I
“I” verwijst hier naar de persoon die spreekt: de spreker denkt dat hij of zij de kaart is kwijtgeraakt. Het wordt gebruikt als onderwerp van “I think”. Een bruikbaar patroon is “I think” wanneer je een mening of inschatting geeft.
think
“think” betekent hier dat de spreker iets vermoedt of gelooft: hij of zij denkt dat de kaart verloren is. In “I think I lost...” leidt het woord de eigen inschatting in. Je kunt “I think” gebruiken voordat je een mening of vermoeden geeft.
lost
“lost” geeft hier aan dat de spreker de reiskaart niet meer kan vinden. Het staat in “I lost my travel card” en verwijst dus naar het kwijtraken van een voorwerp. Hetzelfde patroon kan worden gebruikt met een ander voorwerp dat je niet meer kunt vinden.
my
“my” geeft aan dat de reiskaart van de spreker is. In “my travel card” staat het vóór het zelfstandig naamwoord en maakt het bezit duidelijk. Je gebruikt “my” op dezelfde plaats vóór iets dat van jou is.
travel
“travel” geeft hier aan dat de kaart met reizen te maken heeft. In “travel card” beschrijft het welk soort kaart bedoeld is. Een bruikbaar patroon is “travel” vóór een zelfstandig naamwoord dat met reizen verband houdt.
card
“card” verwijst hier naar de kaart die voor reizen wordt gebruikt. In “my travel card” is het het voorwerp dat de spreker kwijt is. Je kunt “card” gebruiken voor een kaart die je bijvoorbeeld gebruikt voor toegang, betaling of reizen, afhankelijk van de context.
on
“on” geeft hier de locatie tijdens het reizen aan: de kaart was op de trein. In “on the train” gebruikt het Engels “on” voor aanwezigheid aan boord van openbaar vervoer. Hetzelfde patroon staat in “on the train” en kan ook bij vergelijkbaar openbaar vervoer worden gebruikt.
the
“the” verwijst naar een specifieke trein die in deze situatie bedoeld is. In “the train” weten de gesprekspartners over welke trein het gaat. Je gebruikt “the” vóór iets specifieks of al bekende in de context.
train
“train” betekent hier de trein waarin de spreker reisde en mogelijk de kaart verloor. In “on the train” staat het na het voorzetsel en benoemt het vervoermiddel. Je kunt “train” gebruiken wanneer je over reizen per spoor spreekt.
You
“You” verwijst naar de persoon tegen wie de spreker praat. In “You should go...” geeft de zin die persoon een advies. “You” kan zowel één persoon als meerdere aangesproken personen aanduiden; hier gaat het om de andere volwassene in het gesprek.
should
“should” geeft hier een advies of aanbeveling: de aangesproken persoon zou naar het bureau moeten gaan. In “You should go...” staat het vóór het werkwoord “go”. Een bruikbaar patroon is “You should” gevolgd door een handeling die je aanbeveelt.
go
“go” betekent hier naar een bepaalde plaats gaan. In “go to the lost property office” beschrijft het de verplaatsing naar het bureau. Het patroon “go to” wordt gebruikt vóór de bestemming.
to
“to” geeft hier de richting of bestemming aan in “go to the lost property office”. Het verbindt de beweging met de plaats waar de persoon naartoe moet. Een bruikbaar patroon is “go to” gevolgd door een bestemming.
property
“property” verwijst hier naar bezittingen of voorwerpen die van iemand zijn. In “lost property office” maakt het deel uit van de vaste benaming voor een kantoor dat met verloren en gevonden bezittingen werkt. Het woord krijgt in deze combinatie dus een andere praktische focus dan een gewone kantoorruimte of gebouw.
office
“office” verwijst hier naar de plaats waar personeel de melding en de kaart kan behandelen. In “the lost property office” is het de locatie waar de spreker naartoe moet gaan. Je kunt “office” gebruiken voor een plaats waar medewerkers een dienst verlenen.
Can
“Can” opent hier een vraag over de mogelijkheid om de kaart verder gebruik te laten worden. In “Can they stop the card from being used?” vraagt de spreker of het personeel dit kan regelen. Een bruikbaar vraagpatroon is “Can they...” wanneer je naar iemands mogelijkheid of hulp vraagt.
they
“they” verwijst hier naar de medewerkers van het bureau of de dienst die de kaart kan behandelen. In “Can they stop...” is “they” het onderwerp van de vraag; in “They can help...” verwijst het naar dezelfde mensen. Je kunt “they” gebruiken wanneer de precieze personen bekend zijn uit de context, maar niet opnieuw genoemd worden.
stop
“stop” betekent hier voorkomen dat de kaart verder wordt gebruikt. In “stop the card from being used” gaat het om het tegenhouden van een handeling. Het bruikbare patroon is “stop” gevolgd door wat je wilt tegenhouden en “from” met de handeling.
from
“from” verbindt “stop” met de handeling die moet worden voorkomen in “stop the card from being used”. Het geeft aan waarvan de kaart moet worden tegengehouden. Het patroon “stop something from...” wordt gebruikt wanneer je wilt voorkomen dat iets gebeurt.
being
“being” maakt in “being used” deel uit van de beschrijving van het gebruik van de kaart. Het houdt de aandacht bij de handeling die met de kaart kan gebeuren, niet bij een nieuwe handeling van de medewerkers. Samen met “used” vormt het de handeling die na “from” wordt voorkomen.
used
“used” verwijst hier naar het gebruiken of inzetten van de kaart door iemand. In “the card from being used” is dat precies de handeling die moet worden tegengehouden. Het woord komt voor in de combinatie “being used”, die een kaart beschrijft terwijl iemand haar gebruikt.
help
“help” betekent hier iemand ondersteunen bij het invullen van een formulier. In “help you fill out a form” is “you” degene die hulp krijgt en “fill out a form” de geholpen handeling. Een bruikbaar patroon is “help someone” gevolgd door de handeling waarbij die persoon hulp krijgt.
fill out
“fill out” betekent hier een formulier volledig invullen. In “fill out a form” verwijst “fill” naar het invullen van de lege plaatsen en maakt “out” de vaste uitdrukking compleet; samen beschrijven ze het afwerken van het formulier. Je gebruikt “fill out” met een formulier of vergelijkbaar document.
a
“a” verwijst hier naar één formulier dat nog niet eerder specifiek is genoemd. In “a form” introduceert het woord een niet nader bepaald formulier dat de persoon moet invullen. Je gebruikt “a” vóór één niet-specifiek, telbaar ding wanneer het voor het eerst wordt genoemd.
form
“form” betekent hier een document met velden die de persoon moet invullen om de kaart te blokkeren. In “fill out a form” is het formulier het document waarop de benodigde gegevens worden gezet. Je kunt “form” gebruiken voor een document dat informatie verzamelt.
block
“block” betekent hier de kaart zo uitschakelen dat zij niet meer gebruikt kan worden. In “to block it” benoemt het de bedoeling van het formulier; “it” verwijst naar de kaart. Je gebruikt “block” hier voor het tegenhouden van verder kaartgebruik.
it
“it” verwijst hier terug naar de kaart. In “to block it” voorkomt het dat “the card” opnieuw moet worden herhaald. Je gebruikt “it” voor een eerder genoemd ding wanneer duidelijk is waarnaar je verwijst.
have
“have” betekent hier dat de spreker de accountgegevens bij zich heeft. In “I have my account details with me” drukt het bezit of beschikbaarheid in de huidige situatie uit. Een bruikbaar patroon is “have ... with me” wanneer je wilt zeggen dat je iets bij je hebt.
account
“account” geeft hier aan met welk soort gegevens we te maken hebben: gegevens van een persoonlijk account. In “account details” bepaalt het welk onderwerp de details hebben. Je gebruikt “account” vóór informatie of gegevens die bij een account horen.
details
“details” verwijst hier naar specifieke gegevens over het account die de medewerkers kunnen gebruiken. In “my account details” vormt het samen met “account” de informatie die de spreker bij zich heeft. Je gebruikt “details” wanneer nauwkeurige informatie of afzonderlijke gegevens belangrijk zijn.
with
“with” drukt hier bezit of aanwezigheid samen met de spreker uit in “with me”. Het laat zien dat de accountgegevens bij de spreker zijn. Het patroon “with me” kan worden gebruikt om aan te geven dat je iets bij je hebt.
me
“me” verwijst hier naar de spreker als de persoon die de accountgegevens bij zich heeft. In “with me” staat het na “with” en maakt het duidelijk bij wie de gegevens zijn. Je gebruikt “me” na een voorzetsel wanneer de spreker het bedoelde voorwerp of de bedoelde persoon is.
That
“That” verwijst hier terug naar de accountgegevens die net zijn genoemd. In “That information will help...” maakt het duidelijk welke informatie de spreker bedoelt. Je kunt “That” gebruiken om naar iets eerder genoemde informatie of een eerder genoemd ding te verwijzen.
information
“information” betekent hier de accountgegevens die de spreker bij zich heeft. In “That information” verwijst het naar feiten of gegevens die het personeel kunnen helpen. Je gebruikt “information” wanneer je gegevens als één geheel bespreekt.
will
“will” geeft hier aan dat de informatie later een nuttig resultaat zal hebben: ze zal het personeel helpen. In “will help” staat het vóór het werkwoord dat het toekomstige resultaat beschrijft. Een bruikbaar patroon is “will” gevolgd door een werkwoord voor een verwachting of gevolg.
Then
“Then” betekent hier dat de volgende stap volgt nadat de spreker de informatie heeft gegeven of het bureau heeft gesproken. In “Then I'll ask...” ordent het de handelingen in de tijd. Je gebruikt “Then” om een volgende stap in een plan of verhaal aan te kondigen.
I'll
“I'll” geeft hier de toekomstige bedoeling van de spreker aan: daarna zal die persoon het vragen. Het is de verkorte vorm van “I will” en staat in “I'll ask”. Je kunt “I'll” gebruiken om spontaan een voornemen of volgende handeling te zeggen.
ask
“ask” betekent in “I'll ask whether...” dat de spreker informatie zal vragen. In “Ask first” gebruikt de andere spreker dezelfde vorm als een directe instructie om eerst navraag te doen. Je gebruikt “ask” voor het vragen van informatie aan een persoon of dienst.
whether
“whether” leidt hier de indirecte vraag in of de spreker een nieuwe kaart moet krijgen. In “ask whether I should get a new card” volgt na “whether” de inhoud van de ja-of-neevraag. Het patroon “ask whether...” is bruikbaar wanneer je informeert of iets het geval is.
get
“get” betekent hier een nieuwe kaart ontvangen of verkrijgen. In “get a new card” benoemt het wat de spreker mogelijk nodig heeft nadat de oude kaart verloren is. Je gebruikt “get” hier vóór het ding dat je wilt ontvangen of verkrijgen.
new
“new” beschrijft hier een kaart die de verloren kaart zou vervangen. In “a new card” maakt het duidelijk dat het om een andere, opnieuw te verkrijgen kaart gaat. Je gebruikt “new” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je wilt aangeven dat iets pas is verkregen of als vervanging wordt aangeboden.
first
“first” betekent hier dat de spreker eerst navraag moet doen voordat er een nieuwe kaart wordt aangevraagd. In “Ask first” bepaalt het de volgorde van de handelingen. Je gebruikt “first” om aan te geven wat vóór de volgende stap moet gebeuren.
because
“because” introduceert hier de reden voor het advies om eerst te vragen. De reden volgt in “because someone might have handed it in”. Je gebruikt “because” vóór een reden die uitlegt waarom iets wordt gezegd of gedaan.
someone
“someone” verwijst hier naar een niet nader genoemde persoon die de kaart mogelijk heeft afgegeven. In “someone might have handed it in” is die onbekende persoon degene die de kaart heeft teruggebracht. Je gebruikt “someone” wanneer er wel een persoon bedoeld wordt, maar niet bekend is wie precies.
might
“might” geeft hier een mogelijkheid aan, geen zekerheid: misschien heeft iemand de kaart afgegeven. In “someone might have handed it in” staat het vóór de beschreven handeling. Je gebruikt “might” wanneer je een voorzichtige mogelijkheid wilt uitdrukken.
handed it in
“handed it in” betekent hier dat iemand de gevonden kaart bij het bevoegde bureau heeft afgegeven. “handed” beschrijft het geven of overhandigen, “it” verwijst naar de kaart en “in” maakt duidelijk dat het om het terugbrengen naar een dienst of kantoor gaat. De volledige uitdrukking is bruikbaar wanneer iemand een gevonden voorwerp bij de juiste instantie terugbezorgt.