We
"We" verwijst hier naar de spreker en de andere mensen die samen een cadeau kiezen. Het is het onderwerp van "We need". Gebruik "we" als je over jezelf en minstens één andere persoon praat, bijvoorbeeld in "We work together".
need
"need" betekent hier dat iets noodzakelijk is: de groep moet een cadeau kiezen. In "We need to choose" volgt na "need" de vorm "to" plus een handeling. Gebruik "need to + werkwoord" om een noodzakelijke actie te beschrijven.
to
"to" markeert in "to choose" de handeling die nodig is. Samen met "need" vormt het de gebruikelijke constructie "need to + werkwoord". Bijvoorbeeld als nieuw voorbeeld: "I need to call her."
choose
"choose" betekent hier een cadeau selecteren uit mogelijke opties. In "to choose" staat deze vorm na "to". Gebruik "choose" met het gekozen object, bijvoorbeeld als nieuw voorbeeld: "choose a book".
a
"a" verwijst in "a gift" naar één niet nader bepaald cadeau. Het cadeau is nog niet gekozen of gespecificeerd. Gebruik "a" voor één enkel, niet-specifiek telbaar ding, zoals in het nieuwe voorbeeld "a card".
gift
"gift" betekent hier een cadeau dat de groep aan de collega wil geven. In "a gift for our coworker" wordt met "for" aangegeven voor wie het cadeau bedoeld is. Gebruik "gift" bijvoorbeeld in het patroon "buy a gift for someone".
for
"for" geeft in "for our coworker" aan voor wie het cadeau bedoeld is. Het staat vóór de persoon of groep die de ontvanger is. Gebruik bijvoorbeeld "a present for my friend" als nieuw voorbeeld.
our
"our" geeft aan dat de collega de collega van de spreker en anderen is. In "our coworker" staat het vóór het zelfstandig naamwoord. Gebruik "our" voor iets dat bij de spreker en minstens één andere persoon hoort, zoals in "our team".
coworker
"coworker" betekent hier een persoon met wie de spreker en anderen werken. In "our coworker" wordt die persoon als ontvanger van het cadeau genoemd. Gebruik "coworker" bijvoorbeeld in "I work with a coworker".
Should
"Should" vraagt hier wat een goede of geschikte keuze zou zijn voor het cadeau. In "Should it be useful" staat het vóór het onderwerp om een vraag te vormen. Gebruik "should" met een werkwoord om advies of een passende keuze te bespreken.
it
"it" verwijst hier naar het cadeau of het gekozen item. In "Should it be useful" is het cadeau het onderwerp van de vraag. Gebruik "it" om naar een eerder genoemd ding te verwijzen zonder het zelfstandig naamwoord te herhalen.
be
"be" koppelt in "be useful" het cadeau aan de eigenschap "useful". De vorm staat na "Should". Gebruik "be" vóór een eigenschap, bijvoorbeeld in het nieuwe voorbeeld "Should it be practical?"
useful
"useful" betekent hier praktisch of behulpzaam voor de collega. In "be useful" beschrijft het een gewenste eigenschap van het cadeau. Gebruik "useful" bijvoorbeeld voor een voorwerp dat iemand in het dagelijks leven kan gebruiken.
or
"or" introduceert in "useful or more personal" de tweede mogelijkheid. Het verbindt twee eigenschappen waaruit gekozen kan worden. Gebruik "or" om alternatieven te noemen, zoals in het nieuwe voorbeeld "tea or coffee".
more
"more" geeft in "more personal" een hogere mate van de eigenschap aan. Het maakt de vergelijking tussen nuttig en persoonlijker duidelijk. Gebruik "more" vóór een bijvoeglijk naamwoord wanneer je een grotere mate bedoelt, bijvoorbeeld "more useful".
personal
"personal" betekent hier dat het cadeau speciaal op de individuele collega is afgestemd. In "more personal" wordt gevraagd of het cadeau persoonlijker dan praktisch moet zijn. Gebruik "personal" voor een keuze die duidelijk bij één persoon past.
She
"She" verwijst hier naar de vrouwelijke collega voor wie het cadeau is. Het is het onderwerp van "She likes tea". Gebruik "she" om naar een vrouwelijke persoon te verwijzen die iets doet of leuk vindt.
likes
"likes" betekent hier dat de collega thee lekker vindt of graag drinkt. In "She likes tea" volgt na het werkwoord het ding dat zij waardeert. De vorm "likes" hoort hier bij het onderwerp "She"; gebruik bijvoorbeeld "She likes music" als nieuw voorbeeld.
tea
"tea" betekent hier thee, de drank die de collega lekker vindt. In "She likes tea" is het datgene wat zij graag drinkt. Gebruik "tea" bijvoorbeeld in een gesprek over een drank of cadeau.
so
"so" betekent hier daarom of dus: omdat zij van thee houdt, lijkt een theeset een mogelijke keuze. Het verbindt de reden met het voorgestelde gevolg in "She likes tea, so a tea set might work". Gebruik "so" om een conclusie of gevolg in te leiden.
set
"set" betekent in "a tea set" een bij elkaar horende groep voorwerpen. Het woord vormt samen met "tea" de uitdrukking "tea set" voor een set die met thee te maken heeft. Gebruik "set" met een soort voorwerpen wanneer die als één groep worden aangeboden, bijvoorbeeld "a dinner set" als nieuw voorbeeld.
might
"might" geeft in "might work" aan dat de voorgestelde theeset mogelijk geschikt is, maar dat dit niet zeker is. Na "might" staat het werkwoord in de vorm "work". Gebruik "might" om een voorzichtige mogelijkheid te beschrijven.
work
"work" betekent hier geschikt zijn of een goede oplossing blijken. In "a tea set might work" zegt de spreker voorzichtig dat de theeset een goed cadeau kan zijn. Gebruik "work" op dezelfde manier voor een idee of oplossing, bijvoorbeeld "That plan might work" als nieuw voorbeeld.
That
"That" verwijst hier naar de voorgestelde theeset. In "That feels personal" is het cadeau het onderwerp van de beoordeling. Gebruik "that" om naar een eerder genoemd idee, voorwerp of voorstel te verwijzen.
feels
"feels" betekent hier lijkt of geeft de indruk; het gaat om de indruk die het cadeau maakt. In "That feels personal" beschrijft het hoe de suggestie overkomt. Gebruik "feels" met een bijvoeglijk naamwoord om een indruk te geven, zoals in "It feels helpful" als nieuw voorbeeld.
but
"but" introduceert in "personal but still useful" een tegenstelling. Het cadeau is persoonlijk en tegelijk nog steeds praktisch. Gebruik "but" om twee eigenschappen of ideeën met elkaar te verbinden die enigszins tegenover elkaar staan.
still
"still" betekent hier toch of nog steeds: hoewel het cadeau persoonlijk is, blijft het nuttig. In "still useful" benadrukt het dat de eigenschap blijft gelden. Gebruik "still" vóór de eigenschap of handeling die ondanks iets anders voortduurt.
Let's
"Let's" stelt in "Let's add" voor om iets samen te doen. Het verwijst naar de spreker en de andere persoon in het gesprek. Gebruik "Let's + werkwoord" om een gezamenlijke actie voor te stellen, bijvoorbeeld "Let's check the options" als nieuw voorbeeld.
add
"add" betekent hier een kaartje aan het cadeau toevoegen. In "Let's add a small card" volgt na het werkwoord wat er wordt toegevoegd. Gebruik "add" met een object dat je aan een bestaande groep, lijst of keuze toevoegt.
small
"small" beschrijft in "a small card" dat het kaartje niet groot is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord "card". Gebruik "small" vóór een zelfstandig naamwoord om de geringe grootte aan te geven.
card
"card" betekent hier een kaartje dat bij het cadeau wordt gevoegd en door iedereen kan worden ondertekend. In "a small card" wordt het als een extra onderdeel van het cadeau genoemd. Gebruik "card" bijvoorbeeld voor een kaartje met een persoonlijke boodschap.
too
"too" betekent hier ook: naast het cadeau willen ze een kaartje toevoegen. In "a small card too" staat het aan het einde van de zin. Gebruik "too" vaak aan het einde om extra informatie toe te voegen, bijvoorbeeld "I want one too" als nieuw voorbeeld.
Everyone
"Everyone" verwijst hier naar alle betrokken mensen die het kaartje kunnen ondertekenen. Het betekent alle personen afzonderlijk als groep. Gebruik "everyone" wanneer een uitspraak voor alle mensen in een bepaalde groep geldt.
can
"can" betekent hier dat iedereen de mogelijkheid of toestemming heeft om het kaartje te ondertekenen. In "Everyone can sign it" staat na "can" de werkwoordsvorm "sign". Gebruik "can + werkwoord" om mogelijkheid of toestemming uit te drukken.
sign
"sign" betekent hier je naam op het kaartje schrijven. In "sign it" verwijst "it" naar het kaartje dat ondertekend wordt. Gebruik "sign" bijvoorbeeld bij een kaart, formulier of document dat iemand officieel of persoonlijk ondertekent.
before
"before" betekent hier voordat en geeft aan dat het ondertekenen eerder gebeurt dan het geven van het cadeau. In "before we give her the gift" leidt het een volledige tijdsbepalende bijzin in. Gebruik "before" om twee handelingen in tijd te ordenen.
give
"give" betekent hier het cadeau aan de collega overhandigen. In "give her the gift" staat "her" voor de ontvanger en "the gift" voor wat wordt gegeven. Gebruik het patroon "give someone something", bijvoorbeeld "give my friend a card" als nieuw voorbeeld.
her
"her" verwijst hier naar de vrouwelijke collega die het cadeau ontvangt. In "give her the gift" staat het voor de persoon aan wie iets wordt gegeven. Gebruik "her" na een werkwoord wanneer een vrouwelijke persoon de ontvanger is, bijvoorbeeld in "I gave her a card" als nieuw voorbeeld.
the
"the" maakt in "the gift" duidelijk dat het om het eerder besproken, specifieke cadeau gaat. Het staat vóór "gift". Gebruik "the" wanneer de luisteraar weet over welk concreet ding je het hebt.