I
I verwijst hier naar de spreker en is het onderwerp van de zin. In I need more time en I'll explain staat het voor de persoon die iets nodig heeft of zal uitleggen. Je gebruikt I als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt.
need
need betekent hier dat de spreker meer tijd nodig heeft om het rapport af te maken. In I need more time volgt na need wat nodig is. Je gebruikt deze vorm om een noodzakelijke behoefte of vereiste uit te drukken.
more
more geeft hier aan dat er een extra hoeveelheid tijd nodig is. In need more time staat het vóór time om die grotere hoeveelheid aan te geven. Je gebruikt more vóór een hoeveelheid wanneer je extra daarvan bedoelt.
time
time betekent hier de tijd die nodig is om aan het rapport te werken. In more time is het datgene waarvan de spreker een extra hoeveelheid nodig heeft. Je gebruikt time vaak om beschikbare of benodigde tijd voor een taak te beschrijven.
for
for geeft hier aan waarvoor de tijd nodig is: voor het rapport. In for the report verbindt het de benodigde tijd met de taak of het doel. Je gebruikt for vóór iets waarvoor tijd, moeite of een andere hulp bedoeld is.
the
the verwijst hier naar een specifiek rapport dat de gesprekspartners kennen. In the report staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Je gebruikt the wanneer duidelijk is over welk bepaald ding of document je spreekt.
report
report betekent hier een werkdocument dat nog afgemaakt moet worden. In the report verwijst het naar het concrete document van de spreker. Je gebruikt report in werksituaties voor een document met informatie of resultaten.
What's
What's betekent hier what is en opent de vraag What's slowing things down? De spreker vraagt welke oorzaak het werk vertraagt. Je gebruikt What's aan het begin van een informele vraag om te vragen wat iets is of wat er gebeurt.
slowing
slowing betekent hier dat iets het werk langzamer laat verlopen. In What's slowing things down? beschrijft het een oorzaak die nu voor minder voortgang zorgt. Je gebruikt slowing om aan te geven dat iets een proces of activiteit vertraagt.
things
things verwijst hier algemeen naar het werk en de lopende taken. In slowing things down is het datgene waarvan de voortgang langzamer wordt. Je gebruikt things wanneer je niet één specifiek onderdeel, maar zaken in het algemeen bedoelt.
down
down maakt in slowing things down duidelijk dat de snelheid of voortgang lager wordt. De betekenis ontstaat samen met slowing en things; down betekent hier niet letterlijk een plaats lager. Je gebruikt deze combinatie om te zeggen dat iets een proces vertraagt.
Some
Some geeft hier een niet nader bepaalde hoeveelheid informatie aan. In Some information is still missing staat het vóór information. Je gebruikt some wanneer er een bepaalde maar niet precies genoemde hoeveelheid van iets aanwezig of bedoeld is.
information
information betekent hier feiten of details die voor het rapport nodig zijn. In Some information is still missing gaat het om gegevens die nog niet beschikbaar zijn. Je gebruikt information voor inhoud of feiten die iemand moet ontvangen, controleren of toevoegen.
is
is verbindt hier het onderwerp met een toestand: de informatie is nog niet beschikbaar. In information is still missing en what is ready geeft het een toestand of situatie aan. Je gebruikt is bij een enkel onderwerp om een toestand of eigenschap te beschrijven.
still
still betekent hier dat de situatie tot nu toe voortduurt: de informatie ontbreekt nog steeds. In is still missing staat het vóór missing. Je gebruikt still om te benadrukken dat iets nog niet veranderd is.
missing
missing betekent hier dat iets niet beschikbaar of niet aanwezig is. In information is still missing beschrijft het de informatie die nog ontbreekt. Je gebruikt missing om aan te geven dat een benodigd onderdeel niet aanwezig is.
How
How vraagt hier naar de hoeveelheid of mate. In How much more time do you need? vormt het samen met much een vraag naar extra tijd. Je gebruikt How much vóór een hoeveelheid wanneer je wilt weten hoeveel ervan nodig is.
much
much geeft hier aan dat de vraag over de hoeveelheid tijd gaat. In How much more time vraagt het naar de omvang van de extra benodigde tijd. Je gebruikt much in vragen over een hoeveelheid die niet als losse telbare eenheden wordt genoemd.
do
do is hier een hulpwerkwoord dat nodig is om een vraag te vormen. In do you need staat het vóór you en need. Je gebruikt deze vraagstructuur om te vragen wat iemand nodig heeft of doet.
you
you verwijst hier naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. In How much more time do you need? is you degene die extra tijd nodig heeft. Je gebruikt you wanneer je één aangesproken persoon of meerdere aangesproken personen bedoelt.
Could
Could drukt hier een beleefd voorstel of verzoek uit. In Could we move the deadline...? vraagt de spreker voorzichtig of de deadline verplaatst kan worden. Je gebruikt Could aan het begin van een beleefde vraag, gevolgd door een werkwoordsvorm zoals move.
we
we verwijst hier naar de spreker en de andere persoon samen. In Could we move the deadline? stelt de spreker een gezamenlijke actie voor. Je gebruikt we als onderwerp wanneer jij en minstens één andere persoon samen bedoeld zijn.
move
move betekent hier de deadline naar een later moment verplaatsen. In Could we move the deadline to later this week? volgt na move wat verplaatst wordt. Je gebruikt move in deze betekenis voor het veranderen van de geplande tijd van een afspraak, taak of deadline.
deadline
deadline betekent hier het uiterste tijdstip waarop het rapport klaar moet zijn. In move the deadline to later this week gaat het om het wijzigen van dat tijdstip. Je gebruikt deadline voor de laatste toegestane tijd voor een taak of opdracht.
to
to geeft hier het nieuwe tijdstip van de deadline aan. In to later this week volgt het op move en wijst het naar het moment waarnaar de deadline wordt verplaatst. Je gebruikt to na een werkwoord van verplaatsen om de nieuwe bestemming of tijd aan te geven.
later
later betekent hier op een tijdstip na het eerder geplande moment. In later this week gaat het om een later moment binnen deze week. Je gebruikt later om een tijd na een genoemd of verondersteld eerder moment aan te duiden.
this
this verwijst hier naar de huidige week. In this week bepaalt het over welke week wordt gesproken. Je gebruikt this vóór een tijdsperiode wanneer die periode samenvalt met de huidige of bedoelde periode.
week
week betekent hier de huidige periode van zeven dagen. In later this week beperkt het de voorgestelde nieuwe deadline tot deze week. Je gebruikt week om een tijdsperiode voor werk, afspraken of plannen aan te geven.
That
That verwijst hier naar het voorstel om de deadline later deze week te zetten. In That works zegt de spreker dat dit voorstel aanvaardbaar is; in That will help verwijst het naar de genoemde uitleg of update. Je gebruikt That om naar een eerder genoemd voorstel, feit of plan te verwijzen.
works
works betekent hier dat de voorgestelde regeling acceptabel of geschikt is. In That works reageert de spreker positief op het voorstel. Je gebruikt work in deze betekenis om te zeggen dat een plan, tijdstip of oplossing voldoet; works is de vorm in That works.
but
but introduceert hier een beperking na de instemming met het voorstel. In That works, but send the team a short update wordt eerst akkoord gegaan en daarna een voorwaarde of extra verzoek toegevoegd. Je gebruikt but om twee delen met een tegenstelling of beperking te verbinden.
send
send is hier een direct verzoek om een bericht of informatie te bezorgen. In send the team a short update staat eerst de ontvanger en daarna wat die ontvangt. Je gebruikt send in werksituaties om iemand te vragen informatie, een bericht of een document door te geven.
team
team betekent hier de groep collega’s die over de wijziging geïnformeerd moet worden. In send the team a short update is het team de ontvanger van de update. Je gebruikt team voor een groep mensen die samen aan werk of een taak werkt.
a
a geeft hier aan dat het om één niet nader bepaalde update gaat. In a short update staat het vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord update. Je gebruikt a wanneer je één exemplaar van iets noemt zonder dat het al specifiek bepaald is.
short
short betekent hier beknopt en niet uitgebreid. In a short update beschrijft het hoeveel informatie nodig is voor het team. Je gebruikt short vóór een zelfstandig naamwoord om een beperkte lengte of duur aan te geven.
update
update betekent hier nieuwe informatie over de voortgang en de gewijzigde deadline. In send the team a short update is het een kort bericht voor de collega’s. Je gebruikt update voor informatie waarmee je anderen op de hoogte brengt van de huidige stand van zaken.
I'll
I'll betekent I will en drukt hier de toekomstige bedoeling van de spreker uit. In I'll explain zegt de spreker dat die de informatie zal toelichten. Je gebruikt I'll vóór een werkwoord om een voornemen of toekomstige actie van jezelf aan te geven.
explain
explain betekent hier iets duidelijk maken door informatie toe te lichten. In I'll explain what is ready and what is still missing volgt na explain de informatie die wordt uitgelegd. Je gebruikt explain vaak met what om te verduidelijken welke onderdelen klaar zijn of ontbreken.
what
what verwijst hier naar de onderdelen of informatie die worden geïdentificeerd. In what is ready en what is still missing leidt het telkens een deelzin in over wat klaar is of ontbreekt. Je gebruikt what op deze manier om te verwijzen naar datgene wat iemand wil uitleggen of weten.
ready
ready betekent hier dat iets voorbereid en beschikbaar is om verder te gebruiken of af te ronden. In what is ready beschrijft het de onderdelen van het rapport die al klaar zijn. Je gebruikt ready om aan te geven dat iets voorbereid is.
and
and verbindt hier twee soorten informatie: wat klaar is en wat nog ontbreekt. In what is ready and what is still missing koppelt het twee gelijk opgebouwde delen. Je gebruikt and om verwante informatie of handelingen naast elkaar te zetten.
will
will geeft hier een verwachte toekomstige uitwerking aan. In That will help beschrijft het wat het eerdere plan naar verwachting zal opleveren. Je gebruikt will vóór een werkwoord om een toekomstige actie of een toekomstig gevolg uit te drukken.
help
help betekent hier het voor iedereen gemakkelijker maken om rekening te houden met de vertraging. In will help everyone plan staat na help wie geholpen wordt en wat die persoon kan doen. Je gebruikt help vaak met een persoon of groep gevolgd door een handeling.
everyone
everyone verwijst hier naar alle mensen die bij het werk betrokken zijn. In help everyone plan is iedereen degene die door de update beter kan plannen. Je gebruikt everyone wanneer je alle personen in een bepaalde groep bedoelt.
plan
plan betekent hier toekomstige werkzaamheden organiseren in het licht van de vertraging. In help everyone plan around the delay volgt na plan waarmee rekening moet worden gehouden. Je gebruikt plan om te spreken over het organiseren van toekomstige acties of werkzaamheden.
around
around verbindt het plannen hier met de situatie waarmee rekening moet worden gehouden: de vertraging. In plan around the delay betekent het dat de planning aan die situatie wordt aangepast. Je gebruikt plan around + een situatie of probleem wanneer die situatie de planning beïnvloedt.
delay
delay betekent hier de vertraging van het rapport of de deadline. In plan around the delay is het de situatie waarmee iedereen bij de planning rekening moet houden. Je gebruikt delay voor een situatie waarin iets later gebeurt dan gepland.