I
‘I’ verwijst hier naar de persoon die spreekt: “I want to review today's lesson.” Het staat als onderwerp vóór de werkwoordsvorm “want”, bijvoorbeeld in de vaste patroon “I want to …” wanneer je een wens of bedoeling uitdrukt.
want
‘want’ geeft hier aan dat de spreker iets wil doen, namelijk “review today's lesson”. De vorm staat na “I” en vóór “to” plus een werkwoord; je gebruikt dit patroon om een wens of bedoeling uit te drukken.
to
‘to’ markeert hier het werkwoord in de infinitief in “want to review”. Het staat tussen “want” en de handeling; dit patroon is bruikbaar om te zeggen wat iemand wil doen.
review
‘review’ betekent hier een les opnieuw bestuderen: “review today's lesson”. Het staat na “to” in de combinatie “to review”; je gebruikt het bijvoorbeeld bij het opnieuw doornemen van leerstof.
today's
‘today's’ geeft aan dat de les bij vandaag hoort in “today's lesson”. De apostrof-s maakt van “today” een bezitsrelatie; hetzelfde patroon verbindt een tijdsaanduiding met iets dat daarbij hoort.
lesson
‘lesson’ verwijst hier naar de les die de spreker opnieuw wil bestuderen. In “today's lesson” staat het zelfstandig naamwoord na de bezitsvorm; je gebruikt het voor een les of leeronderdeel.
But
‘But’ leidt hier een tegenstelling in: de spreker wil de les herhalen, maar weet niet waar te beginnen. Het verbindt twee gedachten en is bruikbaar wanneer je na een eerste punt een beperking of ander punt toevoegt.
am
‘am’ vormt in “I am not sure” de uitdrukking waarmee de spreker onzekerheid aangeeft. Dit is de vorm van be die met “I” wordt gebruikt; het patroon “I am not sure …” past wanneer je iets niet zeker weet.
not
‘not’ maakt “I am not sure” ontkennend: de spreker is niet zeker. Het staat na “am” en vóór “sure”; je gebruikt het om een toestand of bewering te ontkennen.
sure
‘sure’ betekent hier zeker van iets zijn in “I am not sure where to start”. Samen met “am not” drukt het onzekerheid uit; dit is bruikbaar wanneer je niet weet welke keuze of stap eerst komt.
where
‘where’ vraagt hier naar het punt of de stap waar de spreker moet beginnen in “where to start”. In deze combinatie volgt er “to” plus een werkwoord; je gebruikt het om naar een plaats of startpunt te vragen.
start
‘start’ betekent hier beginnen met de herhaling van de les. In “where to start” staat het na “to” en benoemt het de eerste handeling; je gebruikt het bij een activiteit, taak of plan.
with
‘with’ geeft hier aan waarmee je moet beginnen: “Start with the notes”. Het volgt op “Start” en neemt het gekozen beginpunt; hetzelfde patroon werkt wanneer je een taak met een bepaald onderdeel begint.
the
‘the’ maakt in “the notes” duidelijk dat het om specifieke aantekeningen gaat. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord en wordt gebruikt wanneer de bedoelde dingen herkenbaar of bepaald zijn.
notes
‘notes’ verwijst hier naar geschreven informatie uit de les: “the notes that connect directly to real situations”. De meervoudsvorm past bij meerdere aantekeningen; je gebruikt het voor geschreven studiemateriaal.
that
‘that’ leidt hier het deel in dat de aantekeningen beschrijft: “that connect directly to real situations”. Het verbindt het beschreven zelfstandig naamwoord met extra informatie; dit patroon helpt om specifieke dingen nader te omschrijven.
connect
‘connect’ betekent hier dat de aantekeningen rechtstreeks verband houden met echte situaties. In “notes that connect directly to real situations” volgt het op het beschrijvende “that”; je gebruikt het voor een verband tussen twee dingen.
directly
‘directly’ geeft aan dat het verband zonder omweg met echte situaties bestaat in “connect directly to real situations”. Het versterkt de manier waarop “connect” gebeurt; je gebruikt het om een rechtstreekse relatie te beschrijven.
real
‘real’ betekent hier werkelijk of praktisch in “real situations”. Het staat vóór “situations” en beschrijft die situaties; je gebruikt het om echte contexten tegenover alleen theoretische inhoud te plaatsen.
situations
‘situations’ verwijst hier naar echte omstandigheden waarin je de lesinhoud kunt gebruiken. Het staat na “real” en na de voorzetselcombinatie “connect directly to”; je gebruikt het voor verschillende contexten of omstandigheden.
usually
‘usually’ betekent hier normaal gesproken: de spreker leest gewoonlijk alles opnieuw. Het staat vóór “reread” en geeft aan dat dit een terugkerende gewoonte is; je gebruikt het om een normale werkwijze te beschrijven.
reread
‘reread’ betekent hier alles opnieuw lezen: “I usually reread everything”. De vorm bevat het idee van opnieuw lezen en staat na “usually”; je gebruikt het bij tekst die je nogmaals doorneemt.
everything
‘everything’ verwijst hier naar alle onderdelen van de les of pagina in “reread everything”. Het staat direct na “reread” als datgene wat opnieuw wordt gelezen; je gebruikt het wanneer niets uit de bedoelde groep wordt weggelaten.
takes
‘takes’ betekent hier tijd in beslag nemen in “that takes too much time”. De vorm is de derde persoon enkelvoud van take en past bij “that”; je gebruikt dit patroon om te zeggen hoeveel tijd een activiteit vraagt.
too
‘too’ betekent hier meer dan wenselijk in “too much time”. Het staat vóór “much” en maakt duidelijk dat de hoeveelheid tijd een probleem vormt; je gebruikt “too much” bij een te grote hoeveelheid van iets niet-telbaars.
much
‘much’ geeft in “too much time” een grote hoeveelheid tijd aan. Het staat bij het niet-telbare “time”; samen met “too” beschrijft het een hoeveelheid die niet geschikt of gewenst is.
time
‘time’ verwijst hier naar de duur die nodig is om alles opnieuw te lezen. In “too much time” wordt het met een hoeveelheid gecombineerd; je gebruikt het om de duur van een activiteit te bespreken.
Choose
‘Choose’ is hier een aansporing om bepaalde delen te selecteren. Het staat aan het begin van de zin en wordt gevolgd door “the parts”; je gebruikt deze vorm wanneer je iemand direct een keuze of advies geeft.
parts
‘parts’ verwijst hier naar geselecteerde gedeelten van de les die bruikbaar zijn in een gesprek. Het staat na “Choose the” en vormt het object van “Choose”; je gebruikt het voor afzonderlijke secties of onderdelen.
you
‘you’ verwijst hier naar de persoon die wordt aangesproken: “you can use”. Het is het onderwerp vóór “can”; je gebruikt deze vorm om rechtstreeks over de mogelijkheden van de gesprekspartner te spreken.
can
‘can’ geeft hier aan dat iemand in staat is de delen in een gesprek te gebruiken. Het staat vóór “use” en krijgt daarna geen extra werkwoordsvorm; je gebruikt “can” om mogelijkheid of vermogen uit te drukken.
use
‘use’ betekent hier toepassen of zeggen in “you can use”. Het staat na “can” in de vorm “can use”; je gebruikt dit werkwoord met iets dat je inzet, zoals “the parts” of “the phrases”.
in
‘in’ geeft hier de context aan waarin je iets gebruikt: “in a short conversation”. Het staat vóór de gesprekssituatie; je gebruikt het om te zeggen binnen welke activiteit of omgeving iets plaatsvindt.
a
‘a’ introduceert in “a short conversation” één niet nader bepaalde conversatie. Het staat vóór “short” en “conversation”; je gebruikt het vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer het niet om een specifieke eerder genoemde zaak gaat.
short
‘short’ beschrijft in “a short conversation” een gesprek dat niet lang duurt. Het staat vóór “conversation”; je gebruikt het om de beperkte duur of omvang van iets aan te geven.
conversation
‘conversation’ betekent hier een gesproken uitwisseling waarin je de zinnen kunt gebruiken. In “a short conversation” wordt het door “short” beschreven; je gebruikt het voor een gesprek tussen mensen.
We
‘We’ verwijst hier naar de spreker en de andere persoon samen: “We could write example sentences”. Het staat als onderwerp vóór “could”; je gebruikt het om een gezamenlijke handeling voor te stellen.
could
‘could’ stelt hier een mogelijke gezamenlijke actie voor: “We could write example sentences”. Het staat vóór “write” en maakt het voorstel minder direct; je gebruikt dit patroon om een optie of idee aan te dragen.
write
‘write’ betekent hier voorbeeldzinnen op papier of in tekst maken. Het staat na “could” in “could write”; je gebruikt het met een tekstueel object, hier “example sentences”.
example
‘example’ beschrijft in “example sentences” zinnen die als illustratie of oefenmateriaal dienen. Het staat vóór “sentences” en bepaalt het soort zinnen; je gebruikt het om iets als voorbeeld aan te duiden.
sentences
‘sentences’ verwijst hier naar volledige voorbeeldzinnen die vóór het spreken worden geschreven. Het staat na “example” en is het object van “write”; je gebruikt het voor afzonderlijke schriftelijke of gesproken taaluitingen.
before
‘before’ geeft hier aan dat het schrijven eerder gebeurt dan het oefenen van spreken: “before we practice speaking”. Het leidt een tijdsrelatie in; je gebruikt het om de volgorde van twee handelingen te verbinden.
practice
‘practice’ betekent hier oefenen in “practice speaking”. Het staat vóór “speaking” en beschrijft de activiteit die de twee personen gaan trainen; je gebruikt het voor herhaalde training van een vaardigheid.
speaking
‘speaking’ verwijst hier naar het mondeling gebruiken van de taal in “practice speaking”. De vorm volgt op “practice” en benoemt de geoefende activiteit; je gebruikt dit in patronen voor oefenen met spreken.
Saying
‘Saying’ verwijst hier naar het hardop uitspreken van de voorbeeldzinnen: “Saying the example sentences aloud”. Aan het begin van de zin vormt het de handeling die iets zal laten zien; je gebruikt zo’n vorm om een activiteit als onderwerp te nemen.
aloud
‘aloud’ betekent hier hoorbaar, zodat de zinnen hardop worden gezegd. Het staat na “the example sentences” in “Saying the example sentences aloud”; je gebruikt het om aan te geven dat anderen of de spreker zelf het uitgesprokene kunnen horen.
will
‘will’ geeft hier het verwachte gevolg aan: het hardop zeggen zal iets laten zien. Het staat vóór “show”; je gebruikt “will” om een toekomstige uitkomst of verwachting te verbinden aan een handeling.
show
‘show’ betekent hier aantonen of zichtbaar maken of de zinnen bruikbaar zijn. Het staat na “will” in “will show”; je gebruikt het met informatie of een resultaat dat door een handeling duidelijk wordt.
whether
‘whether’ leidt hier de onzekere kwestie in die de handeling kan verduidelijken: “whether you can use the phrases in conversation”. Het verbindt “show” met de vraag of iets wel of niet lukt; je gebruikt het in ingebedde vragen over een mogelijkheid of uitkomst.
phrases
‘phrases’ verwijst hier naar de woordgroepen die de lerenden in een gesprek willen gebruiken. In “use the phrases in conversation” is het datgene wat wordt toegepast; je gebruikt het voor vaste of samenhorende groepen woorden.
sounds
‘sounds’ betekent hier dat iets een bepaalde indruk geeft: de methode lijkt nuttiger. De vorm is de derde persoon enkelvoud van sound en past bij “That”; je gebruikt “That sounds …” om op een voorstel of idee te reageren.
more
‘more’ geeft in “more useful” een hogere mate van nut aan. Het staat vóór “useful” en wordt in “more useful than …” gebruikt om twee methoden met elkaar te vergelijken.
useful
‘useful’ betekent hier behulpzaam voor het leren in “sounds more useful”. Het wordt met “more” vergeleken met het overschrijven van de pagina; je gebruikt het om de praktische waarde van een methode of voorwerp te beoordelen.
than
‘than’ leidt in “more useful than copying the whole page again” het tweede deel van de vergelijking in. Het verbindt de methode met waarmee die wordt vergeleken; je gebruikt het na een vergelijkende vorm zoals “more useful”.
copying
‘copying’ verwijst hier naar het opnieuw overschrijven van de hele pagina. In “than copying the whole page again” benoemt het de handeling waarmee de andere methode wordt vergeleken; je gebruikt deze vorm om een activiteit als vergelijkingspunt te noemen.
whole
‘whole’ betekent hier volledig in “the whole page”. Het staat vóór “page” en benadrukt dat de pagina in zijn geheel wordt gekopieerd; je gebruikt het om volledigheid aan te geven.
page
‘page’ verwijst hier naar één volledige pagina met lesmateriaal. In “the whole page” wordt het door “whole” bepaald; je gebruikt het voor een afzonderlijk blad of schermgedeelte met tekst.
again
‘again’ betekent hier opnieuw, omdat de pagina nog een keer wordt gekopieerd. Het staat aan het einde van “copying the whole page again”; je gebruikt het om een herhaalde handeling aan te duiden.
It
‘It’ verwijst hier naar de voorgestelde manier van oefenen en herhalen. Het staat als onderwerp vóór “also shows”; je gebruikt het om een eerder genoemde methode, handeling of situatie opnieuw op te nemen.
also
‘also’ voegt in “It also shows” een extra gevolg toe naast het eerder genoemde nut. Het staat vóór “shows”; je gebruikt het om aanvullende informatie aan een bestaande bewering toe te voegen.
shows
‘shows’ betekent hier dat de methode duidelijk maakt welke punten helder zijn en welke oefening nodig hebben. De vorm is de derde persoon enkelvoud van show en past bij “It”; je gebruikt het om een gevolg of inzicht van een handeling te beschrijven.
which
‘which’ identificeert hier specifieke punten binnen “which points are clear”. Het leidt informatie over een bepaalde groep dingen in; je gebruikt het om te onderscheiden welke onderdelen aan een beschreven eigenschap voldoen.
points
‘points’ verwijst hier naar afzonderlijke ideeën of onderdelen van de les. In “which points are clear” worden deze onderdelen beoordeeld; je gebruikt het voor individuele onderwerpen binnen een uitleg of les.
are
‘are’ verbindt in “points are clear” het meervoudige onderwerp met de eigenschap “clear”. Dit is een vorm van be die bij “points” past; je gebruikt hetzelfde patroon om meerdere dingen te beschrijven.
clear
‘clear’ betekent hier gemakkelijk te begrijpen in “points are clear”. Het beschrijft de punten na “are”; je gebruikt het om aan te geven dat informatie geen verdere uitleg nodig lijkt te hebben.
and
‘and’ verbindt hier twee soorten punten: “which points are clear” en “which ones need more practice”. Het voegt gelijkwaardige informatie samen; je gebruikt het om woorden, zinsdelen of zinnen te koppelen.
ones
‘ones’ verwijst hier terug naar de eerder genoemde punten in “which ones need more practice”. Het voorkomt dat “points” opnieuw wordt herhaald; je gebruikt het na “which” om bepaalde items uit een bekende groep aan te duiden.
need
‘need’ betekent hier nodig hebben in “which ones need more practice”. Het staat vóór “more practice” en geeft aan wat de punten vereisen; je gebruikt het patroon “need” plus wat noodzakelijk is.
Let's
‘Let's’ is de verkorte vorm van let us en stelt hier een gezamenlijke actie voor: “Let's each choose a few useful phrases”. Het staat aan het begin van de aansporing; je gebruikt het om samen iets voor te stellen.
each
‘each’ geeft in “Let's each choose” aan dat beide personen afzonderlijk een keuze maken. Het staat vóór “choose” en verdeelt de gezamenlijke actie over de deelnemers; je gebruikt het om personen één voor één te benadrukken.
few
‘few’ betekent hier een klein aantal in “a few useful phrases”. Het staat vóór het telbare meervoud “phrases”; je gebruikt “a few” om een beperkte maar aanwezige hoeveelheid aan te duiden.
test
‘test’ betekent hier de gekozen zinnen uitproberen en controleren in “test them after class”. Het staat na het gezamenlijke voorstel en vóór “them”; je gebruikt het voor een praktische controle van iets dat je hebt geleerd of voorbereid.
them
‘them’ verwijst hier naar de eerder genoemde nuttige zinnen. Het staat na “test” als datgene wat wordt uitgeprobeerd; je gebruikt het om naar meerdere al bekende dingen te verwijzen.
after
‘after’ geeft hier aan wanneer de zinnen worden getest: “after class”. Het staat vóór “class” en legt een tijdsvolgorde vast; je gebruikt het om een handeling na een gebeurtenis te plaatsen.
class
‘class’ verwijst hier naar de les die eerst plaatsvindt en waarna de zinnen worden getest. In “after class” is het de tijdsreferentie; je gebruikt het voor een les of onderwijsperiode.
routine
‘routine’ betekent hier een korte, herhaalbare manier van oefenen. In “A short routine” is het het onderwerp van de vergelijking; je gebruikt het voor een vaste reeks handelingen die regelmatig wordt uitgevoerd.
be
‘be’ staat hier na “will” in “will be easier” en vormt de verbinding met de eigenschap “easier”. Dit is de infinitiefvorm die na “will” wordt gebruikt; je gebruikt dit patroon om een toekomstige toestand of beoordeling te beschrijven.
easier
‘easier’ betekent hier minder moeilijk om te herhalen in “will be easier to repeat”. Het vergelijkt de korte routine met het lange herhalingsplan; je gebruikt de vorm om de moeilijkheid van twee opties tegenover elkaar te zetten.
repeat
‘repeat’ betekent hier de routine opnieuw uitvoeren in “easier to repeat”. Het staat na “to” en benoemt wat opnieuw wordt gedaan; je gebruikt het bij handelingen, oefeningen of routines die opnieuw plaatsvinden.
long
‘long’ beschrijft in “a long review plan” een plan dat veel tijd of inhoud omvat. Het staat vóór “review plan”; je gebruikt het om de duur of omvang van een plan te karakteriseren.
plan
‘plan’ verwijst hier naar de voorgenomen aanpak voor het herhalen van de les. In “a long review plan” wordt het door “long” en “review” beschreven; je gebruikt het voor een georganiseerde manier om iets uit te voeren.