I
“I” verwijst hier naar de persoon die spreekt: de spreker zelf. Gebruik “I” als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt. Nieuw voorbeeld: “I work from home.”
started
“started” betekent hier dat de spreker met joggen is begonnen. Het is de verleden vorm van start; in “I started jogging” volgt de activiteit waarmee iemand begon. Gebruik het patroon “I started + activiteit”.
jogging
“jogging” verwijst hier naar rustig hardlopen als sportieve activiteit. Het is de -ing-vorm van jog en staat na started om de activiteit te benoemen waarmee de spreker begon. Nieuw voorbeeld: “I enjoy jogging.”
after
“after” plaatst “work” later in de tijd: de spreker begon met joggen nadat het werk was afgelopen. Gebruik “after” om aan te geven dat een gebeurtenis of periode vóór iets anders eindigt. Nieuw voorbeeld: “Call me after dinner.”
work
“work” betekent hier het werk of de werktijd van de spreker. In “after work” verwijst het naar de tijd na het werk, niet naar een plaats. Nieuw voorbeeld: “I exercise after work.”
How is it going
“How is it going” vraagt hoe iets verloopt, hier de nieuwe joggingroutine. “How” vraagt naar de manier of toestand, “is” verbindt het onderwerp met de huidige situatie, “it” verwijst naar de activiteit en “going” draagt het idee van verloop; samen vraag je naar de voortgang. Gebruik “How is it going?” om naar de voortgang van een activiteit of situatie te vragen.
so far
“so far” betekent hier “tot nu toe”: B vraagt naar het verloop vanaf het begin van het joggen tot het moment van het gesprek. “So” geeft de mate aan en “far” markeert hoe ver de tijd tot dit moment reikt. Nieuw voorbeeld: “So far, the plan is working.”
My
“My” geeft aan dat iets bij de spreker hoort of met de spreker verbonden is. In “My pace” gaat het om het tempo van de spreker. Nieuw voorbeeld: “My route is short.”
pace
“pace” betekent hier het tempo waarmee iemand hardloopt. In “My pace” beschrijft het woord de snelheid van de spreker tijdens het joggen. Gebruik “pace” bij lopen of hardlopen om iemands tempo aan te duiden.
slow
“slow” betekent hier dat het tempo niet snel is. Het beschrijft in “My pace is slow” de snelheid van het joggen. Gebruik “slow” om een tempo of proces als niet snel te beschrijven.
but
“but” verbindt twee ideeën die tegenover elkaar staan: het tempo is langzaam, maar de spreker wordt beter. Gebruik “but” in een patroon als “X, but Y” wanneer de tweede gedachte een tegenstelling of beperking bij de eerste vormt.
am
“am” verbindt “I” met de huidige ontwikkeling in “I am improving”. Het is de vorm van be die bij I hoort en helpt hier een lopende actie of verandering uit te drukken. Gebruik “I am” vóór een -ing-vorm om te zeggen wat je op dit moment aan het doen of ontwikkelen bent.
improving
“improving” betekent hier dat de spreker steeds beter wordt. Het is de -ing-vorm van improve en staat na “I am” om een verandering die nu plaatsvindt uit te drukken. Nieuw voorbeeld: “I am improving every week.”
Do
“Do” helpt in “Do you have a regular route?” om een vraag te vormen. Het draagt hier niet de hoofd betekenis van de vraag; samen met “you have” vraagt het of de aangesprokene iets heeft. Gebruik “Do you ...?” om in het Engels naar iets te vragen dat iemand doet of heeft.
you
“you” verwijst naar de persoon die wordt aangesproken. In “Do you have” vraagt B rechtstreeks naar de route van die persoon. Gebruik “you” voor één of meer aangesproken personen.
have
“have” betekent hier dat iemand een vaste route heeft of gebruikt. Na “Do you” staat de vorm “have” in “Do you have a regular route?”. Gebruik het patroon “Do you have + iets?” om te vragen of iemand iets heeft.
a
“a” introduceert in “a regular route” één niet nader bepaalde route. Het laat zien dat B naar een route vraagt zonder dat die route al eerder is genoemd. Gebruik “a” vóór een enkelvoudig, niet-specifiek ding.
regular
“regular” betekent hier gebruikelijk of steeds terugkerend. In “a regular route” beschrijft het een route die de spreker gewoonlijk volgt. Gebruik “regular” bij iets dat volgens een vast of herhaald patroon gebeurt.
route
“route” betekent hier het pad dat de spreker tijdens het hardlopen volgt. In “a regular route” gaat het om een vaste loopweg. Gebruik “route” voor de weg of het traject van het ene punt naar het andere.
usually
“usually” betekent hier “meestal” of “normaal gesproken”. Het staat in “I usually run” vóór de hoofdhandeling run en geeft aan dat dit in de meeste gevallen gebeurt. Nieuw voorbeeld: “I usually walk to work.”
run
“run” betekent hier hardlopen of zich snel te voet voortbewegen. In “I usually run around the park” benoemt het de activiteit die de spreker meestal doet. Gebruik “run” met een plaats of route om te zeggen waar je hardloopt.
around
“around” geeft in “around the park” aan dat de route rondom of in de omgeving van het park loopt. Het verbindt de beweging met de plaats waar die plaatsvindt. Nieuw voorbeeld: “We walked around the lake.”
the
“the” verwijst in “the park” naar een specifiek park dat in deze context bekend of bedoeld is. Gebruik “the” wanneer de luisteraar kan herkennen over welk ding of welke plaats je spreekt.
park
“park” betekent hier een openbare groene plaats waar de spreker hardloopt. In “around the park” is het park het herkenbare gebied waar de route omheen of door de omgeving ervan loopt. Gebruik “park” voor een plaats buiten waar mensen kunnen wandelen of sporten.
What
“What” vraagt hier om informatie over het soort doel dat de aangesprokene nastreeft. In “What goal” staat het vóór het zelfstandig naamwoord waarover de vraag gaat. Gebruik “What + zelfstandig naamwoord” om te vragen welke informatie of welk ding bedoeld wordt.
goal
“goal” betekent hier iets dat iemand wil bereiken met het joggen. In “What goal are you working toward?” vraagt B naar het gewenste resultaat van de inspanning. Gebruik “goal” voor een persoonlijk of praktisch doel dat je probeert te bereiken.
are
“are” verbindt “you” met de huidige inspanning in “are you working toward”. Het is de vorm van be die hier bij you hoort en helpt de vraag over de lopende activiteit te vormen. Gebruik “Are you ...?” om naar een huidige activiteit of toestand van de aangesprokene te vragen.
working
“working” betekent hier actief proberen iets te bereiken. In “are you working toward” gaat het om inspanning leveren in de richting van een doel. Het is de -ing-vorm van work. Gebruik het patroon “work toward + doel” voor inspanning die op een bepaald resultaat gericht is.
toward
“toward” geeft de richting van het streven aan: de inspanning gaat naar een doel toe. In “working toward” volgt daarna het doel waar iemand naartoe werkt. Nieuw voorbeeld: “She is working toward a deadline.”
want
“want” betekent hier dat de spreker iets wenst of als doel heeft. In “I want to jog” leidt het woord de gewenste actie in. Gebruik het patroon “want to + werkwoord” om te zeggen wat je wilt doen.
to
“to” markeert in “to jog” de actie die de spreker wil uitvoeren. Het staat hier na want en vóór de werkwoordsvorm jog. Gebruik “want to + werkwoord” om een gewenste handeling uit te drukken.
jog
“jog” betekent hier rustig hardlopen als lichaamsbeweging. In “to jog” benoemt het de activiteit die de spreker zonder onderbreking wil uitvoeren. Gebruik “jog” voor hardlopen in een rustig tempo, meestal als vorm van beweging of training.
without
“without” betekent hier dat iets niet gebeurt: de spreker wil joggen zonder te stoppen. In “without stopping” leidt het woord de handeling in die achterwege blijft. Gebruik het patroon “without + -ing-vorm” om te zeggen dat iemand iets doet zonder een andere handeling uit te voeren. Nieuw voorbeeld: “He left without saying goodbye.”
stopping
“stopping” betekent hier het onderbreken of beëindigen van het joggen. Het is de -ing-vorm van stop en staat na without in “without stopping”. Nieuw voorbeeld: “She kept walking without stopping.”
That
“That” verwijst hier naar het zojuist genoemde doel: joggen zonder te stoppen. Aan het begin van “That is realistic” gebruikt B het woord om op die volledige eerdere gedachte terug te wijzen. Gebruik “That” ook om in een reactie naar een net genoemde gedachte of situatie te verwijzen.
realistic
“realistic” betekent hier mogelijk en redelijk om te bereiken. In “That is realistic” beoordeelt B het doel van de spreker als haalbaar. Gebruik “realistic” bijvoorbeeld bij een goal, plan of verwachting die bij de omstandigheden past.
if
“if” introduceert hier de voorwaarde waaronder het doel realistisch is: de spreker moet langzaam opbouwen. Gebruik “if” om een voorwaarde en het mogelijke gevolg daarvan met elkaar te verbinden, zoals in “If X, Y”.
build up
“build up” betekent hier iets geleidelijk opbouwen of verhogen. “Build” brengt het idee van opbouwen, terwijl “up” aangeeft dat iets naar een hoger niveau gaat; samen beschrijven ze een geleidelijke toename, met “slowly” als aanwijzing voor het tempo. Gebruik “build up” met iets dat geleidelijk sterker, groter of langer wordt. Nieuw voorbeeld: “Build up your distance slowly.”
slowly
“slowly” betekent hier geleidelijk en niet snel. In “build up slowly” beschrijft het hoe de opbouw moet gebeuren. Gebruik “slowly” bij een werkwoord om aan te geven dat een handeling stap voor stap of in een rustig tempo verloopt.