I
“I” betekent hier “ik” en is degene die wacht. Het staat als onderwerp vóór de werkwoordgroep, zoals in “I am still waiting for my turn”.
am
“am” betekent hier “ben” en vormt samen met “waiting” de uitdrukking “I am still waiting”. Bij “I” hoort deze vorm van “to be”.
still
“still” betekent hier “nog steeds”: het wachten duurt voort. Je gebruikt het vóór de handeling, zoals in “I am still waiting for my turn”.
waiting
“waiting” betekent hier “wachten” en beschrijft een handeling die nu bezig is. Samen met “am” staat het in “I am still waiting”; een herbruikbaar patroon is “I am waiting for ...” als nieuw voorbeeld.
for
“for” betekent hier “op” in de vaste combinatie “waiting for”. Na “waiting for” noem je waarop of op wie je wacht, zoals in “waiting for my turn”.
my
“my” betekent hier “mijn” en geeft aan dat de beurt bij de spreker hoort. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord in “my turn”.
turn
“turn” betekent hier “beurt”, dus het moment waarop de spreker aan de beurt is. De vaste combinatie in deze dialoog is “waiting for my turn”; een nieuw voorbeeld is “It is your turn”.
They
“They” verwijst hier naar de mensen die de wachtenden oproepen. Het staat als onderwerp aan het begin van “They are taking a long time to call each person today”.
are
“are” betekent hier “zijn” en vormt samen met “taking” de werkwoordgroep “They are taking”. Bij “They” hoort deze vorm van “to be”.
taking
“taking” draagt hier bij aan de uitdrukking “are taking a long time”: iets duurt lang. In deze zin gaat het niet om iets fysiek meenemen; je gebruikt “taking a long time” voor een proces dat veel tijd kost.
a
“a” betekent hier “een” en staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord in “a long time”. Het maakt “time” onderdeel van de uitdrukking “taking a long time”.
long
“long” betekent hier “lang” en beschrijft de hoeveelheid tijd in “a long time”. Het staat vóór “time”, zoals in “a long time”.
time
“time” betekent hier “tijd”. In “taking a long time” verwijst het naar de duur die nodig is om iedereen op te roepen.
to
“to” is hier het woord vóór de werkwoordsvorm “call” en leidt het doel of de handeling in “to call each person” in. Het patroon “to call ...” kan ook in een nieuw voorbeeld worden gebruikt.
call
“call” betekent hier “oproepen”: de medewerkers laten elke wachtende aan de beurt komen. In “to call each person” staat er een persoon direct achter als degene die wordt opgeroepen.
each
“each” betekent hier “elke” of “ieder” en benadrukt de personen één voor één. In “each person” staat het vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord.
person
“person” betekent hier “persoon”. In “each person” gaat het om iedere afzonderlijke wachtende.
today
“today” betekent hier “vandaag” en geeft aan wanneer het oproepen plaatsvindt. Het staat aan het einde van “They are taking a long time to call each person today”.
So
“So” betekent hier “dus” en verbindt de lange wachttijd met de conclusie van de spreker. Het staat aan het begin van “So I should stay nearby”.
should
“should” betekent hier “zou moeten” en geeft een advies of verstandige keuze aan: de spreker blijft in de buurt. Het staat vóór de werkwoordsvorm “stay”, zoals in “should stay nearby”.
stay
“stay” betekent hier “blijven”, namelijk op dezelfde plek of in dezelfde omgeving. Na “should” komt de vorm “stay” zonder extra uitgang; een nieuw patroon is “You should stay ...”.
nearby
“nearby” betekent hier “in de buurt” en beschrijft waar de spreker moet blijven. In “stay nearby” staat het direct na het werkwoord.
may
“may” betekent hier “kunnen” in de betekenis dat iets mogelijk is: ze kunnen de luisteraar binnenkort oproepen. Het staat vóór “call” in “They may call you soon”.
you
“you” betekent hier “je” of “jou” en is degene die mogelijk wordt opgeroepen. In “They may call you soon” staat het na “call” als de persoon op wie de handeling gericht is.
soon
“soon” betekent hier “binnenkort” en geeft aan dat de oproep mogelijk niet lang meer op zich laat wachten. Het staat aan het einde van “They may call you soon”.
Which
“Which” betekent hier “welke” en vraagt om één keuze uit bekende mogelijkheden. In “Which counter should I watch?” staat het vóór “counter”.
counter
“counter” betekent hier “balie”, de balie waar de spreker naartoe moet. In “Which counter” volgt het zelfstandig naamwoord direct na “Which”.
watch
“watch” betekent hier “in de gaten houden”, namelijk opletten welke balie aan de beurt is. In “should I watch” staat het na het onderwerp en het hulpwerkwoord; een nieuw patroon is “watch the screen”.
The
“The” betekent hier “de” en verwijst naar een specifiek scherm in de wachtruimte. Het staat vóór “screen” in “The screen will show the right counter”.
screen
“screen” betekent hier “scherm”, waarop de juiste balie wordt getoond. In “The screen” is het scherm het onderwerp van de zin.
will
“will” geeft hier aan dat het scherm later de juiste balie zal tonen. Het staat vóór de werkwoordsvorm “show” in “will show”.
show
“show” betekent hier “tonen” of “laten zien”. Na “will” blijft de vorm “show” onveranderd, zoals in “The screen will show the right counter”.
right
“right” betekent hier “juiste” en specificeert welke balie op het scherm verschijnt. Het staat vóór “counter” in “the right counter”.
Then
“Then” betekent hier “dan” en verwijst naar wat de spreker vervolgens gaat doen. Het staat aan het begin van “Then I'll keep the ticket in my hand”.
I'll
“I'll” is de verkorte vorm van “I will” en betekent hier “ik zal”. In “Then I'll keep the ticket in my hand” introduceert het een voornemen of volgende handeling.
keep
“keep” betekent hier “houden”: de spreker houdt het ticket bij zich, in de hand. Na “I'll” staat de vorm “keep”; in “keep the ticket in my hand” volgt eerst het voorwerp en daarna de plaats.
ticket
“ticket” betekent hier “ticket” of “kaartje”, het bewijs dat de spreker bij zich houdt. In “the ticket” staat het na “keep” als het voorwerp van de handeling.
in
“in” betekent hier “in” en geeft de plaats aan in “in my hand”. Het staat vóór “my hand”.
hand
“hand” betekent hier “hand”. In “in my hand” beschrijft het waar de spreker het ticket houdt.
That
“That” betekent hier “dat” en verwijst naar het eerder genoemde ticket in de hand houden. Het staat als onderwerp aan het begin van “That makes it easier”.
makes
“makes” betekent hier “maakt” en verbindt het vasthouden van het ticket met het gevolg dat iets gemakkelijker wordt. In “That makes it easier” staat het vóór “it” en “easier”.
it
“it” verwijst hier naar de situatie of handeling die eerder is genoemd en maakt de zin “That makes it easier” compleet. Samen met “easier” betekent dit dat iets minder moeilijk wordt.
easier
“easier” betekent hier “makkelijker” en beschrijft het gevolg van het ticket in de hand houden. Het staat in de vaste constructie “makes it easier”; een nieuw voorbeeld is “This makes it easier to find the counter”.
when
“when” betekent hier “als” of “wanneer” en leidt het moment in waarop de beurt van de luisteraar komt. Het staat vóór “your turn comes” in “when your turn comes”.
your
“your” betekent hier “jouw” of “je” en geeft aan dat de beurt bij de luisteraar hoort. Het staat vóór “turn” in “your turn”.
comes
“comes” betekent hier “komt” in de uitdrukking “your turn comes”: het moment van de beurt breekt aan. Het staat na het onderwerp “your turn” in de bijzin “when your turn comes”.