Can
In “Can I use some cleaning spray?” vraagt “Can” of iemand iets mag gebruiken; hier gaat het om toestemming. Het staat voor de persoon in “Can I ...?” en wordt gevolgd door de basisvorm “use”. Je kunt hetzelfde patroon gebruiken voor een beleefd verzoek, zoals “Can I open the window?” (nieuw voorbeeld).
I
“I” betekent hier “ik” en is degene die de schoonmaakspray wil gebruiken. Het staat als onderwerp in “Can I use ...?” en komt na het hulpwerkwoord “Can”. Je gebruikt “I” wanneer je over jezelf spreekt, bijvoorbeeld in “I need help.” (nieuw voorbeeld)
use
“use” betekent hier dat je de schoonmaakspray gebruikt om schoon te maken. Na “Can” blijft “use” in deze basisvorm staan. Een bruikbaar patroon is “use + voorwerp”, zoals “use this bucket” (nieuw voorbeeld).
some
“some” geeft in “some cleaning spray” een niet nader bepaalde hoeveelheid schoonmaakspray aan: wat schoonmaakspray. Het staat vóór de combinatie “cleaning spray”. Je gebruikt “some” vaak wanneer je om een hoeveelheid vraagt of een hoeveelheid aanbiedt.
cleaning
“cleaning” beschrijft in “cleaning spray” waarvoor de spray dient: om schoon te maken. Samen met “spray” vormt het een benaming voor een schoonmaakproduct. Een vergelijkbaar patroon is “cleaning cloth” voor een doek om schoon te maken (nieuw voorbeeld).
spray
“spray” is in “cleaning spray” het schoonmaakmiddel waar A om vraagt. “Cleaning” geeft aan welk soort spray bedoeld wordt. Je kunt “spray” ook na een ander beschrijvend woord gebruiken, zoals “glass spray” (nieuw voorbeeld).
It
“It” verwijst in “It is under the sink” naar de schoonmaakspray die zojuist genoemd is. Het is het onderwerp van de zin die de plaats van dat voorwerp aangeeft. Je gebruikt “it” om naar één eerder genoemd ding te verwijzen.
is
“is” verbindt in “It is under the sink” de schoonmaakspray met haar plaats: onder de gootsteen. Hier geeft “is” dus de locatie aan. Het patroon “It is + plaats” kun je gebruiken om te zeggen waar één voorwerp zich bevindt.
under
“under” geeft in “under the sink” aan dat de spray zich onder de gootsteen bevindt. Het staat vóór de plaatsbepaling “the sink”. Je gebruikt “under + voorwerp” om een positie lager dan dat voorwerp te beschrijven.
the
“the” maakt in “the sink” duidelijk dat het om een specifieke gootsteen gaat, namelijk de gootsteen in de gedeelde woonruimte. Het staat vóór “sink”. Je gebruikt “the” wanneer de luisteraar kan weten welk voorwerp bedoeld is.
sink
“sink” betekent in “the sink” de gootsteen waaronder de schoonmaakspray staat. Samen met “the” vormt het de specifieke plaatsaanduiding “the sink”. Je kunt “sink” gebruiken met een plaatsvoorzetsel, zoals “under the sink”.
Did
“Did” leidt in “Did something spill?” een vraag over een eerdere gebeurtenis in. Het geeft de verleden tijd van de vraag aan, terwijl “spill” in de basisvorm blijft staan. Je gebruikt het patroon “Did + persoon of ding + basisvorm?” om naar een eerdere gebeurtenis te vragen.
something
“something” betekent in “Did something spill?” dat er mogelijk iets gemorst is, zonder te zeggen wat precies. Het is datgene waarnaar met “spill” gevraagd wordt. Je gebruikt “something” wanneer het voorwerp onbekend of niet belangrijk is.
spill
“spill” betekent in “Did something spill?” dat vloeistof of een andere inhoud gemorst wordt. Na “Did” staat deze basisvorm in de vraag. In een vraag over een mogelijke eerdere gebeurtenis gebruik je het patroon “Did something spill?”.
Juice
“Juice” is in “Juice spilled on the kitchen floor” de vloeistof die op de keukenvloer terechtkwam. Het staat aan het begin van de zin als onderwerp. Je kunt “juice” gebruiken voor een drank die uit fruit of groente komt.
spilled
“spilled” zegt in “Juice spilled on the kitchen floor” dat de sapvloeistof gemorst is en op de vloer terechtkwam. Deze vorm beschrijft hier de afgeronde gebeurtenis in het verleden. Je gebruikt “spilled” om te melden dat er iets gemorst is.
on
“on” geeft in “on the kitchen floor” aan op welk oppervlak het sap terechtkwam. Het verbindt “spilled” met “the kitchen floor”. Je gebruikt “on + oppervlak” om de plaats van iets op een oppervlak aan te geven.
kitchen
“kitchen” beschrijft in “the kitchen floor” bij welk deel van de woning de vloer hoort. Samen met “floor” vormt het de uitdrukking voor de keukenvloer. Je kunt een plaatsnaamwoord vóór een ander zelfstandig naamwoord zetten om het soort of de locatie te verduidelijken.
floor
“floor” betekent in “the kitchen floor” de vloer waarop het sap gemorst is. “The kitchen” specificeert om welke vloer het gaat. Je gebruikt “floor” voor het oppervlak waarop je in een kamer loopt.
Take
“Take” is in “Take the small bucket too” een aansporing om de kleine emmer mee te nemen. Het staat aan het begin van de instructie. Je gebruikt “Take + voorwerp” wanneer je iemand zegt iets mee te nemen.
small
“small” beschrijft in “the small bucket” de emmer als klein. Het staat vóór “bucket” en maakt duidelijk welke emmer bedoeld is. Je kunt “small” vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken om de afmeting ervan te beschrijven.
bucket
“bucket” betekent in “the small bucket” de emmer die A moet meenemen om de dweil uit te spoelen. Het woord wordt gespecificeerd door “small”. Je gebruikt “bucket” voor een bak met een handvat waarin je bijvoorbeeld water kunt doen.
too
“too” betekent in “the small bucket too” dat de kleine emmer ook meegenomen moet worden, naast de schoonmaakspray. Het staat aan het einde van deze opdracht. Je gebruikt “too” om extra informatie toe te voegen: iets geldt ook voor een tweede persoon of voorwerp.
so
“so” verbindt in “so you can rinse the mop” de opdracht met het doel ervan: de emmer meenemen zodat de dweil uitgespoeld kan worden. Het leidt hier een doelzin in. Een bruikbaar patroon is “so + persoon + can + handeling” om een doel uit te leggen.
you
“you” verwijst in “so you can rinse the mop” naar de persoon die de emmer meeneemt en de dweil zal uitspoelen. Het is het onderwerp van de bijzin. Je gebruikt “you” wanneer je rechtstreeks tegen één persoon of meerdere personen spreekt.
rinse
“rinse” betekent in “rinse the mop” de dweil met water uitspoelen. Het staat na “can” in de basisvorm. Je gebruikt het patroon “rinse + voorwerp” wanneer je iets met water schoonspoelt.
mop
“mop” betekent in “rinse the mop” de dweil die voor het schoonmaken van de vloer gebruikt wordt. Het is het voorwerp van “rinse”. Je gebruikt “mop” voor het schoonmaakgereedschap waarmee je een vloer dweilt.
That
“That” verwijst in “That helps” naar de hulp of de aangeboden schoonmaakspullen uit de vorige beurt. Het maakt duidelijk wat volgens A nuttig is. Je gebruikt “That” om naar een zojuist genoemde handeling, situatie of informatie te verwijzen.
helps
“helps” betekent in “That helps” dat de hulp of de spullen de situatie gemakkelijker maken. Het beschrijft hier het nut van wat B heeft aangeboden. Je kunt “helps” gebruiken om te zeggen dat iets iemand ondersteunt of een probleem vermindert.
will
“will” geeft in “I will bring both back” aan dat A van plan is de spullen later terug te brengen. Het staat vóór de basisvorm “bring”. Je gebruikt “will + basisvorm” om een toekomstige handeling of toezegging uit te drukken.
bring
“bring” betekent in “I will bring both back” dat A de spullen terug naar B zal brengen. Na “will” staat “bring” in de basisvorm, en “back” maakt de terugkeer duidelijk. Een bruikbaar patroon is “bring + voorwerp + back” wanneer je iets terugbrengt.
both
“both” betekent in “both back” dat A de twee geleende spullen allebei zal terugbrengen. Het verwijst hier naar de schoonmaakspray en de emmer. Je gebruikt “both” wanneer precies twee personen of voorwerpen samen bedoeld zijn.
back
“back” geeft in “bring both back” aan dat de spullen teruggaan naar hun eerdere eigenaar of plaats. Samen met “bring” betekent het “terugbrengen”. Je gebruikt het patroon “bring + voorwerp + back” voor het terugbrengen van iets.
when
“when” verbindt in “when I finish” het terugbrengen met het moment waarop A klaar is met schoonmaken. Hier betekent het “als” of “wanneer”. Je gebruikt “when + gebeurtenis” om aan te geven wanneer een andere handeling plaatsvindt.
finish
“finish” betekent in “when I finish” dat A klaar is met de schoonmaakklus. Na “I” staat de basisvorm “finish”. Je gebruikt “finish” om aan te geven dat een taak of activiteit voltooid is.
Leave
“Leave” is in “Leave them by my door” een instructie om de spullen bij de deur achter te laten of neer te zetten. Het staat aan het begin van de opdracht. Je gebruikt “Leave + voorwerp + plaats” om te zeggen waar iemand iets moet achterlaten.
them
“them” verwijst in “Leave them by my door” naar de schoonmaakspullen die A heeft geleend. Het is datgene wat bij de deur moet worden achtergelaten. Je gebruikt “them” wanneer je naar meerdere eerder genoemde voorwerpen of personen verwijst.
by
“by” geeft in “by my door” aan dat de spullen vlak bij de deur moeten komen te staan. Het staat vóór “my door” als plaatsbepaling. Je gebruikt “by + plaats” om een plek ernaast of in de buurt aan te geven.
my
“my” betekent in “my door” dat de deur bij B hoort. Het staat vóór “door” en geeft aan van wie de deur is. Je gebruikt “my” vóór een zelfstandig naamwoord om bezit of verbondenheid met jezelf aan te geven.
door
“door” betekent in “my door” de deur waar de geleende spullen bij moeten worden neergezet. “My” maakt duidelijk welke deur bedoeld is. Je gebruikt “door” voor een ingang of afsluiting van een kamer of woning.
once
“once” betekent in “once everything is dry” “zodra”: de spullen moeten bij de deur worden gezet nadat alles droog is. Het leidt een tijdsbepaling in. Je gebruikt “once + gebeurtenis” om een handeling te koppelen aan het moment waarop iets klaar of gebeurd is.
everything
“everything” betekent in “everything is dry” alles wat door het schoonmaken nat is geworden of nog moet drogen. Het verwijst naar het geheel, niet naar één afzonderlijk voorwerp. Je gebruikt “everything” wanneer alle relevante dingen samen bedoeld zijn.
dry
“dry” beschrijft in “everything is dry” de toestand waarin niets meer nat is. Het staat na “is” en zegt hoe alles is. Je gebruikt “dry” om de toestand van een oppervlak of voorwerp te beschrijven nadat vocht verdwenen is.
appreciate
“appreciate” betekent in “I appreciate your help” dat A de hulp waardeert en er dankbaar voor is. Het is een manier om dank uit te drukken voor de hulp bij de rommel. Je gebruikt “appreciate + hulp” om iemand te laten weten dat diens hulp belangrijk voor je is.
your
“your” betekent in “your help” dat de hulp van de aangesprokene komt. Het staat vóór “help” en maakt duidelijk van wie de hulp is. Je gebruikt “your” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer iets bij de ander hoort of door de ander wordt gedaan.
help
“help” betekent in “your help” de ondersteuning die B geeft bij het opruimen van de gemorste sapvloeistof. Samen met “your” verwijst het naar de hulp van B. Je gebruikt “help” voor ondersteuning bij een taak of probleem.
with
“with” verbindt in “help with this mess” de hulp met het probleem waarbij die hulp nodig is. Het leidt hier “this mess” in. Je gebruikt het patroon “help with + taak of probleem” om te zeggen waarbij iemand helpt.
this
“this” verwijst in “this mess” naar de rommel die in de huidige situatie door het gemorste sap is ontstaan. Het maakt duidelijk dat het om deze specifieke rommel gaat. Je gebruikt “this” vóór een zelfstandig naamwoord voor iets dat dichtbij is in de situatie of zojuist besproken is.
mess
“mess” betekent in “this mess” de rommel op de keukenvloer die door het morsen is ontstaan. Het is het probleem waarbij B heeft geholpen. Je gebruikt “mess” voor een rommelige of ongeordende situatie of plaats.
Just
“Just” verzacht in “Just make sure” de instructie en geeft de betekenis “gewoon” of “alleen maar”. Het maakt de waarschuwing praktisch en direct. Je gebruikt “Just” aan het begin van een eenvoudige instructie wanneer je de aandacht op één belangrijk punt wilt richten.
make sure
“make sure” betekent als geheel in “Just make sure the floor is not slippery afterward” dat je ervoor moet zorgen dat de vloer daarna niet glad is. “Make” drukt het ervoor zorgen uit en “sure” voegt het idee van zekerheid toe; samen vormen ze één vaste uitdrukking. Een bruikbaar patroon is “make sure + zin”, zoals “Make sure the door is locked.” (nieuw voorbeeld)
not
“not” maakt in “is not slippery” de beschrijving negatief: de vloer mag niet glad zijn. Het staat vóór “slippery”. Je gebruikt “not” om een toestand of eigenschap te ontkennen.
slippery
“slippery” betekent in “the floor is not slippery” dat een oppervlak glad en daardoor lastig of onveilig om op te lopen kan zijn. Hier zegt “not” dat de vloer die eigenschap na het schoonmaken niet mag hebben. Je gebruikt “slippery” om een oppervlak te beschrijven waarop je gemakkelijk kunt uitglijden.
afterward
“afterward” betekent in “not slippery afterward” “daarna”: nadat de vloer is schoongemaakt en gedroogd. Het verwijst naar een later moment in dezelfde situatie. Je gebruikt “afterward” om te zeggen wat na een handeling of gebeurtenis moet gelden.