Jassen vergelijken op stof en pasvorm | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a clothing shop, two adults compare similar jackets by fabric, warmth, and fit before deciding..

NL → EN / Niveau: A2

Over deze les

Met Jassen vergelijken op stof en pasvorm oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

These two jackets look very similar.

diez toe djekkets loek verrie simmeler Deze twee jassen lijken erg op elkaar.
B

Let's compare the fabric and fit.

lets kəmpeer də febrik end fit Laten we de stof en de pasvorm vergelijken.
A

This one feels light.

dis wan fiilz lait Deze voelt licht aan.
A

The fabric seems thin.

də febrik siimz thien De stof lijkt dun.
B

The other one feels sturdier and warmer.

dhi uhdher wan fiilz sturdiër end wormer De andere voelt steviger en warmer aan.
A

That might be better for everyday use.

dhet mait bie better fer evridee joes Dat is misschien beter voor dagelijks gebruik.
B

Try it on first and see how it feels.

trai it on furst end sii hau it fiilz Pas hem eerst aan en kijk hoe hij zit.
A

I will try both before I decide.

ai wil trai booth bifohr ai disaid Ik zal beide passen voordat ik beslis.
B

That should make the choice easier.

dhet sjoed meik də tjois iizer Dat zou de keuze makkelijker moeten maken.

Woord voor woord

These These verwijst in “These two jackets” naar de twee jassen die hier worden aangewezen. Het staat vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord, zoals in “These two jackets” of “These books” in een nieuw voorbeeld.
jackets Jackets betekent hier “jassen” en verwijst naar de twee kledingstukken die worden vergeleken. Het meervoud staat na “These two”, zoals in “These two shirts” in een nieuw voorbeeld.
look In “look very similar” betekent look dat de jassen er op een bepaalde manier uitzien of lijken. Gebruik “look” vóór een beschrijving, zoals in “They look comfortable” in een nieuw voorbeeld.
very Very versterkt in “very similar” de beschrijving: de jassen lijken sterk op elkaar. Het staat meestal vóór een bijvoeglijk naamwoord, zoals in “very warm” in een nieuw voorbeeld.
similar Similar betekent in “look very similar” dat de twee jassen veel op elkaar lijken. Je kunt “similar to” gebruiken wanneer je expliciet zegt waarmee iets overeenkomt, zoals in “This color is similar to that one” in een nieuw voorbeeld.
Let's Let's is in “Let's compare” een voorstel om samen te vergelijken; het is de verkorte vorm van “let us”. Gebruik “Let's” gevolgd door een werkwoord in de basisvorm, zoals in “Let's check the size” in een nieuw voorbeeld.
compare Compare betekent hier dat je de stof en pasvorm naast elkaar bekijkt om verschillen of overeenkomsten te vinden. Na “Let's” staat het werkwoord in deze basisvorm, zoals in “Let's compare the prices” in een nieuw voorbeeld.
the The verwijst in “the fabric”, “the fit” en “the choice” naar iets specifieks binnen de situatie. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord, zoals in “the color” in een nieuw voorbeeld.
fabric Fabric betekent in “the fabric” de stof of het materiaal van de jas. Het kan samen met woorden voor eigenschappen worden gebruikt, zoals in “The fabric feels soft” in een nieuw voorbeeld.
and And verbindt in “the fabric and fit” twee zaken die samen worden vergeleken. Je gebruikt het om woorden of woordgroepen aan elkaar te koppelen, zoals in “warm and light” in een nieuw voorbeeld.
fit Fit betekent in “the fabric and fit” de pasvorm of hoe goed een kledingstuk zit. In een winkel kun je bijvoorbeeld vragen naar “the fit of the jacket” in een nieuw voorbeeld.
This This verwijst in “This one” naar de jas die op dat moment wordt aangewezen of bekeken. Het wordt gebruikt voor iets specifieks dichtbij de spreker of in de huidige aandacht, zoals in “This shirt” in een nieuw voorbeeld.
one One vervangt in “This one” het eerder genoemde zelfstandig naamwoord jacket, zodat jacket niet opnieuw hoeft te worden gezegd. Je kunt dezelfde vervanging gebruiken wanneer je één van meerdere voorwerpen bedoelt, zoals in “I prefer this one” in een nieuw voorbeeld.
feels In “feels light” beschrijft feels hoe de jas aanvoelt wanneer je hem vasthoudt of draagt. Het onderwerp staat vóór “feels” en de ervaren eigenschap erna, zoals in “The sweater feels soft” in een nieuw voorbeeld.
light Light betekent in “feels light” dat de jas weinig zwaar aanvoelt. Het beschrijft hier de ervaring van het kledingstuk na “feels”, zoals in “This bag feels light” in een nieuw voorbeeld.
seems In “seems thin” geeft seems aan dat de stof dun lijkt op basis van wat de spreker waarneemt. Gebruik “seems” vóór een beschrijving wanneer je iets voorzichtig beoordeelt, zoals in “The material seems strong” in een nieuw voorbeeld.
thin Thin betekent in “The fabric seems thin” dat de stof niet dik is. Het staat na “seems” als beschrijving van de stof, zoals in “The paper seems thin” in een nieuw voorbeeld.
other Other verwijst in “The other one” naar de tweede jas, tegenover de jas die eerst werd besproken. “The other one” is een bruikbare manier om de andere van twee bekende voorwerpen aan te duiden.
sturdier Sturdier betekent in “feels sturdier” dat de andere jas steviger of robuuster aanvoelt dan de eerste. De vorm vergelijkt twee dingen; je kunt bijvoorbeeld zeggen “This table is sturdier” in een nieuw voorbeeld.
warmer Warmer betekent in “feels sturdier and warmer” dat de andere jas warmer aanvoelt dan de eerste. Deze vergelijkende vorm staat bij een vergelijking van twee kledingstukken of andere dingen, zoals in “This coat is warmer” in een nieuw voorbeeld.
That That verwijst in “That might be better” naar de zojuist besproken, stevigere en warmere jas. Het kan ook naar een eerder genoemde situatie of mogelijkheid verwijzen, zoals in “That sounds useful” in een nieuw voorbeeld.
might Might geeft in “might be better” een voorzichtige mogelijkheid aan: de jas zou beter kunnen zijn voor dagelijks gebruik. Gebruik “might” vóór een werkwoord in de basisvorm, zoals in “It might rain” in een nieuw voorbeeld.
be Be verbindt in “might be better” het onderwerp that met de beschrijving better. Na “might” blijft “be” in de basisvorm, zoals in “It might be useful” in een nieuw voorbeeld.
better Better betekent in “might be better” dat iets geschikter of voordeliger wordt beoordeeld dan een andere optie. Het wordt gebruikt om opties te vergelijken, zoals in “This size is better” in een nieuw voorbeeld.
for For geeft in “for everyday use” aan waarvoor de jas geschikt is: voor dagelijks gebruik. Gebruik “for” vóór een doel of gebruik, zoals in “good for travel” in een nieuw voorbeeld.
everyday Everyday betekent in “everyday use” dat iets bij het gewone dagelijkse leven hoort. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “use”, zoals in “everyday clothes” in een nieuw voorbeeld.
use Use betekent in “everyday use” het gebruik van de jas in het dagelijks leven. Samen met “for” vormt het de uitdrukking “for everyday use”, die je kunt gebruiken om een doel of toepassing te beschrijven.
Try Try betekent in “Try it on first” dat iemand iets moet proberen, hier door de jas aan te trekken. Aan het begin van deze zin is het een directe aansporing; bijvoorbeeld “Try this size” in een nieuw voorbeeld.
it It verwijst in “Try it on” naar de jas die eerder is genoemd. Het staat hier vóór de woordgroep “on” als het voorwerp van het aantrekken, zoals in “Try it on” in een nieuw voorbeeld.
on In “Try it on” hoort on bij de uitdrukking voor een kledingstuk aantrekken en passen; het geeft de handeling van dragen aan. Behoud daarom het volledige patroon “try it on”, in plaats van alleen “try it” te gebruiken wanneer je passen bedoelt.
first First betekent in “Try it on first” dat iemand dit vóór de andere stappen moet doen. Het staat hier na het voorwerp en geeft de volgorde aan, zoals in “Check the label first” in een nieuw voorbeeld.
see In “see how it feels” betekent see dat je nagaat of controleert hoe de jas aanvoelt. Na “see” volgt hier de vraagwoordgroep “how it feels”; bijvoorbeeld “See how it fits” in een nieuw voorbeeld.
how How leidt in “how it feels” een beschrijving in van de manier waarop de jas aanvoelt. Het staat vóór een bijzin met een onderwerp en werkwoord, zoals in “See how it works” in een nieuw voorbeeld.
I I verwijst in “I will try both” naar de persoon die spreekt. Het staat als onderwerp vóór “will”, zoals in “I will check” in een nieuw voorbeeld.
will Will geeft in “I will try both” de toekomstige bedoeling van de spreker aan. Het wordt gevolgd door een werkwoord in de basisvorm, zoals in “I will compare them” in een nieuw voorbeeld.
both Both betekent in “try both” dat de spreker de twee jassen allebei zal passen. Het kan vóór of na een zelfstandig naamwoord worden gebruikt, zoals in “both jackets” in een nieuw voorbeeld.
before Before betekent in “before I decide” dat het passen eerder gebeurt dan het beslissen. Het kan een bijzin inleiden, zoals in “Call me before you leave” in een nieuw voorbeeld.
decide Decide betekent in “before I decide” een keuze maken tussen de jassen. Het kan worden gebruikt met een beslissing of keuze als onderwerp, zoals in “I need time to decide” in een nieuw voorbeeld.
should Should geeft in “should make the choice easier” de verwachting aan dat iets waarschijnlijk een bepaald gevolg heeft. Na “should” staat het werkwoord in de basisvorm, zoals in “This should help” in een nieuw voorbeeld.
make In “make the choice easier” betekent make dat iets ervoor zorgt dat de keuze gemakkelijker wordt. Het patroon is “make + object + adjective”, zoals in “This makes the task simple” in een nieuw voorbeeld.
choice Choice betekent in “the choice” de beslissing tussen de twee jassen. Je kunt spreken over “make a choice” wanneer iemand een beslissing moet nemen, zoals in een nieuw voorbeeld.
easier Easier betekent in “make the choice easier” dat de keuze minder moeilijk wordt. De vorm vergelijkt de keuze met de situatie ervoor, en staat hier na “make the choice” als beschrijving van het resultaat.

Grammatica

comparative adjective + -er

The other jackets seem sturdier and warmer.

dhi uhdher djekkets siim sturdiër end wormer

De andere jassen lijken steviger en warmer.

Bij korte bijvoeglijke naamwoorden gebruikt het Engels vaak -er om een vergelijking te maken.

before + subject + verb

Try it on before you decide.

trai it on bifohr joe disaid

Pas het voordat je beslist.

Na before staat een volledige bijzin met een onderwerp en werkwoord.

Engels woordenschat

compare werkwoord
kəmpeer vergelijken
fabric zelfstandig naamwoord
febrik stof
feels werkwoord
fiilz voelt aan
fit zelfstandig naamwoord
fit pasvorm
jackets zelfstandig naamwoord
djekkets jassen
light bijvoeglijk naamwoord
lait licht
other bepaler
uhdher andere
seems werkwoord
siimz lijkt
similar bijvoeglijk naamwoord
simmeler vergelijkbaar, soortgelijk
sturdier bijvoeglijk naamwoord
sturdiër steviger
thin bijvoeglijk naamwoord
thien dun
warmer bijvoeglijk naamwoord
wormer warmer

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Deze twee jassen lijken erg op elkaar.

Antwoord tonenThese two jackets look very similar.

Laten we de stof en de pasvorm vergelijken.

Antwoord tonenLet's compare the fabric and fit.

Deze voelt licht aan.

Antwoord tonenThis one feels light.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

vergelijken

Antwoord tonencompare

lijkt

Antwoord tonenseems

jassen

Antwoord tonenjackets

dun

Antwoord tonenthin