je gebruikt shelves voor meerdere horizontale opbergplanken, bijvoorbeeld in een kast.
on
On geeft hier het moment aan waarop de taak gebeurt: ‘on Saturday morning’. Het staat vóór de dag en het deel van de dag. Je gebruikt on in tijdsaanduidingen met dagen of specifieke dagdelen.
Saturday
Saturday betekent hier ‘zaterdag’ en bepaalt samen met ‘morning’ wanneer de taak wordt uitgevoerd. In ‘Saturday morning’ staat het vóór het deel van de dag. Je gebruikt Saturday om naar die dag van de week te verwijzen.
morning
Morning betekent hier ‘ochtend’ en maakt het tijdstip ‘Saturday morning’ specifieker. Het staat na de dagnaam. Je gebruikt morning om het eerste deel van de dag aan te duiden.
Then
Then betekent hier ‘dan’ of ‘vervolgens’ en verbindt de taak van B met wat A zojuist heeft voorgesteld. Het staat aan het begin van de zin vóór ‘I'll mop’. Je gebruikt Then om een volgende stap of actie in een volgorde aan te geven.
I'll
I'll geeft hier aan dat de spreker toezegt de keuken na de lunch te dweilen. Het is een verkorte vorm die een toekomstige beslissing of toezegging uitdrukt. Je gebruikt I'll vóór een werkwoord wanneer je zegt wat je zult of gaat doen.
mop
Mop betekent hier ‘dweilen’, namelijk de keuken schoonmaken met een dweil. Het staat na ‘I'll’ in ‘I'll mop the kitchen’. Je gebruikt mop als werkwoord voor het dweilen van een vloer of ruimte.
kitchen
Kitchen betekent hier ‘keuken’, de ruimte die na de lunch wordt gedweild. Het staat na ‘the’ in ‘the kitchen’. Je gebruikt kitchen voor de ruimte waar eten wordt bereid of bewaard.
after
After betekent hier ‘na’ en geeft aan dat het dweilen plaatsvindt nadat de lunch voorbij is. Het staat vóór ‘lunch’ in ‘after lunch’. Je gebruikt after om een later moment of een latere gebeurtenis aan te geven.
lunch
Lunch betekent hier de middagmaaltijd waarna de keuken wordt gedweild. In ‘after lunch’ staat het zonder extra bepaling. Je gebruikt lunch om naar die maaltijd of het bijbehorende moment te verwijzen.
Should
Should vormt hier een vraag waarmee A een voorstel doet: is het verstandig om de badkamer elke zondag schoon te maken? Het staat voor het onderwerp ‘we’ in ‘Should we clean’. Je gebruikt Should we ...? om samen een plan of mogelijkheid te bespreken.
clean
Clean betekent hier ‘schoonmaken’ en benoemt de voorgestelde taak voor de badkamer. Het staat na should in ‘Should we clean the bathroom?’. Na should blijft het werkwoord in deze vorm staan; je gebruikt het om de handeling zelf te noemen.
bathroom
Bathroom betekent hier ‘badkamer’, de ruimte die elke zondag schoongemaakt zou worden. Het staat na ‘the’ in ‘the bathroom’. Je gebruikt bathroom voor de ruimte met bijvoorbeeld een douche, bad of toilet.
every
Every betekent hier ‘elke’ en maakt duidelijk dat de badkamer op iedere zondag wordt schoongemaakt. Het staat vóór de enkelvoudige tijdsaanduiding ‘Sunday’. Je gebruikt every om een herhaling op elk afzonderlijk moment of elke afzonderlijke dag aan te geven.
Sunday
Sunday betekent hier ‘zondag’, de dag die als vast schoonmaakmoment wordt voorgesteld. In ‘every Sunday’ staat het na every. Je gebruikt Sunday om naar die dag van de week te verwijzen.
makes
Makes draagt in de uitdrukking ‘makes sense’ bij aan de betekenis dat iets logisch of redelijk is. De vorm makes hoort hier bij Sunday als onderwerp en is gerelateerd aan de citation form make. Je gebruikt ‘makes sense’ om te zeggen dat een idee, keuze of plan logisch is.
sense
Sense betekent in ‘makes sense’ niet simpelweg ‘zin’, maar maakt deel uit van de uitdrukking voor ‘logisch zijn’. Hier zegt B dat zondag een redelijke keuze is omdat de badkamer snel vies wordt. Je gebruikt ‘makes sense’ om een reden, plan of beslissing begrijpelijk of logisch te noemen.
because
Because betekent hier ‘omdat’ en leidt de reden in waarom zondag logisch is. Het staat vóór de bijzin ‘it gets dirty quickly’. Je gebruikt because om een verklaring of reden aan een mededeling toe te voegen.
it
It verwijst hier naar de badkamer en is het onderwerp van ‘gets dirty quickly’. Het voorkomt dat ‘the bathroom’ opnieuw moet worden herhaald. Je gebruikt it wanneer het bedoelde ding of de bedoelde plaats al duidelijk is.
gets
Gets betekent hier samen met ‘dirty’ dat de badkamer vies wordt of raakt. Het is de vorm van get die in ‘it gets dirty’ bij it staat. Je gebruikt get + een bijvoeglijk naamwoord om een verandering naar een toestand te beschrijven.
dirty
Dirty beschrijft hier de toestand waarin de badkamer terechtkomt: vies. Het staat na gets in ‘gets dirty’ en vormt daarmee de beschrijving van de verandering. Je gebruikt dirty om aan te geven dat iets niet schoon is.
quickly
Quickly betekent hier ‘snel’ en geeft aan dat de badkamer in korte tijd vies wordt. Het beschrijft hoe snel ‘gets dirty’ gebeurt. Je gebruikt quickly om de snelheid van een handeling of verandering aan te geven.
put
Put betekent hier dat de spreker het schema op de koelkast zal plaatsen. In ‘put the schedule on the fridge’ staat eerst het voorwerp en daarna de plaats met on. Je gebruikt put in het patroon put + voorwerp + on + plaats wanneer je iets ergens neerzet of plaatst.
fridge
Fridge betekent hier ‘koelkast’, de plaats waarop het schema wordt gezet zodat het zichtbaar blijft. Het staat na ‘the’ en ‘on’ in ‘on the fridge’. Je gebruikt fridge voor een koelkast, vooral in alledaagse gesprekken.
That
That verwijst hier naar het zojuist genoemde plan om het schema op de koelkast te zetten. Het staat aan het begin van ‘That should help us remember each task’. Je gebruikt That om naar een eerder genoemde handeling, situatie of gedachte te verwijzen.
help
Help betekent hier dat het plaatsen van het schema het onthouden van de taken makkelijker maakt. Het staat in de constructie ‘help us remember’, met de persoon en de daaropvolgende handeling erachter. Je gebruikt help + persoon + werkwoord om te zeggen dat iets iemand ondersteunt bij een handeling.
us
Us betekent hier ‘ons’ en verwijst naar de twee sprekers die de taken moeten onthouden. Het staat na help als degene die hulp krijgt. Je gebruikt us als objectvorm wanneer de handeling op jezelf en minstens één andere persoon betrekking heeft.
remember
Remember betekent hier ‘onthouden’: de sprekers willen iedere schoonmaaktaak niet vergeten. Het staat na ‘help us’ en vóór ‘each task’. Je gebruikt remember + een object wanneer je aangeeft wat iemand in gedachten moet houden.
each
Each betekent hier ‘elke afzonderlijke’ en benadrukt dat de sprekers iedere taak apart moeten onthouden. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord ‘task’. Je gebruikt each + een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer je leden van een groep één voor één bedoelt.
task
Task betekent hier één concrete schoonmaaktaak binnen het schema. In ‘each task’ verwijst het naar de afzonderlijke klussen die over de week verdeeld zijn. Je gebruikt task voor een handeling of opdracht die iemand moet uitvoeren.