I
“I” verwijst hier naar de spreker die lessen heeft gemist en zich achter voelt. Het wordt gebruikt als onderwerp wanneer je over jezelf vertelt, bijvoorbeeld over je ervaring of situatie.
missed
“missed” betekent hier dat de spreker niet bij bepaalde lessen aanwezig was. Deze vorm beschrijft de gemiste lessen als iets dat al gebeurd is. Je gebruikt dit patroon om te zeggen dat je een les, afspraak of gebeurtenis niet hebt bijgewoond.
some
“some” verwijst hier naar een niet nader genoemd aantal lessen. Het staat vóór het meervoudige zelfstandig naamwoord “classes”. Je gebruikt het wanneer de precieze hoeveelheid niet belangrijk of niet bekend is.
classes
“classes” betekent hier lessen of onderwijsbijeenkomsten. De vorm verwijst naar meerdere lessen die de spreker heeft gemist. Je gebruikt dit woord voor lessen op school, een cursus of een opleiding.
recently
“recently” betekent hier onlangs, dus niet lang vóór het moment van spreken. Het geeft aan wanneer de lessen zijn gemist. Je gebruikt het om naar een recente gebeurtenis te verwijzen zonder een exacte datum te noemen.
and
“and” verbindt hier twee informatie-eenheden: lessen missen en je achter voelen. Het maakt duidelijk dat beide dingen bij dezelfde situatie horen. Je gebruikt het om gelijkwaardige informatie of handelingen te verbinden.
feel
“feel” beschrijft hier de emotionele ervaring van de spreker: zich achter voelen. Na “I” staat deze vorm om de eigen huidige toestand te beschrijven. Je gebruikt het vaak vóór een bijvoeglijk naamwoord om een gevoel of indruk uit te drukken.
behind
“behind” betekent hier niet bij zijn met het werk of de leerstof. In deze context gaat het om een achterstand na gemiste lessen. Je gebruikt het in vergelijkbare situaties wanneer iemand niet meer op hetzelfde niveau of schema zit als anderen.
You
“You” verwijst hier naar de aangesproken klasgenoot. Het is het onderwerp van een bemoediging over wat die persoon kan doen. Je gebruikt “you” wanneer je rechtstreeks tegen één persoon of meerdere personen spreekt.
can
“can” geeft hier aan dat de aangesproken persoon in staat is om de achterstand in te halen. Het staat vóór het werkwoord “catch” zonder “to”. Je gebruikt dit modale werkwoord om mogelijkheid of vermogen uit te drukken.
catch up
“catch up” betekent hier een achterstand inhalen en weer hetzelfde niveau bereiken. In deze uitdrukking draagt “catch” het idee van bereiken bij en geeft “up” de beweging naar hetzelfde niveau aan; samen vormen ze één vaste betekenis. Een bruikbaar patroon is “catch up” met achterstallig werk, lessen of informatie.
But
“But” introduceert hier een tegenstelling met de bemoediging uit de vorige zin. Het leidt een waarschuwing in: alles tegelijk proberen kan juist moeilijker zijn. Je gebruikt het om een tegengesteld of beperkend punt aan de vorige informatie toe te voegen.
trying
“trying” verwijst hier naar de poging om alles te leren. De vorm benoemt die poging als de activiteit die een gevolg zal hebben. Je gebruikt dit in het patroon van iets proberen te doen, vooral wanneer de inspanning of aanpak centraal staat.
to
“to” markeert hier de handeling die wordt geprobeerd: “learn”. Het verbindt “trying” met de bedoelde actie. Je gebruikt dit vóór een werkwoord wanneer je een poging of bedoeling met die handeling beschrijft.
learn
“learn” betekent hier kennis of leerstof verwerven. Het is de handeling die de spreker alles tegelijk probeert uit te voeren. Je gebruikt het voor het leren van informatie, een vaardigheid of een onderwerp.
everything
“everything” verwijst hier naar al het lesmateriaal dat de spreker moet inhalen. Het omvat alle relevante dingen zonder uitzonderingen te noemen. Je gebruikt het wanneer je naar de volledige verzameling van zaken in een situatie verwijst.
at once
“at once” betekent hier allemaal tegelijk. Binnen deze uitdrukking geeft “at” de situatie of timing aan en verwijst “once” naar éénzelfde moment; samen beschrijven ze gelijktijdigheid. Je gebruikt het wanneer iemand meerdere taken of acties in één keer probeert te doen.
will
“will” geeft hier een verwacht gevolg aan: de gekozen aanpak maakt de situatie moeilijker. Het verbindt de poging in het eerste deel met het toekomstige resultaat. Je gebruikt het om een voorspelling, verwachting of gevolg te formuleren.
make
“make” betekent hier veroorzaken dat iets een bepaalde toestand krijgt. In “make it harder” beschrijft het hoe de aanpak de situatie moeilijker maakt. Je gebruikt het in een patroon waarin iets iemand of iets anders een eigenschap of toestand geeft.
it
“it” verwijst hier naar de situatie of taak die moeilijker wordt door alles tegelijk te leren. Het voorkomt dat die hele situatie opnieuw wordt genoemd. Je gebruikt “it” voor een eerder genoemde zaak, taak of situatie.
harder
“harder” betekent hier moeilijker om te doen of te verwerken. De vorm vergelijkt de voorgestelde aanpak met een minder moeilijke mogelijkheid. Je gebruikt deze vorm wanneer je de moeilijkheidsgraad van een taak of situatie vergelijkt.
Could
“Could” leidt hier een beleefd verzoek om informatie in. De spreker vraagt de klasgenoot om advies zonder directief te klinken. Je gebruikt “Could” aan het begin van een beleefde vraag, gevolgd door een persoon en een handeling.
tell
“tell” betekent hier informatie geven aan de spreker. Het staat in de constructie waarin iemand wordt gevraagd uit te leggen welke opdracht eerst moet worden gedaan. Je gebruikt het met een ontvanger, zoals in informatie aan iemand vertellen.
me
“me” verwijst hier naar de spreker als ontvanger van de informatie. De klasgenoot moet informatie aan deze persoon geven. Je gebruikt deze vorm wanneer iemand iets ontvangt, hoort of te weten komt.
which
“which” vraagt hier om de keuze van één opdracht uit de beschikbare opdrachten. Het verwijst dus naar een selectie binnen een bekende groep. Je gebruikt het wanneer je wilt weten welke optie uit meerdere mogelijkheden bedoeld of aanbevolen is.
assignment
“assignment” betekent hier een opdracht die moet worden uitgevoerd of ingeleverd. Het woord verwijst naar schoolwerk waaruit de spreker moet kiezen. Je gebruikt het voor een toegewezen taak binnen een cursus, klas of opleiding.
should
“should” geeft hier aan welke handeling volgens de ander de beste keuze is. Het staat vóór “handle” en drukt een aanbeveling uit. Je gebruikt het om advies of een passende handelwijze te geven.
handle
“handle” betekent hier een opdracht aanpakken en afwerken. Het verwijst naar wat de spreker met de gekozen opdracht moet doen. Je gebruikt het voor het behandelen, regelen of uitvoeren van een taak of probleem.
first
“first” geeft hier de volgorde aan: deze opdracht moet vóór de andere worden gedaan. Het helpt de spreker prioriteiten te bepalen. Je gebruikt het wanneer je de eerste stap of eerste taak in een reeks aanwijst.
The
“The” verwijst hier naar een specifieke samenvatting die de gesprekspartners kennen: de mondelinge samenvatting. Het staat vóór “speaking summary” om die bepaalde opdracht aan te wijzen. Je gebruikt dit lidwoord voor iets specifieks of eerder vastgelegds.
speaking
“speaking” geeft hier aan dat de samenvatting en de taak met spreken te maken hebben. In “speaking summary” en “speaking task” beperkt het de betekenis tot het mondelinge onderdeel. Je gebruikt het om een activiteit of opdracht rond gesproken taal te beschrijven.
summary
“summary” betekent hier een korte weergave van de belangrijkste punten. Het gaat om een specifieke mondelinge opdracht die binnenkort af moet zijn. Je gebruikt het voor een verkorte weergave van informatie, een tekst of een bespreking.
is
“is” verbindt hier de mondelinge samenvatting met haar status als “due soon”. Het zegt dat deze opdracht binnenkort moet worden ingeleverd of afgerond. Je gebruikt deze vorm om over één zaak of opdracht een toestand of status te geven.
due
“due” betekent hier dat de opdracht tegen een deadline klaar moet zijn. Samen met “soon” geeft het aan dat die deadline dichtbij is. Je gebruikt het voor werk, betalingen of andere zaken die op een bepaald moment verwacht worden.
soon
“soon” betekent hier binnen korte tijd, omdat de deadline van de samenvatting dichtbij is. Het bepaalt de timing van “due”. Je gebruikt het wanneer iets binnenkort zal gebeuren of nodig zal zijn.
worksheet
“worksheet” betekent hier een werkblad met oefeningen of schriftelijke opdrachten. Het is de tweede opdracht die volgens de spreker nog kan wachten. Je gebruikt het voor een blad waarop leerlingen vragen of oefeningen maken.
wait
“wait” betekent hier dat het werkblad voorlopig niet hoeft te worden gedaan. Het werk wordt uitgesteld tot een later moment. Je gebruikt het voor iets dat bewust wordt uitgesteld of tot een bepaald tijdstip blijft liggen.
until
“until” geeft hier de grens van het uitstel aan: het werkblad kan wachten tot later. Het verbindt de handeling “wait” met een later tijdstip. Je gebruikt het vóór een tijdstip of gebeurtenis die aangeeft wanneer iets eindigt of verdergaat.
later
“later” verwijst hier naar een tijd na het huidige moment, wanneer het werkblad wel kan worden opgepakt. Het geeft geen exact tijdstip. Je gebruikt het voor een later moment op dezelfde dag of daarna.
Then
“Then” geeft hier de volgende stap aan die logisch volgt uit het advies. Omdat de samenvatting eerst moet gebeuren, begint de spreker daarmee. Je gebruikt het om een volgende handeling of gevolg in een reeks aan te kondigen.
start
“start” betekent hier beginnen met de gekozen spreektaak. In “Start there” is het een aansporing aan de klasgenoot; in “I should start” beschrijft het de voorgenomen eerste handeling. Je gebruikt het vóór een activiteit of met “with” vóór wat eerst wordt aangepakt.
with
“with” geeft hier aan waarmee de spreker begint: de spreektaak. Het markeert het eerste onderdeel van de werkzaamheden. Je gebruikt het in het patroon “start with” om het beginpunt van een reeks aan te geven.
task
“task” betekent hier een concreet stuk werk dat moet worden uitgevoerd. Het verwijst eerst naar de spreektaak en later naar de taak die samen wordt doorgenomen. Je gebruikt het voor een afgebakende opdracht of activiteit.
there
“there” verwijst hier naar de eerder genoemde spreektaak. De spreker krijgt het advies om op dat aangewezen punt te beginnen. Je gebruikt het om naar een genoemde plaats, zaak of stap te verwijzen zonder die opnieuw te benoemen.
ask
“ask” betekent hier de docent om aantekeningen verzoeken. Het gaat om hulp of informatie die nodig is voor de gemiste lessen. Je gebruikt het met een persoon wanneer je iets vraagt of met “ask someone for” wanneer je iets van die persoon wilt ontvangen.
teacher
“teacher” verwijst hier naar de docent van de klas. Deze persoon is de bron van de aantekeningen van de gemiste lessen. Je gebruikt het voor iemand die lesgeeft of leerlingen begeleidt.
for
“for” geeft hier aan wat de spreker van de docent vraagt: aantekeningen. In de combinatie met “ask” markeert het het gevraagde. Je gebruikt dit patroon om aan te geven welk voorwerp of welke hulp iemand vraagt.
notes
“notes” betekent hier schriftelijke informatie uit de lessen. De spreker wil deze gebruiken om gemiste leerstof in te halen. Je gebruikt het voor aantekeningen die tijdens een les, vergadering of uitleg zijn gemaakt.
from
“from” geeft hier de bron van de aantekeningen aan: de lessen die de spreker heeft gemist. Het verbindt de notes met waar de informatie vandaan komt. Je gebruikt het om een oorsprong, bron of herkomst te benoemen.
less
“less” betekent hier in mindere mate. In “less confident” geeft het aan dat de spreker minder zeker is dan eerder of dan de anderen. Je gebruikt het vóór een beschrijving om een lagere graad aan te geven.
confident
“confident” betekent hier zeker van je eigen kunnen. De spreker voelt zich minder zeker omdat anderen samen hebben geoefend. Je gebruikt het om iemands vertrouwen in een vaardigheid, beslissing of optreden te beschrijven.
because
“because” leidt hier de reden voor het minder zekere gevoel in. De reden is dat de anderen samen hebben geoefend. Je gebruikt het om een oorzaak of verklaring aan een uitspraak toe te voegen.
others
“others” verwijst hier naar de andere klasgenoten, niet naar de spreker. Het woord staat zelfstandig en vervangt een herhaling van “other classmates”. Je gebruikt het om naar overige personen in een bekende groep te verwijzen.
practiced
“practiced” betekent hier dat de andere klasgenoten samen hebben geoefend. De vorm beschrijft de oefening als iets dat al heeft plaatsgevonden vóór het gevoel wordt genoemd. Je gebruikt het voor training of herhaling van een vaardigheid.
together
“together” betekent hier met elkaar, dus de klasgenoten oefenden gezamenlijk. Het beschrijft hoe de oefening plaatsvond. Je gebruikt het om aan te geven dat mensen dezelfde activiteit samen doen.
We
“We” verwijst hier naar de spreker en de klasgenoot samen. Zij bieden aan om de taak na de les gezamenlijk door te nemen. Je gebruikt “we” wanneer de spreker zichzelf met minstens één andere persoon groepeert.
run through
“run through” betekent hier een taak stap voor stap doornemen of oefenen. In de uitdrukking geeft “run” de voortgang door de taak aan en geeft “through” aan dat je de inhoud van begin tot eind doorloopt; samen vormen ze de betekenis ‘doornemen’. Je gebruikt dit patroon voor een taak, plan, presentatie of procedure die je samen wilt overlopen.
after
“after” betekent hier na afloop van de les. Het plaatst het gezamenlijk doornemen op een moment dat op de les volgt. Je gebruikt het vóór een tijdstip of gebeurtenis om aan te geven wat daarna gebeurt.
class
“class” betekent hier de les of het lesmoment waaraan beide personen deelnemen. “After class” verwijst naar de tijd direct na die les. Je gebruikt het voor een onderwijsbijeenkomst of de groep die daarin les krijgt.
So
“So” leidt hier het doel of gewenste resultaat van de oefening in: de spreker weet wat hij of zij kan verwachten. Het verbindt de gezamenlijke voorbereiding met dat resultaat. Je gebruikt het om een gevolg of doel aan te kondigen.
know
“know” betekent hier op de hoogte zijn van wat er zal gebeuren. Door de taak samen door te nemen, krijgt de spreker dit inzicht. Je gebruikt het voor kennis, informatie of begrip van een situatie.
what
“what” verwijst hier naar de inhoud van wat de spreker kan verwachten. Het opent de ingebedde vraag “what to expect”. Je gebruikt het om te verwijzen naar een zaak, informatie of gebeurtenis die nog nader wordt bepaald.
expect
“expect” betekent hier vooruit weten of aannemen wat er tijdens de volgende stap zal gebeuren. Het hoort bij de uitdrukking “what to expect”. Je gebruikt het wanneer je een gebeurtenis, reactie of situatie vooruit voorziet.
That
“That” verwijst hier naar het voorgestelde samen doornemen van de taak. De spreker zegt dat die actie een positief effect zou hebben. Je gebruikt het om naar een zojuist genoemde handeling, situatie of uitkomst te verwijzen.
would
“would” geeft hier een mogelijk gevolg aan van de voorgestelde oefening. Het maakt de uitspraak minder stellig en koppelt het effect aan die voorwaarde. Je gebruikt het om een hypothetisch of verwacht resultaat te beschrijven.
next
“next” betekent hier de stap die volgt na de huidige voorbereiding. Het plaatst die stap in een volgorde. Je gebruikt het om het daaropvolgende onderdeel, moment of stadium aan te wijzen.
step
“step” betekent hier een afzonderlijk stadium in het proces van de leerstof inhalen. De volgende stap voelt door de voorbereiding beter te overzien. Je gebruikt het voor een onderdeel van een plan, procedure of reeks handelingen.
more
“more” geeft hier een hogere mate aan: de volgende stap voelt beter te overzien. Het versterkt de vergelijking in “more manageable”. Je gebruikt het vóór een beschrijving wanneer iets in grotere mate een bepaalde eigenschap heeft.
manageable
“manageable” betekent hier dat de volgende stap haalbaar en goed te overzien voelt. De voorbereiding maakt de taak minder overweldigend. Je gebruikt het voor werk, problemen of situaties die met een passende aanpak kunnen worden aangepakt.
focused
“focused” betekent hier gericht op een specifiek leerdoel. Het beschrijft de oefensessie als doelgericht in plaats van algemeen. Je gebruikt het voor tijd, aandacht of oefening die op één onderwerp of taak is geconcentreerd.
practice
“practice” betekent hier oefenen om een vaardigheid te verbeteren, vooral de spreektaak. Het vormt samen met “session” een periode die aan oefenen is gewijd. Je gebruikt het voor training of herhaling van een vaardigheid.
session
“session” betekent hier een afgebakende periode waarin de twee klasgenoten gericht oefenen. Het maakt van de oefening één geplande activiteit. Je gebruikt het voor een georganiseerde periode van les, training, overleg of oefening.
better
“better” betekent hier verkieslijker of nuttiger dan het werk vermijden. Het maakt een vergelijking tussen twee manieren om met de leerstof om te gaan. Je gebruikt het om een voorkeur of een betere keuze aan te geven.
than
“than” introduceert hier de tweede kant van de vergelijking: het vermijden van het werk. Het verbindt die optie met de voorkeur voor een oefensessie. Je gebruikt het na een vergelijkend woord om aan te geven waarmee iets wordt vergeleken.
avoiding
“avoiding” betekent hier het werk uit de weg gaan in plaats van het te doen. De vorm benoemt dit vermijden als de activiteit waarmee de oefensessie wordt vergeleken. Je gebruikt het voor het bewust niet benaderen van een taak, probleem of situatie.
work
“work” verwijst hier naar het toegewezen schoolwerk dat nog moet worden gedaan. Het staat in contrast met het vermijden ervan. Je gebruikt het voor taken, opdrachten of inspanning die nodig zijn om iets af te krijgen.