Een korte presentatie over studiegewoonten | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: In a classroom, two adults plan a short presentation about study habits with an outline, transitions, and rehearsal notes..

NL → EN / Niveau: B1

Over deze les

Met Een korte presentatie over studiegewoonten oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

I have to give a short presentation next week.

ai hev tuh giv uh sjort prezentéésjun nekst wiek. Ik moet volgende week een korte presentatie geven.
B

Start with a clear outline before writing full sentences.

start with uh klir autlain bihfor raiting ful sentuhnsiz. Begin met een duidelijke opzet voordat je volledige zinnen schrijft.
A

My topic is how I changed my study habits.

mai topik iz hau ai tsjeindj mai stuhdi hebits. Mijn onderwerp is hoe ik mijn studiegewoonten heb veranderd.
B

That is relatable, so think about what the audience will learn.

dhet iz rihléétuhbul, sou tink uhbaut wot dhi ódiëns wil lurn. Dat is herkenbaar, dus bedenk wat het publiek zal leren.
A

I want to explain the problem, the change, and the result.

ai wont tuh eksplein dhuh problem, dhuh tsjeindj, uhnd dhuh rizult. Ik wil het probleem, de verandering en het resultaat uitleggen.
B

That structure works. Add simple transitions between those parts.

dhet struktsjur works. ed simpul tranzisjuns bitwien dhouz parts. Die structuur werkt. Voeg eenvoudige overgangen tussen die delen toe.
A

Should I memorize the whole presentation?

sjoed ai memuhraiz dhuh houl prezentéésjun? Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren?
B

Rehearse with notes so you sound more natural.

rihurs widh nouts sou joe saund mor netsjurul. Oefen met aantekeningen, zodat je natuurlijker klinkt.
A

I will practice twice and record myself.

ai wil prektis twais uhnd rikord maiself. Ik ga twee keer oefenen en mezelf opnemen.
B

That will help you improve your timing and sound more confident.

dhet wil help joe impruuv jor taiming uhnd saund mor konfiduhnt. Dat helpt je om je timing te verbeteren en zelfverzekerder te klinken.

Woord voor woord

I “I” verwijst hier naar de spreker zelf: de persoon die de presentatie moet geven. Het staat als onderwerp voor een werkwoord, zoals in “I want to explain”. Gebruik “I” wanneer je over jezelf spreekt.
have In “have to give” drukt “have” samen met “to” een verplichting uit: de spreker moet iets doen. De vaste constructie is “have to” plus een werkwoord, zoals “have to give”. Gebruik dit bijvoorbeeld wanneer je een verplichting of noodzakelijke taak beschrijft.
to In “have to give” markeert “to” de handeling die verplicht is. Het staat hier direct voor het werkwoord “give” in de constructie “have to give”. Gebruik deze combinatie om te zeggen dat iemand iets moet doen.
give “give” betekent hier een presentatie houden of geven. Het volgt op “have to” in “have to give a short presentation”. Gebruik “give” met een presentatie, toespraak of vergelijkbare activiteit wanneer je beschrijft dat iemand die uitvoert.
a “a” introduceert in “a short presentation” één niet nader bepaalde presentatie. Het staat voor een enkelvoudig zelfstandig naamwoord dat nog niet specifiek is gemaakt. Gebruik “a” wanneer je één exemplaar of gebeurtenis noemt zonder te zeggen welke precies.
short “short” beschrijft in “a short presentation” dat de presentatie weinig tijd duurt of beperkt van omvang is. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “presentation”. Gebruik “short” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je de beperkte lengte of duur ervan wilt aangeven.
presentation “presentation” betekent hier een mondelinge uiteenzetting voor een publiek. In “give a short presentation” is het iets wat de spreker moet houden. Gebruik “presentation” voor een geplande uitleg of voordracht voor toehoorders, bijvoorbeeld in een klas of op het werk.
next “next” betekent in “next week” de eerstvolgende week na deze week. Het vormt samen met “week” een tijdsaanduiding. Gebruik “next” vóór een tijdsperiode om naar de eerstvolgende periode te verwijzen.
week “week” verwijst hier naar een periode van zeven dagen. In “next week” geeft het aan wanneer de presentatie plaatsvindt. Gebruik “week” met een tijdsbepaler om te zeggen in welke week iets gebeurt.
Start “Start” is hier een aansporing om met iets te beginnen, namelijk met een duidelijke opzet. Het staat aan het begin van de opdracht “Start with a clear outline”. Gebruik deze vorm wanneer je iemand direct advies of een instructie geeft.
with In “Start with a clear outline” geeft “with” aan waarmee iemand moet beginnen. Het introduceert het hulpmiddel of onderdeel dat als eerste wordt gebruikt. Gebruik “start with” gevolgd door een taak, onderdeel of hulpmiddel wanneer je een beginpunt aanwijst.
clear “clear” betekent in “a clear outline” dat de opzet gemakkelijk te begrijpen en overzichtelijk is. Het staat vóór “outline” en beschrijft de kwaliteit ervan. Gebruik “clear” vóór woorden zoals “outline” wanneer iets begrijpelijk of goed gestructureerd moet zijn.
outline “outline” betekent hier een beknopt plan met de belangrijkste punten van de presentatie. In “Start with a clear outline” is het de eerste stap vóór het uitschrijven van volledige zinnen. Gebruik “outline” voor een overzicht dat de hoofdonderdelen van een tekst, gesprek of presentatie ordent.
before “before” geeft in “before writing full sentences” aan dat het maken van een opzet eerder moet gebeuren dan het schrijven van volledige zinnen. Het verbindt een tijdsrelatie tussen twee activiteiten. Gebruik “before” gevolgd door een activiteit om aan te geven wat eerst gebeurt.
writing “writing” verwijst hier naar het op schrift zetten van volledige zinnen. In “before writing full sentences” volgt het op “before” en benoemt het de activiteit die later komt. Gebruik “writing” voor het proces van woorden of zinnen opschrijven, vooral na een voorzetsel zoals “before”.
full “full” betekent in “full sentences” volledig uitgeschreven en niet alleen in verkorte notities. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord “sentences”. Gebruik “full” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je de complete vorm ervan bedoelt.
sentences “sentences” verwijst naar volledige groepen woorden die samen een uiting vormen. In “writing full sentences” zijn ze het materiaal dat de spreker na de opzet uitschrijft. Gebruik deze meervoudsvorm wanneer je over meerdere zinnen spreekt.
My “My” geeft in “My topic” aan dat het onderwerp bij de spreker hoort of door de spreker is gekozen. Het staat direct vóór “topic”. Gebruik “my” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je iets aan jezelf koppelt, zoals een onderwerp, plan of idee.
topic “topic” betekent hier het onderwerp waar de presentatie over gaat. In “My topic is how I changed my study habits” kondigt het de inhoud van de presentatie aan. Gebruik “topic” wanneer je het onderwerp van een gesprek, tekst, les of presentatie benoemt.
is “is” verbindt in “My topic is how I changed my study habits” het onderwerp met de uitleg ervan. Hier geeft het aan wat het onderwerp precies is. Gebruik “is” om een enkelvoudig onderwerp met een beschrijving of identificatie te verbinden.
how “how” legt in “how I changed my study habits” uit op welke manier de verandering plaatsvond. Het leidt hier een ingebedde uitleg over het onderwerp in. Gebruik “how” om de manier of het proces achter een gebeurtenis te beschrijven.
changed “changed” betekent hier dat de studiegewoonten anders zijn geworden dan vroeger. Het is de vorm van “change” die de verandering in het verleden beschrijft. Gebruik “changed” wanneer je een eerdere verandering in iemands gedrag, plan of situatie bespreekt.
study “study” beschrijft in “study habits” gewoonten die met leren of academisch werk te maken hebben. Het staat vóór “habits” en bepaalt over welk soort gewoonten het gaat. Gebruik “study” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer het verband houdt met studeren of leren.
habits “habits” betekent hier regelmatige manieren waarop iemand studeert. In “my study habits” gaat het om terugkerende studiegewoonten van de spreker. Gebruik deze meervoudsvorm wanneer je meerdere vaste gedragingen of routines beschrijft.
That “That” verwijst in “That is relatable” naar het eerder genoemde idee over veranderde studiegewoonten. Het neemt die vorige gedachte als onderwerp van de volgende zin. Gebruik “that” om naar een eerder genoemd idee, feit of voorstel te verwijzen.
relatable “relatable” betekent hier dat mensen in het publiek het onderwerp uit hun eigen ervaring kunnen herkennen. Het beschrijft de eerder genoemde verandering in studiegewoonten. Gebruik “relatable” wanneer een verhaal, probleem of ervaring herkenbaar is voor anderen.
so “so” introduceert in “so think about what the audience will learn” een gevolg van de vorige uitspraak. Omdat het onderwerp herkenbaar is, moet de spreker nadenken over wat het publiek leert. Gebruik “so” om een conclusie, gevolg of daaropvolgende aanbeveling in te leiden.
think “think” betekent hier bewust nadenken over wat het publiek zal leren. In “think about” vormt het een vaste combinatie met het voorzetsel “about”. Gebruik “think about” wanneer je iemand vraagt een onderwerp of mogelijkheid zorgvuldig te overwegen.
about In “think about what the audience will learn” geeft “about” aan waarover iemand moet nadenken. Het verbindt “think” met het onderwerp van de overweging. Gebruik “think about” gevolgd door een onderwerp, vraag of situatie.
what “what” verwijst in “what the audience will learn” naar de inhoud die het publiek zal leren. Het leidt hier een deelzin in die antwoord geeft op de vraag waarover nagedacht moet worden. Gebruik “what” om te verwijzen naar datgene wat iemand doet, weet, kiest of leert.
the “the” verwijst in “the audience” naar het specifieke publiek van de presentatie. Het publiek is in deze situatie al bepaald door de context. Gebruik “the” wanneer de luisteraar weet over welke persoon, groep of zaak het gaat.
audience “audience” betekent hier de groep mensen die naar de presentatie luistert. In “what the audience will learn” is deze groep degene die kennis opdoet. Gebruik “audience” voor de toehoorders van een presentatie, voorstelling of andere voordracht.
will “will” markeert in “will learn” een gebeurtenis die in de toekomst ligt. Het verwijst naar wat het publiek tijdens of na de presentatie zal leren. Gebruik “will” vóór een werkwoord om een toekomstige gebeurtenis of verwachting uit te drukken.
learn “learn” betekent hier kennis of inzicht krijgen door naar de presentatie te luisteren. Het staat na “will” in “will learn”. Gebruik “learn” met een onderwerp, vaardigheid of informatie die iemand zich eigen maakt.
want “want” betekent in “I want to explain” dat de spreker iets wil doen of van plan is te doen. Het wordt gevolgd door “to explain”. Gebruik “want to” plus een werkwoord om een wens of bedoeling uit te drukken.
explain “explain” betekent hier iets duidelijk maken door het probleem, de verandering en het resultaat te bespreken. Het staat na “want to” in “want to explain the problem”. Gebruik “explain” met de zaak of het onderwerp dat je begrijpelijk wilt maken.
problem “problem” verwijst hier naar de moeilijkheid die in de presentatie wordt besproken. In “explain the problem” is het een van de drie onderdelen van de structuur. Gebruik “problem” voor een situatie of kwestie die moeilijkheden veroorzaakt of om een oplossing vraagt.
change “change” betekent hier de verandering in de studiegewoonten van de spreker. In “the problem, the change, and the result” is het een afzonderlijk onderdeel van de presentatie. Gebruik “change” voor een verschil of ontwikkeling tussen een eerdere en een latere situatie.
and “and” verbindt in “the change, and the result” onderdelen die samen worden opgesomd. Het koppelt hier het laatste onderdeel aan de eerdere onderdelen. Gebruik “and” om woorden, zinsdelen of ideeën bij elkaar te voegen.
result “result” betekent hier de uitkomst van de verandering in studiegewoonten. Het is in de opsomming “the problem, the change, and the result” het onderdeel dat volgt op de verandering. Gebruik “result” voor wat er door een handeling of verandering uiteindelijk gebeurt.
structure “structure” betekent hier de manier waarop de presentatie in onderdelen is georganiseerd. In “That structure works” verwijst het naar de volgorde van probleem, verandering en resultaat. Gebruik “structure” wanneer je bespreekt hoe een tekst, presentatie of plan is opgebouwd.
works “works” betekent in “That structure works” dat de voorgestelde opbouw effectief en geschikt is. Het is de vorm van “work” bij “that structure”. Gebruik “works” wanneer je zegt dat een plan, methode of oplossing goed functioneert.
Add “Add” is hier een directe instructie om iets extra’s op te nemen in de presentatie. In “Add simple transitions” gaat het om verbindende overgangen tussen onderdelen. Gebruik deze vorm wanneer je iemand vraagt iets aan een bestaand plan, document of presentatie toe te voegen.
simple “simple” betekent in “simple transitions” gemakkelijk te begrijpen en niet ingewikkeld. Het beschrijft het soort overgangen dat tussen de onderdelen moet komen. Gebruik “simple” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je nadruk legt op duidelijkheid en beperkte complexiteit.
transitions “transitions” verwijst hier naar woorden of zinnen die de overgang tussen delen van een presentatie duidelijk maken. In “Add simple transitions between those parts” verbinden ze de verschillende onderdelen. Gebruik deze meervoudsvorm wanneer je meerdere overgangen tussen tekst- of presentatiedelen bespreekt.
between “between” geeft in “between those parts” aan dat de overgangen zich in de ruimte of volgorde van afzonderlijke delen bevinden. Het beschrijft de relatie tussen de verschillende presentatieonderdelen. Gebruik “between” om een relatie of positie ten opzichte van twee of meer afzonderlijke zaken aan te geven.
those “those” verwijst in “those parts” naar de specifieke onderdelen die zojuist zijn genoemd: het probleem, de verandering en het resultaat. Het staat vóór “parts” en wijst terug naar die bekende onderdelen. Gebruik “those” wanneer je naar eerder genoemde zaken verwijst die op afstand van de huidige spreker of gedachte staan.
parts “parts” betekent hier de afzonderlijke onderdelen van de presentatie. In “those parts” verwijst het naar het probleem, de verandering en het resultaat. Gebruik deze meervoudsvorm wanneer iets uit meerdere secties of componenten bestaat.
Should “Should” vraagt in “Should I memorize the whole presentation?” of iets verstandig of aanbevolen is. Het staat voor het onderwerp “I” in de vraag. Gebruik “should” om advies te vragen of te geven over een handeling.
memorize “memorize” betekent hier de hele presentatie zo leren dat de spreker die uit het geheugen kan opzeggen. Het volgt op “Should I” in “Should I memorize the whole presentation?”. Gebruik “memorize” voor het doelbewust uit het hoofd leren van tekst, informatie of een presentatie.
whole “whole” betekent in “the whole presentation” de volledige presentatie als één geheel. Het benadrukt dat niet slechts een deel geleerd zou worden. Gebruik “whole” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je de complete omvang ervan bedoelt.
Rehearse “Rehearse” is hier een instructie om de presentatie vooraf te oefenen. In “Rehearse with notes” gebeurt dat met behulp van aantekeningen. Gebruik deze vorm wanneer je iemand aanspoort een voordracht of optreden voor te bereiden door het te oefenen.
notes “notes” betekent hier korte geschreven herinneringen die de spreker tijdens het oefenen kan gebruiken. In “Rehearse with notes” zijn ze een hulpmiddel bij de voorbereiding. Gebruik deze meervoudsvorm voor beknopte aantekeningen die je helpen informatie of aandachtspunten te onthouden.
you “you” verwijst in deze zin naar de persoon die het advies krijgt: de spreker van de presentatie. In “so you sound more natural” is die persoon ook degene die natuurlijker klinkt. Gebruik “you” om de aangesproken persoon of personen als onderwerp of voorwerp aan te duiden.
sound “sound” betekent in “sound more natural” klinken of overkomen op anderen. Het beschrijft hier hoe de presentatie voor het publiek klinkt. Gebruik “sound” gevolgd door een beschrijving om te zeggen welke indruk iemands stem of manier van spreken maakt.
more “more” geeft in “more natural” een hogere mate van natuurlijkheid aan dan vóór het oefenen. Het versterkt hier het bijvoeglijk naamwoord “natural”. Gebruik “more” vóór een beschrijving wanneer je een grotere mate van een eigenschap wilt aangeven.
natural “natural” betekent hier ontspannen en niet alsof de presentatie woord voor woord wordt opgezegd. In “sound more natural” beschrijft het de manier waarop de spreker klinkt. Gebruik “natural” om een manier van spreken of gedrag te beschrijven die spontaan en niet geforceerd overkomt.
practice “practice” betekent hier een activiteit herhalen om de presentatie beter te kunnen geven. In “I will practice twice” gaat het om twee oefenmomenten vóór de presentatie. Gebruik “practice” voor herhaalde oefening van een vaardigheid, voordracht of taak.
record “record” betekent hier een opname maken van de eigen presentatie of stem. Het staat in “record myself” na “will” en benoemt de handeling die de spreker gaat uitvoeren. Gebruik “record” met een stem, gesprek of presentatie wanneer je die wilt vastleggen om later terug te luisteren.
myself “myself” verwijst in “record myself” terug naar de spreker als degene die wordt opgenomen. Het maakt duidelijk dat de spreker een opname van zichzelf maakt. Gebruik “myself” wanneer de spreker zelf degene is die door de handeling wordt geraakt.
help “help” betekent in “That will help you improve your timing” bijdragen aan een verbetering. De opname en oefening maken het gemakkelijker om de timing te verbeteren en zelfverzekerder te klinken. Gebruik “help” met een persoon en een werkwoord om te beschrijven dat iets iemand ondersteunt bij een handeling.
improve “improve” betekent hier beter maken of beter worden, specifiek wat betreft de timing van de presentatie. In “help you improve your timing” volgt het na “help you”. Gebruik “improve” met een vaardigheid, kwaliteit of resultaat dat beter moet worden.
your “your” geeft in “your timing” aan dat de timing bij de aangesproken spreker hoort. Het staat vóór “timing”. Gebruik “your” vóór een zelfstandig naamwoord wanneer iets toebehoort aan of verbonden is met de persoon die je aanspreekt.
timing “timing” verwijst hier naar de manier waarop de spreker de tijd en het tempo van de presentatie verdeelt. In “improve your timing” is het een vaardigheid die door oefenen beter kan worden. Gebruik “timing” wanneer het juiste moment, tempo of de tijdsverdeling van een activiteit belangrijk is.
confident “confident” betekent hier zekerder van jezelf klinken tijdens de presentatie. In “sound more confident” beschrijft het de indruk die de spreker op het publiek maakt. Gebruik “confident” om iemand te beschrijven die vertrouwen in zichzelf of zijn of haar optreden uitstraalt.

Grammatica

practice + verb-ing

Practice writing clear sentences.

prektis raiting klir sentuhnsiz.

Oefen met het schrijven van duidelijke zinnen.

Na practice gebruik je vaak een werkwoord op -ing: practice writing, niet practice to write.

Engels woordenschat

audience zelfstandig naamwoord
ódiëns publiek
change zelfstandig naamwoord
tsjeindj verandering
clear bijvoeglijk naamwoord
klir duidelijk
explain werkwoord
eksplein uitleggen
next week uitdrukking
nekst wiek volgende week
outline zelfstandig naamwoord
autlain opzet
presentation zelfstandig naamwoord
prezentéésjun presentatie
relatable bijvoeglijk naamwoord
rihléétuhbul herkenbaar
sentence zelfstandig naamwoord
sentuhns zin sentences
study habit zelfstandig naamwoord
stuhdi hebit studiegewoonte study habits
topic zelfstandig naamwoord
topik onderwerp
write werkwoord
rait schrijven writing

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren?

Antwoord tonenShould I memorize the whole presentation?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

duidelijk

Antwoord tonenclear

opzet

Antwoord tonenoutline

zin

Antwoord tonensentences

presentatie

Antwoord tonenpresentation