Reisdocumenten controleren | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: Before leaving for a trip, two adults check travel documents, a saved reservation, and a printed copy..

NL → EN / Niveau: A2

Over deze les

Met Reisdocumenten controleren oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Could you help me check the travel documents before we leave?

Koed joe help mie tsjek dhuh trevul dokjoemunts bifoor wie liev? Kun je me helpen de reisdocumenten te controleren voordat we vertrekken?
B

Let's start with your passport and boarding pass.

Lets start widh joor paspoort un boording pes. Laten we beginnen met je paspoort en instapkaart.
A

My passport is in the inside pocket.

Mai paspoort iz in dhi insaid pokut. Mijn paspoort zit in het binnenvak.
B

Did you confirm the hotel reservation too?

Did joe kunferm dhuh hooteel rezurveisjun toe? Heb je de hotelreservering ook bevestigd?
A

The confirmation email is saved on my phone.

Dhi konfermeisjun iemeel iz seivd on mai foon. De bevestigingsmail staat op mijn telefoon opgeslagen.
B

Do you have a printed copy in case your phone dies?

Doe joe hev uh printid kopie in keis joor foon daiz? Heb je een afgedrukte kopie voor het geval je telefoon uitvalt?
A

I printed one and put it in the folder.

Ai printid wun un poet it in dhuh fouldur. Ik heb er een uitgeprint en in de map gedaan.
B

Then we have everything we need.

Dhen wie hev evri-thing wie nied. Dan hebben we alles wat we nodig hebben.

Woord voor woord

Could In “Could you help me check the travel documents before we leave?”, betekent “Could” dat de spreker beleefd om hulp vraagt: “zou je kunnen”. Na “Could” staat “help” zonder “to”. Gebruik het patroon “Could you + werkwoord?” wanneer je iemand beleefd om iets vraagt.
you “you” verwijst hier naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld: “je” of “jij”. In “Could you help...” is “you” degene die de hulp kan geven. Gebruik “Could you...” om iemand beleefd om een handeling te vragen.
help “help” betekent hier “helpen”: de aangesprokene wordt gevraagd mee te controleren. In “help me check” staat na “help” de persoon die hulp krijgt en daarna de handeling. Gebruik het patroon “help + persoon + werkwoord”, bijvoorbeeld bij hulp met een taak.
me “me” betekent hier “mij” en verwijst naar de spreker, die hulp vraagt. In “help me check” is “me” degene die geholpen wordt. Gebruik “help me + werkwoord” wanneer je om hulp bij je eigen handeling vraagt.
check “check” betekent hier “controleren”: de reisdocumenten worden nagekeken. In “help me check the travel documents” volgt na “check” het gecontroleerde object. Gebruik “check + document, informatie of item” wanneer je iets wilt nakijken.
the “the” maakt in “the travel documents” duidelijk dat het om bepaalde reisdocumenten gaat die in deze situatie bekend zijn. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord. Gebruik “the + zelfstandig naamwoord” voor iets specifieks dat de gesprekspartners kunnen herkennen.
travel In “travel documents” geeft “travel” aan dat de documenten met reizen te maken hebben: reisdocumenten. Het staat vóór “documents” en bepaalt welk soort documenten bedoeld wordt. Gebruik “travel + zelfstandig naamwoord” om iets met reizen te beschrijven.
documents “documents” betekent hier “documenten” en verwijst naar de papieren of digitale reisbewijzen die gecontroleerd worden. De vorm staat in “the travel documents” als het object van “check”. Gebruik “documents” voor officiële of belangrijke stukken informatie.
before In “before we leave” betekent “before” “voordat” en geeft het aan dat de controle eerder gebeurt dan het vertrek. Na “before” volgt hier “we leave”, dus een onderwerp met een werkwoord. Gebruik “before + onderwerp + werkwoord” om de volgorde van twee gebeurtenissen aan te geven.
we “we” betekent “we” of “wij” en omvat de spreker en minstens één andere persoon. In “before we leave” is “we” degene die vertrekt. Gebruik “we + werkwoord” wanneer je over jezelf en anderen samen spreekt.
leave “leave” betekent hier “vertrekken”, namelijk vertrekken voor de reis. In “before we leave” beschrijft het de gebeurtenis die na de controle zal plaatsvinden. Gebruik “leave” wanneer iemand een plaats verlaat of aan een reis begint.
Let's “Let's” is de verkorte vorm van “let us” en betekent hier “laten we”: de spreker doet een gezamenlijk voorstel. In “Let's start...” volgt direct de handeling die samen wordt voorgesteld. Gebruik “Let's + werkwoord” om samen een activiteit voor te stellen.
start “start” betekent hier “beginnen”: de controle begint met het paspoort en de instapkaart. In “start with your passport...” geeft “with” aan waarmee de reeks begint. Gebruik het patroon “start with + eerste item” bij een taak of reeks controles.
with In “start with your passport” betekent “with” “met” en markeert het eerste onderdeel van de controle. Het hoort hier bij het patroon “start with + item”. Gebruik “with” om aan te geven waarmee een activiteit begint.
your “your” betekent hier “je” of “jouw” en geeft aan dat het paspoort en de instapkaart van de aangesprokene zijn. Het staat vóór “passport”. Gebruik “your + zelfstandig naamwoord” om iets aan de gesprekspartner toe te schrijven.
passport “passport” betekent “paspoort”, een van de reisdocumenten die gecontroleerd worden. In “your passport” wordt het gekoppeld aan de persoon die wordt aangesproken. Gebruik “passport” wanneer je over dit officiële reisdocument spreekt.
and “and” betekent “en” en verbindt in “your passport and boarding pass” twee documenten die samen gecontroleerd worden. Het kan twee woorden of woordgroepen met elkaar verbinden. Gebruik “X and Y” wanneer beide onderdelen bedoeld zijn.
boarding In “boarding pass” verwijst “boarding” naar het instappen in het vliegtuig. Samen met “pass” vormt het de uitdrukking voor een instapkaart. Gebruik “boarding” hier als onderdeel van “boarding pass” bij het spreken over vliegreizen.
pass In “boarding pass” betekent “pass” hier een kaart of document voor het instappen. De volledige uitdrukking “boarding pass” betekent “instapkaart”. Gebruik deze combinatie op een luchthaven wanneer je over je instapdocument spreekt.
My “My” betekent “mijn” en geeft aan dat het paspoort van de spreker is. Het staat vóór “passport”. Gebruik “my + zelfstandig naamwoord” om iets aan jezelf toe te schrijven.
is In “My passport is in the inside pocket” geeft “is” aan waar het paspoort zich bevindt. “is” is hier een vorm van “be”. Gebruik het patroon “X is in + plaats” om de locatie van iets te beschrijven.
in In “in the inside pocket” betekent “in” “in” en geeft het aan dat het paspoort zich binnen een vak bevindt. Het staat vóór de plaatsaanduiding “the inside pocket”. Gebruik “in + plaats of ruimte” om een locatie aan te geven.
inside In “the inside pocket” betekent “inside” “binnenste” of “binnen-”: het gaat om het vak aan de binnenkant. Het staat vóór “pocket” en beschrijft welk vak bedoeld is. Gebruik “inside + zelfstandig naamwoord” om iets aan de binnenkant aan te duiden.
pocket “pocket” betekent hier “vak” of “zak”; in deze zin is het een binnenvak waarin het paspoort zit. In “the inside pocket” wordt het nader bepaald door “inside”. Gebruik “pocket” voor een vak in bijvoorbeeld kleding, een tas of een map.
Did “Did” opent in “Did you confirm the hotel reservation too?” een vraag over het bevestigen van de reservering. Na “Did” staat de werkwoordsvorm “confirm”. Gebruik het patroon “Did you + werkwoord?” om te vragen of iemand iets heeft gedaan.
confirm “confirm” betekent hier “bevestigen”: de spreker vraagt of de hotelreservering bevestigd is. In “confirm the hotel reservation” volgt na het werkwoord wat bevestigd wordt. Gebruik “confirm + reservering, afspraak of informatie” wanneer je de juistheid of geldigheid ervan bevestigt.
hotel In “hotel reservation” geeft “hotel” aan dat de reservering betrekking heeft op een hotel. Het staat vóór “reservation” en bepaalt welk soort reservering bedoeld wordt. Gebruik “hotel + zelfstandig naamwoord” om iets dat met een hotel te maken heeft te beschrijven.
reservation “reservation” betekent “reservering” en verwijst hier naar de geboekte hotelaccommodatie. In “the hotel reservation” wordt duidelijk om welke reservering het gaat. Gebruik “reservation” voor een vooraf vastgelegde plaats, kamer of dienst.
too “too” betekent hier “ook” en voegt de hotelreservering toe aan de eerder genoemde documenten. Het staat aan het einde van de vraag “Did you confirm the hotel reservation too?”. Gebruik “too” vaak aan het einde van een zin wanneer je iets extra’s aan een eerdere handeling toevoegt.
confirmation In “confirmation email” verwijst “confirmation” naar de bevestiging van de reservering. Samen betekent “confirmation email” “bevestigingsmail”. Gebruik “confirmation + zelfstandig naamwoord” om aan te geven dat iets een bevestiging bevat of ermee te maken heeft.
email “email” betekent “e-mail” en is hier het bericht waarin de reserveringsbevestiging staat. In “The confirmation email” wordt het nader bepaald door “confirmation”. Gebruik “email” voor een elektronisch bericht dat je ontvangt of verstuurt.
saved “saved” betekent hier “opgeslagen”: de bevestigingsmail is op de telefoon bewaard. In “is saved on my phone” beschrijft het de opgeslagen toestand van de e-mail; de basisvorm is “save”. Gebruik “saved on + apparaat” om te zeggen waar digitale informatie bewaard is.
on In “saved on my phone” betekent “on” “op” en geeft het aan op welk apparaat de e-mail is opgeslagen. Het hoort hier bij “saved on my phone”. Gebruik “saved on + apparaat” wanneer je de opslaglocatie van digitale informatie noemt.
phone “phone” betekent “telefoon” en is hier het apparaat waarop de bevestigingsmail staat opgeslagen. In “my phone” verwijst “my” naar de telefoon van de spreker. Gebruik “phone” voor een apparaat waarmee je belt en digitale informatie bewaart.
Do “Do” opent in “Do you have a printed copy...?” een vraag over het bezit of de beschikbaarheid van een kopie. Na “Do” staat “have”. Gebruik het patroon “Do you have + object?” om te vragen of iemand iets heeft of beschikbaar heeft.
have “have” betekent hier “hebben” of beschikbaar hebben: de spreker vraagt of er een geprinte kopie aanwezig is. In “Do you have a printed copy?” volgt na “have” het object. Gebruik “have + object” om bezit of beschikbaarheid te beschrijven.
a “a” betekent hier “een” en verwijst naar één niet nader bepaalde geprinte kopie. Het staat vóór “printed copy”. Gebruik “a + enkelvoudig zelfstandig naamwoord” wanneer je één exemplaar noemt zonder het al specifiek te maken.
printed In “printed copy” betekent “printed” “afgedrukt” of “geprint”: het gaat om een kopie op papier. Het beschrijft het soort kopie dat bedoeld wordt. Gebruik “printed + zelfstandig naamwoord” voor iets dat op papier is afgedrukt.
copy “copy” betekent hier “kopie”, namelijk een afdruk van de bevestigingsmail. In “a printed copy” wordt het zelfstandig naamwoord nader bepaald door “printed”. Gebruik “copy” voor een extra exemplaar van een document of bericht.
in case “in case” betekent als geheel “voor het geval dat” en introduceert hier een mogelijke situatie waarin de telefoon niet meer werkt. De woorden “in” en “case” vormen samen de constructie “in case your phone dies”. Gebruik “in case + onderwerp + werkwoord” wanneer je voorzorg neemt voor een mogelijke gebeurtenis.
dies In “your phone dies” betekent “dies” dat de telefoon uitvalt of stopt met werken. “dies” is de vorm van “die” die hier bij “your phone” staat. Gebruik “the phone dies” of “your phone dies” wanneer een telefoon niet meer werkt, bijvoorbeeld als voorzorgssituatie.
I “I” betekent “ik” en verwijst naar de spreker die de kopie heeft afgedrukt en opgeborgen. In “I printed one” is “I” degene die de handeling uitvoert. Gebruik “I + werkwoord” wanneer je over je eigen handeling spreekt.
one “one” betekent hier “één exemplaar” en verwijst naar één geprinte kopie. In “I printed one” vervangt het een eerder genoemde kopie, zodat “copy” niet opnieuw hoeft te worden herhaald. Gebruik “one” op dezelfde manier wanneer je naar één eerder genoemd exemplaar verwijst.
put “put” betekent hier “doen” of “leggen”: de spreker heeft de kopie in de map geplaatst. In “put it in the folder” staat eerst het object en daarna de plaats met “in”. Gebruik het patroon “put + object + in + plaats” wanneer je iets ergens opbergt.
it “it” betekent hier “het” en verwijst naar de geprinte kopie. In “put it in the folder” is “it” het object dat in de map wordt gedaan. Gebruik “it” om naar een eerder genoemd enkelvoudig voorwerp of document te verwijzen.
folder “folder” betekent “map” en is hier de plaats waarin de geprinte kopie wordt opgeborgen. In “in the folder” geeft “the” aan dat het om een specifieke map gaat. Gebruik “folder” voor een map waarin je documenten bewaart.
Then “Then” betekent hier “dan” en leidt een conclusie in op basis van het feit dat alle documenten gecontroleerd en opgeborgen zijn. In “Then we have everything we need” staat het aan het begin van de zin. Gebruik “Then” om een gevolg of conclusie na eerdere informatie aan te geven.
everything “everything” betekent “alles” en verwijst hier naar alle benodigde reisdocumenten en kopieën. In “everything we need” wordt duidelijk welke dingen met “alles” bedoeld worden. Gebruik “everything” wanneer je naar de volledige relevante verzameling dingen verwijst.
need In “everything we need” betekent “need” “nodig hebben”: dit zijn alle dingen die voor de reis noodzakelijk zijn. Het staat in het patroon “we need” en zegt wat voor de groep nodig is. Gebruik “need + object” om te zeggen welke zaak of welk document noodzakelijk is.

Grammatica

before + subject + present simple

Check your travel documents before you leave.

Tsjek joor trevul dokjoemunts bifoor joe liev.

Controleer je reisdocumenten voordat je vertrekt.

Na before gebruik je voor een toekomstige gebeurtenis de present simple, niet will.

in case + subject + present simple

Put everything in the folder in case the phone dies.

Poet evri-thing in dhuh fouldur in keis dhuh foon daiz.

Doe alles in de map voor het geval dat de telefoon uitvalt.

In case betekent ‘voor het geval dat’ en introduceert een mogelijke situatie.

Engels woordenschat

before voegwoord
bifoor voordat
boarding pass zelfstandig naamwoord
boording pes instapkaart
check werkwoord
tsjek controleren
confirm werkwoord
kunferm bevestigen
confirmation email zelfstandig naamwoord
konfermeisjun iemeel bevestigingsmail
help werkwoord
help helpen
hotel reservation zelfstandig naamwoord
hooteel rezurveisjun hotelreservering
inside pocket zelfstandig naamwoord
insaid pokut binnenvak
leave werkwoord
liev vertrekken
passport zelfstandig naamwoord
paspoort paspoort
start werkwoord
start beginnen
travel documents zelfstandig naamwoord
trevul dokjoemunts reisdocumenten

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Dan hebben we alles wat we nodig hebben.

Antwoord tonenThen we have everything we need.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

controleren

Antwoord tonencheck

vertrekken

Antwoord tonenleave

voordat

Antwoord tonenbefore

helpen

Antwoord tonenhelp