Eten labelen in een gedeelde koelkast | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a shared kitchen, two adults discuss labeling food, choosing the right fridge shelf, and taking items home soon..

NL → EN / Niveau: A2

Over deze les

Met Eten labelen in een gedeelde koelkast oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

Can I put this soup in the shared fridge?

Ken ai poet dhis soep in de sjèrd fridzj? Kan ik deze soep in de gedeelde koelkast zetten?
B

Label the container before you leave it there.

Leebəl de konteener bifoor joe liev it dher. Schrijf een label op de bak voordat je hem daar laat staan.
A

Should I write the date on it too?

Sjoed ai rait de deit on it toe? Moet ik de datum er ook op schrijven?
B

That helps people know how long it has been inside.

Dhat helps piepəl noe hau long it haz bin insaid. Zo weten mensen hoelang het er al in staat.
A

Which shelf is for personal food?

Witsj sjelf iz for pursənəl foed? Welke plank is voor je eigen eten?
B

Use the top shelf, away from the shared items.

Joes de top sjelf, əwee from de sjèrd aitems. Gebruik de bovenste plank, weg van de gedeelde spullen.
A

I'll keep it there and take it home soon.

Ail kiip it dher ən teik it hoom soen. Ik laat het daar staan en neem het binnenkort mee naar huis.
B

That way the fridge does not fill up with old food.

Dhat wee de fridzj daz not fil ap with oold foed. Zo raakt de koelkast niet vol met oud eten.

Woord voor woord

Can Can vraagt hier of iets mogelijk of toegestaan is: "Can I put this soup in the shared fridge?". Na Can volgt het onderwerp I en daarna de basisvorm put. Dit patroon gebruik je om toestemming te vragen voor een handeling.
I I verwijst hier naar de spreker die iets wil doen: "Can I put this soup in the shared fridge?". I staat vóór het werkwoord in een vraag met Can. Gebruik I wanneer je over jezelf spreekt.
put put betekent hier iets ergens plaatsen, namelijk soep in de koelkast: "put this soup in the shared fridge". Na Can blijft put in deze basisvorm staan. Het werkwoord wordt vaak gebruikt met een voorwerp en een plaats, zoals in + plek.
this this verwijst hier naar de soep die de spreker op dat moment bedoelt: "this soup". Het staat direct vóór het zelfstandig naamwoord soup. Gebruik this om iets specifieks en dichtbij de gesprekssituatie aan te wijzen.
soup soup betekent hier het eten dat in de koelkast wordt gezet: "this soup". Het woord kan in deze context samen met een aanwijzend woord of een hoeveelheid worden gebruikt. Je gebruikt het wanneer je over soep als voedsel praat.
in in geeft hier aan dat de soep naar de binnenkant van de koelkast gaat: "in the shared fridge". Het staat vóór de plaats waar iets wordt gezet. Gebruik in voor een locatie binnen een ruimte, bak of ander afgesloten voorwerp.
the the maakt duidelijk dat het om een specifieke gedeelde koelkast gaat: "the shared fridge". Het staat vóór een zelfstandig naamwoord met een bepaalde referent. Gebruik the wanneer de gesprekspartners weten over welke zaak of plaats het gaat.
shared shared beschrijft hier een koelkast die door meerdere mensen wordt gebruikt: "the shared fridge". Het staat vóór het zelfstandig naamwoord fridge. Gebruik shared om aan te geven dat iets gezamenlijk beschikbaar is.
fridge fridge betekent hier koelkast, de plaats waar de soep wordt bewaard: "the shared fridge". Het woord wordt in deze dialoog gebruikt voor een koelkast met ruimte voor persoonlijke en gedeelde etenswaren. Je gebruikt het in gesprekken over gekoeld bewaren.
Label Label is hier een opdracht om identificerende informatie op de bak te schrijven: "Label the container". Als opdracht staat het aan het begin van de zin, vóór het voorwerp the container. Gebruik deze vorm wanneer je iemand vraagt iets te voorzien van een aanduiding.
container container betekent hier de bak waarin het eten zit: "the container". Het woord staat na the en is het voorwerp van Label. Gebruik container voor een voorwerp waarin je iets bewaart of vervoert.
before before geeft hier aan dat het labelen eerder moet gebeuren dan het achterlaten van de bak: "before you leave it there". Het introduceert een tweede handeling of gebeurtenis die later plaatsvindt. Gebruik before om de volgorde van twee handelingen aan te geven.
you you verwijst hier naar de persoon tegen wie de opdracht wordt gezegd: "before you leave it there". Het staat vóór het werkwoord leave in de bijzin. Gebruik you wanneer je de aangesproken persoon of personen bedoelt.
leave leave betekent hier iets op een plaats laten staan zonder het mee te nemen: "leave it there". In deze bijzin staat leave na het onderwerp you. Gebruik leave met een voorwerp en eventueel een plaats om te zeggen dat iets ergens blijft.
it it verwijst hier naar de bak of het eten dat op de genoemde plaats wordt achtergelaten: "leave it there". Het staat vóór de plaatsaanduiding there. Gebruik it om naar een eerder genoemd enkelvoudig voorwerp of iets niet-menselijks te verwijzen.
there there verwijst hier naar de plaats in de gedeelde koelkast waar de bak wordt achtergelaten: "leave it there". Het staat na het voorwerp it en geeft de locatie aan. Gebruik there om naar een al genoemde of aangewezen plaats te verwijzen.
Should Should vraagt hier of het verstandig of wenselijk is om de datum erop te schrijven: "Should I write the date on it too?". Na Should volgt het onderwerp I en daarna de basisvorm write. Gebruik dit patroon om advies te vragen.
write write betekent hier woorden of cijfers opschrijven, namelijk de datum: "write the date on it". Na Should staat write in de basisvorm. Gebruik write met informatie die je op papier, een label of een voorwerp zet.
date date betekent hier de kalenderinformatie die op de bak moet komen: "the date". Het woord staat als voorwerp na write. Je gebruikt date wanneer je wilt aangeven op welke kalenderdag iets gebeurt of is geschreven.
on on geeft hier aan dat de datum op het oppervlak van de bak wordt geschreven: "write the date on it". Het staat vóór it, dat verwijst naar de bak of het eten. Gebruik on voor informatie of een voorwerp dat zich op een oppervlak bevindt.
too too betekent hier ook of daarnaast: de spreker wil naast het label nog de datum opschrijven. In "Should I write the date on it too?" staat too aan het einde van de vraag. Gebruik too vaak aan het einde van een zin om extra informatie toe te voegen.
That That verwijst hier naar het opschrijven van de datum uit de vorige vraag: "That helps people know how long it has been inside.". Het staat aan het begin van de zin als onderwerp. Gebruik That op deze manier om naar een eerder genoemde handeling of gedachte te verwijzen.
helps helps betekent hier dat iets het voor mensen gemakkelijker maakt om te weten hoe lang het eten binnen staat: "That helps people know". De vorm helps hoort bij het onderwerp That. Gebruik help met een persoon of groep en de handeling die daardoor gemakkelijker wordt.
people people verwijst hier naar de mensen die de gedeelde koelkast gebruiken: "helps people know". Het woord staat na helps en vóór know. Gebruik people wanneer je naar mensen in het algemeen of naar een bepaalde groep mensen verwijst.
know know betekent hier informatie hebben over de verblijfsduur van het eten: "people know how long it has been inside". Na helps people staat know in de basisvorm. Gebruik know voor informatie of kennis die iemand heeft.
how how maakt hier deel uit van de vraag naar de duur: "how long it has been inside". Samen met long vraagt het naar de lengte van een periode. Gebruik how long wanneer je wilt weten hoeveel tijd iets duurt of al duurt.
long long verwijst hier naar de duur dat het eten in de koelkast staat: "how long it has been inside". Met how vormt het een uitdrukking voor de lengte van tijd. Gebruik how long om naar een tijdsduur te vragen.
has has helpt hier om aan te geven dat het eten tot nu toe binnen is geweest: "it has been inside". Has is een vorm van have en staat vóór been in deze werkwoordgroep. Gebruik deze vorm wanneer it het onderwerp is van een mededeling over een toestand of locatie die met het heden verbonden is.
been been geeft hier samen met has aan dat iets binnen is geweest: "has been inside". Been is de vorm van be die in deze werkwoordgroep na has staat. Gebruik has been met een plaats of toestand wanneer die periode relevant is voor het huidige moment.
inside inside betekent hier binnen in de koelkast: "been inside". Het geeft de plaats van het eten aan en volgt op has been. Gebruik inside om te zeggen dat iets zich binnen een ruimte of voorwerp bevindt.
Which Which vraagt hier welke plank uit de beschikbare planken bedoeld is: "Which shelf is for personal food?". Het staat direct vóór het zelfstandig naamwoord shelf. Gebruik Which wanneer je één keuze uit bekende mogelijkheden wilt aanwijzen.
shelf shelf betekent hier een horizontaal opbergvlak in de koelkast: "Which shelf". Het woord wordt gebruikt om een specifieke koelkastplank aan te wijzen. Je gebruikt shelf ook voor een opbergvlak in bijvoorbeeld een kast of boekenkast.
is is verbindt hier de plank met de functie die zij heeft: "Which shelf is for personal food?". Is is een vorm van be en staat na het onderwerp shelf. Gebruik is om bij één zaak een toestand, identiteit of bestemming te beschrijven.
for for geeft hier aan waarvoor de plank bedoeld is: "is for personal food". Het staat vóór personal food en verbindt de plank met haar bestemming of gebruik. Gebruik for om het doel of de bestemde gebruiker van iets aan te geven.
personal personal beschrijft hier eten dat bij één persoon hoort en niet gedeeld is: "personal food". Het staat vóór food. Gebruik personal om aan te geven dat iets privé of van een individuele gebruiker is.
food food betekent hier het eten dat voor persoonlijk gebruik in de koelkast ligt: "personal food". Het woord staat na het beschrijvende woord personal. Je gebruikt food wanneer je over eten in het algemeen spreekt.
Use Use is hier een opdracht om de bovenste plank te kiezen: "Use the top shelf". Het staat aan het begin van de zin en wordt gevolgd door het voorwerp the top shelf. Gebruik deze vorm wanneer je iemand zegt welk voorwerp of welke plaats die persoon moet gebruiken.
top top betekent hier hoogste in de koelkast: "the top shelf". Het staat vóór shelf en bepaalt welke plank bedoeld wordt. Gebruik top vóór een zelfstandig naamwoord om de hoogste positie in een reeks of ruimte aan te geven.
away away geeft hier aan dat de persoonlijke plank op afstand van de gedeelde spullen moet zijn: "away from the shared items". Samen met from vormt het een patroon voor afstand of scheiding. Gebruik away from om aan te geven dat iets niet dicht bij iets anders staat.
from from verbindt away met datgene waarvan de afstand wordt aangegeven: "away from the shared items". Het staat direct vóór de zaak waar iets van verwijderd is. Gebruik away from + zaak om een gewenste scheiding of afstand te beschrijven.
items items verwijst hier naar de afzonderlijke gedeelde spullen in de koelkast: "the shared items". De vorm items staat na shared en benoemt meerdere afzonderlijke zaken. Gebruik item voor een afzonderlijk voorwerp binnen een groep spullen.
I'll I'll betekent hier dat de spreker van plan is het eten daar te laten staan en het later mee te nemen: "I'll keep it there and take it home soon.". I'll is de verkorte vorm van I will. Gebruik deze vorm om een voornemen of toekomstige handeling van jezelf aan te kondigen.
keep keep betekent hier iets op een bepaalde plaats laten of bewaren: "keep it there". Na I'll staat keep in de basisvorm en het wordt gevolgd door it en there. Gebruik keep + voorwerp + plaats om te zeggen dat iets op die plaats blijft.
and and verbindt hier twee handelingen van dezelfde spreker: "keep it there and take it home". Het maakt duidelijk dat de handelingen bij elkaar horen. Gebruik and om woorden, woordgroepen of handelingen met elkaar te verbinden.
take take betekent hier het eten meenemen naar de eigen woning: "take it home". Na and staat take in dezelfde basisvorm als keep, omdat beide handelingen bij I'll horen. Gebruik take + voorwerp + bestemming wanneer je iets met je meeneemt.
home home betekent hier naar de woning van de spreker: "take it home". Het geeft de bestemming van het meenemen aan. Gebruik take something home wanneer je iets van een andere plaats naar je woning meeneemt.
soon soon betekent hier binnen korte tijd: "take it home soon". Het geeft aan dat de spreker het eten niet lang in de koelkast wil laten staan. Gebruik soon om een toekomstige handeling als relatief dichtbij in de tijd te beschrijven.
way way betekent hier manier of gevolgtrekking in de uitdrukking "That way". De uitdrukking verwijst naar de voorgestelde manier van handelen en leidt naar het gevolg voor de koelkast. Gebruik That way om uit te leggen welk resultaat een bepaalde aanpak heeft.
does does helpt hier om de ontkennende zin in de tegenwoordige tijd te vormen: "the fridge does not fill up". Does is een vorm van do en staat vóór not en de basisvorm fill. Gebruik deze vorm wanneer het onderwerp enkelvoudig is en je zo'n ontkenning vormt.
not not maakt hier de bewering over de koelkast negatief: "does not fill up". Het staat na does en vóór fill. Gebruik not om te zeggen dat een handeling of toestand niet plaatsvindt.
fill fill betekent hier vol raken met oud eten: "fill up with old food". Na does not staat fill in de basisvorm. Samen met up beschrijft het dat de koelkast steeds voller wordt.
up up maakt hier met fill de uitdrukking "fill up", die aangeeft dat de koelkast vol raakt. Het voegt het idee van volledig vullen of vol worden toe. Gebruik fill up met een plaats of voorwerp dat vol raakt.
with with geeft hier aan waarmee de koelkast vol raakt: "fill up with old food". Het staat vóór old food en benoemt de inhoud. Gebruik fill up with + inhoud om te zeggen waardoor iets vol raakt.
old old beschrijft hier eten dat niet meer vers of recent is: "old food". Het staat vóór food en maakt duidelijk welk eten de koelkast onnodig kan vullen. Gebruik old vóór een zelfstandig naamwoord wanneer de ouderdom of het gebrek aan recentheid relevant is.

Grammatica

before + subject + verb

Label the container before you leave.

Leebəl de konteener bifoor joe liev.

Label de bak voordat je weggaat.

Na before volgt een volledige bijzin met onderwerp en werkwoord; in het Nederlands gebruiken we ‘voordat’.

How long + do/does + subject + verb?

How long does the soup keep inside?

Hau long daz de soep kiip insaid?

Hoelang blijft de soep binnen goed?

Gebruik how long om naar een tijdsduur te vragen. Bij he, she en it gebruik je does.

Engels woordenschat

before voegwoord
bifoor voordat; eerder dan

before you leave it there

container zelfstandig naamwoord
kən-tee-nər bak; bewaardoos

Label the container before you leave it there.

date zelfstandig naamwoord
deit datum

write the date on it

fridge zelfstandig naamwoord
fridzj koelkast

the shared fridge

help werkwoord
help helpen helps

That helps people know how long it has been inside.

label werkwoord
lee-bel een etiket aanbrengen; labelen

Label the container before you leave it there.

leave werkwoord
liev achterlaten; laten staan

before you leave it there

put werkwoord
poet zetten; doen

Can I put this soup in the shared fridge?

shared bijvoeglijk naamwoord
sjèrd gedeeld; gemeenschappelijk

the shared fridge

soup zelfstandig naamwoord
soep soep

Can I put this soup in the shared fridge?

too bijwoord
toe ook

Should I write the date on it too?

write werkwoord
rait schrijven

Should I write the date on it too?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Welke plank is voor je eigen eten?

Antwoord tonenWhich shelf is for personal food?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

voordat; eerder dan

Antwoord tonenbefore

soep

Antwoord tonensoup

schrijven

Antwoord tonenwrite

gedeeld; gemeenschappelijk

Antwoord tonenshared