Een shirt ruilen voor een grotere maat | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a clothing shop, a customer asks to exchange an unused shirt for a larger size and asks where to try it on..

NL → EN / Niveau: A2

Over deze les

Met Een shirt ruilen voor een grotere maat oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

I bought this shirt.

ai bot dhis sjurt. Ik heb dit shirt gekocht.
A

It does not fit.

it daz not fit. Het past niet.
B

Do you still have the receipt and the tag?

djoe stil hev dhuh risiet end dhuh teg? Heb je de bon en het kaartje nog?
A

I kept both in the bag.

ai kept bouth in dhuh beg. Ik heb ze allebei in de tas bewaard.
B

Then I can help with a return or exchange.

dhen ai ken help withh uh riturn or eksjeendj. Dan kan ik je helpen met terugbrengen of ruilen.
A

I would rather exchange it for a larger size.

ai wud radhur eksjeendj it for uh laardjur saiz. Ik wil het liever ruilen voor een grotere maat.
B

That should be possible if the shirt is unused.

dhet sjud bie posuhbul if dhuh sjurt iz anjoezd. Dat zou moeten kunnen als het shirt niet gedragen is.
A

Where can I try the larger size?

wèr ken ai trai dhuh laardjur saiz? Waar kan ik de grotere maat passen?
B

The fitting rooms are behind that display.

dhuh fiting roemz ar bihaind dhet displei. De paskamers zijn achter die display.

Woord voor woord

I “I” verwijst hier naar de persoon die het shirt heeft gekocht. Het is het onderwerp in “I bought this shirt.” Gebruik “I” wanneer je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in een nieuwe zin: “I need help.”
bought “bought” betekent hier dat de spreker het shirt heeft gekocht. Dit is de vorm die in de dialoog bij “buy” hoort. Gebruik bijvoorbeeld “I bought this yesterday” als nieuw voorbeeld wanneer je vertelt wat je hebt gekocht.
this “this” wijst hier naar het shirt dat de spreker aanwijst of vasthoudt. Het staat direct voor “shirt” in “this shirt”. Gebruik “this” voor één specifiek voorwerp dat dichtbij of duidelijk aangewezen is.
shirt “shirt” betekent hier een kledingstuk dat de klant heeft gekocht. In “this shirt” wordt het specifieke kledingstuk aangewezen. Gebruik bijvoorbeeld “a shirt” wanneer je een willekeurig shirt bedoelt.
It “It” verwijst hier terug naar het shirt. In “It does not fit” is het shirt het onderwerp van de zin. Gebruik “it” om een eerder genoemd enkel voorwerp opnieuw te noemen.
does “does” helpt samen met “not” om de ontkenning “It does not fit” te vormen; op zichzelf betekent het hier niet dat het shirt iets doet. In een ontkennende zin met “does not” blijft het hoofdwerkwoord “fit” in deze vorm staan. Gebruik hetzelfde patroon met een ander werkwoord, bijvoorbeeld in een nieuw voorbeeld: “It does not work.”
not “not” maakt “It does not fit” negatief: het shirt past niet. Het staat hier na “does” en vóór “fit”. Gebruik “not” om een bewering te ontkennen, bijvoorbeeld in “It is not available” als nieuw voorbeeld.
fit “fit” betekent hier dat een kledingstuk de juiste maat of pasvorm heeft. In “It does not fit” beschrijft het dat het shirt niet goed zit; samen met “does not” vormt het de ontkenning. Gebruik bijvoorbeeld “Does it fit?” wanneer je naar de pasvorm vraagt.
Do “Do” leidt de vraag “Do you still have the receipt and the tag?” in. Het helpt hier om een vraag in de tegenwoordige tijd te vormen en draagt niet zelfstandig de betekenis ‘doen’. Gebruik het patroon “Do you have ...?” om te vragen of iemand iets heeft.
you “you” verwijst hier naar de persoon in de winkel die wordt aangesproken. Het is het onderwerp in “Do you still have the receipt and the tag?” Gebruik “you” wanneer je rechtstreeks tegen één of meer personen spreekt.
still “still” betekent hier ‘nog’: de medewerker vraagt of de klant de bon en het kaartje tot nu toe heeft bewaard. Het staat vóór “have” in “Do you still have ...?” Gebruik “still” bijvoorbeeld in een vraag naar iets dat er nog steeds is.
have “have” betekent hier ‘hebben’ of ‘bij zich hebben’: de medewerker vraagt of de klant de bon en het kaartje nog heeft. In “Do you still have ...?” staat het na “you”. Gebruik “have” met een voorwerp dat iemand bezit of bewaart, bijvoorbeeld “I have the receipt” als nieuw voorbeeld.
the “the” verwijst hier naar specifieke items: de bon en het kaartje die bij deze aankoop horen. In “the receipt” en “the tag” staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik “the” wanneer de luisteraar weet welk specifiek voorwerp je bedoelt.
receipt “receipt” betekent hier het aankoopbewijs dat de winkelier voor de retour of ruil nodig kan hebben. Het staat in “the receipt” als één van de twee gevraagde items. Gebruik bijvoorbeeld “I have the receipt” wanneer je zegt dat je het aankoopbewijs bij je hebt.
and “and” verbindt hier de twee items “the receipt” en “the tag”. Het maakt duidelijk dat de medewerker naar beide vraagt. Gebruik “and” om gelijkwaardige woorden of woordgroepen samen te voegen.
tag “tag” betekent hier het kaartje of label dat aan het shirt vastzit. In “the tag” gaat het om het specifieke label van dit kledingstuk. Gebruik “the tag” wanneer je in een winkel naar het label van een kledingstuk verwijst.
kept “kept” betekent hier dat de spreker de bon en het kaartje heeft bewaard. In “I kept both in the bag” verwijst het naar het bewaren van die twee items in de tas. Gebruik bijvoorbeeld “I kept it in my bag” als nieuw voorbeeld voor iets dat je hebt bewaard.
both “both” betekent hier ‘beide’ en verwijst naar de bon én het kaartje. Het staat in “I kept both in the bag” als vervanging voor die twee eerder genoemde items. Gebruik “both” wanneer je precies twee personen of dingen samen bedoelt.
in “in” geeft hier aan dat iets zich binnenin de tas bevindt. In “in the bag” staat het vóór de plaatsaanduiding. Gebruik “in” met een ruimte of voorwerp waarin iets zit, bijvoorbeeld “in the box” als nieuw voorbeeld.
bag “bag” betekent hier de tas waarin de spreker de bon en het kaartje heeft bewaard. In “the bag” gaat het om een specifieke tas die in deze situatie bekend is. Gebruik “in the bag” om te zeggen waar iets zich bevindt.
Then “Then” betekent hier ‘dan’ of ‘in dat geval’: omdat de klant beide items heeft, kan de medewerker verder helpen. Het staat aan het begin van “Then I can help ...”. Gebruik “Then” om een gevolg van de vorige informatie aan te kondigen.
can “can” betekent hier dat de medewerker in staat is of toestemming heeft om te helpen. In “I can help” staat het vóór “help”. Gebruik “can” met een werkwoord in de basisvorm om mogelijkheid of bekwaamheid uit te drukken.
help “help” betekent hier de klant ondersteunen bij een retour of ruil. In “I can help with ...” volgt na “can” de basisvorm “help”. Gebruik het patroon “help with + zelfstandig naamwoord” wanneer je hulp bij een zaak of taak aanbiedt.
with “with” verbindt “help” met de zaak waarbij hulp wordt aangeboden: een retour of ruil. In “help with a return or exchange” staat het vóór de twee opties. Gebruik “help with” voor hulp bij een taak of situatie.
a “a” introduceert hier één niet nader bepaald geval: “a return”. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord “return”. Gebruik “a” wanneer je één exemplaar of één mogelijkheid noemt zonder die verder te specificeren.
return “return” betekent hier het terugbrengen van het gekochte item naar de winkel. In “a return or exchange” wordt het als één van twee mogelijkheden genoemd. Gebruik bijvoorbeeld “ask for a return” als nieuw voorbeeld wanneer je om terugbrengen vraagt.
or “or” biedt hier een alternatief tussen “a return” en “exchange”. Het maakt duidelijk dat er twee verschillende oplossingen mogelijk zijn. Gebruik “or” wanneer je tussen opties kiest of een alternatief noemt.
exchange “exchange” betekent hier het omruilen van het shirt voor een ander exemplaar of een andere maat. In “a return or exchange” is het de tweede mogelijkheid naast terugbrengen. Gebruik “exchange it for a larger size” wanneer je precies zegt waarvoor je iets wilt ruilen.
would “would” draagt samen met “rather” de voorkeur uit in “I would rather exchange it for a larger size”. Het maakt de voorkeur beleefd en minder direct. Gebruik het patroon “I would rather + werkwoord” wanneer je één optie liever kiest dan een andere.
rather “rather” betekent hier ‘liever’ en vormt samen met “would” de voorkeur voor omruilen. In “I would rather exchange it ...” staat het vóór het werkwoord. Gebruik “would rather + werkwoord” om je voorkeursoptie aan te geven.
for “for” geeft hier aan waarvoor het shirt wordt geruild: “a larger size”. In “exchange it for a larger size” staat het tussen het om te ruilen item en de nieuwe optie. Gebruik het patroon “exchange ... for ...” om beide kanten van een ruil te noemen.
larger “larger” betekent hier ‘groter’ en beschrijft de gewenste maat. Het staat vóór “size” in “a larger size”. Gebruik “larger” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je iets met een grotere omvang of maat beschrijft.
size “size” betekent hier de maat van het shirt. In “a larger size” vraagt de klant om een maat die groter is dan de huidige. Gebruik “What size?” om naar een maat te vragen, of “a different size” als nieuw voorbeeld.
That “That” verwijst hier naar het voorgestelde ruilen voor een grotere maat. In “That should be possible” neemt het de hele voorafgaande mogelijkheid als onderwerp. Gebruik “That” om naar een zojuist genoemde situatie of voorstel te verwijzen.
should “should” geeft hier aan dat de ruil naar verwachting mogelijk is, maar niet absoluut wordt beloofd. In “That should be possible” staat het vóór “be”. Gebruik “should be possible” voor een voorzichtige verwachting over wat kan.
be “be” maakt samen met “possible” de beschrijving “be possible”: mogelijk zijn. Het staat na “should” in “That should be possible”. Gebruik “should be + bijvoeglijk naamwoord” om een verwachte toestand te beschrijven.
possible “possible” betekent hier dat de ruil kan plaatsvinden, onder de genoemde voorwaarde. In “That should be possible” beschrijft het het voorstel van de klant. Gebruik “be possible” wanneer je zegt dat iets haalbaar of toegestaan kan zijn.
if “if” leidt hier de voorwaarde in waaronder de ruil mogelijk is: het shirt moet ongebruikt zijn. In “if the shirt is unused” staat de voorwaardelijke informatie na de hoofdzin. Gebruik “if” om een voorwaarde voor een handeling of beslissing te noemen.
is “is” verbindt “the shirt” hier met de toestand “unused”. In “if the shirt is unused” beschrijft het de voorwaarde voor de ruil. Gebruik “is” om een toestand of kenmerk van één ding te beschrijven.
unused “unused” betekent hier dat het shirt niet is gedragen of gebruikt. In “if the shirt is unused” is dit de voorwaarde waaronder de winkel kan helpen met de ruil. Gebruik “unused” voor een voorwerp dat nog niet gebruikt is.
Where “Where” vraagt hier naar de plaats waar de klant de grotere maat kan passen. Het staat aan het begin van “Where can I try ...?”. Gebruik “Where can I ...?” om beleefd naar een plaats voor een handeling te vragen.
try “try” betekent hier een kledingstuk aantrekken om te controleren of de maat goed zit. In “try the larger size” staat het na “can” in de basisvorm. Gebruik “try on” voor kleding die je aantrekt om te beoordelen; in deze dialoog staat de volledige combinatie als “try the larger size”.
fitting “fitting” draagt in “fitting rooms” bij aan de betekenis ‘kamers om kleding te passen’. Het beschrijft hier het doel van de kamers, niet het passen van de grotere maat zelf. Gebruik “fitting room” wanneer je in een kledingwinkel naar zo’n ruimte verwijst.
rooms “rooms” betekent hier de kamers waarin klanten kleding kunnen passen. In “The fitting rooms” gaat het om meerdere specifieke kamers in de winkel. Gebruik “rooms” voor meer dan één kamer en combineer het hier met “fitting”.
are “are” verbindt hier “The fitting rooms” met hun plaats: “behind that display”. In “The fitting rooms are ...” beschrijft het waar de kamers zich bevinden. Gebruik “are” met een meervoudig onderwerp om een locatie of toestand te beschrijven.
behind “behind” betekent hier dat de paskamers aan de achterkant van of achter het aangewezen display zijn. In “behind that display” staat het vóór de plaatsaanduiding. Gebruik “behind” om de positie van iets ten opzichte van een ander object aan te geven.
display “display” betekent hier de opstelling of presentatie van producten waarnaar de medewerker wijst. In “that display” gaat het om één specifiek display in de winkel. Gebruik “behind the display” wanneer je de plaats achter zo’n productpresentatie beschrijft.

Grammatica

would rather + base verb

I would rather exchange it for a larger size.

ai wud radhur eksjeendj it for uh laardjur saiz.

Ik zou het liever omruilen voor een grotere maat.

Na would rather gebruik je het hele werkwoord zonder to. rather betekent hier ‘liever’.

comparative adjective + noun

a larger size

uh laardjur saiz

een grotere maat

Larger is de vergrotende trap van large en staat vóór het zelfstandig naamwoord.

Engels woordenschat

bag zelfstandig naamwoord
beg tas
both voornaamwoord
bouth allebei
bought werkwoord
bot gekocht
exchange zelfstandig naamwoord
eksjeendj ruil
fit werkwoord
fit passen
help werkwoord
help helpen
kept werkwoord
kept bewaard
rather bijwoord
radhur liever
receipt zelfstandig naamwoord
risiet kassabon
return zelfstandig naamwoord
riturn retour of terugbrengen
shirt zelfstandig naamwoord
sjurt shirt
tag zelfstandig naamwoord
teg kaartje of label

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik heb dit shirt gekocht.

Antwoord tonenI bought this shirt.

Het past niet.

Antwoord tonenIt does not fit.

Ik heb ze allebei in de tas bewaard.

Antwoord tonenI kept both in the bag.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

kassabon

Antwoord tonenreceipt

gekocht

Antwoord tonenbought

shirt

Antwoord tonenshirt

bewaard

Antwoord tonenkept