Elke dag 10 minuten gratis
Ga verder met audiolessen in de app
Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.
Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm
Kies je leertaal en open deze les in de app.
Over deze les
Met Een korte presentatie over studiegewoonten oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.
Dialoog
I have to give a short presentation next week.
ai hev tuh giv uh sjort prezentéésjun nekst wiek. Ik moet volgende week een korte presentatie geven.Start with a clear outline before writing full sentences.
start with uh klir autlain bihfor raiting ful sentuhnsiz. Begin met een duidelijke opzet voordat je volledige zinnen schrijft.My topic is how I changed my study habits.
mai topik iz hau ai tsjeindj mai stuhdi hebits. Mijn onderwerp is hoe ik mijn studiegewoonten heb veranderd.That is relatable, so think about what the audience will learn.
dhet iz rihléétuhbul, sou tink uhbaut wot dhi ódiëns wil lurn. Dat is herkenbaar, dus bedenk wat het publiek zal leren.I want to explain the problem, the change, and the result.
ai wont tuh eksplein dhuh problem, dhuh tsjeindj, uhnd dhuh rizult. Ik wil het probleem, de verandering en het resultaat uitleggen.That structure works. Add simple transitions between those parts.
dhet struktsjur works. ed simpul tranzisjuns bitwien dhouz parts. Die structuur werkt. Voeg eenvoudige overgangen tussen die delen toe.Should I memorize the whole presentation?
sjoed ai memuhraiz dhuh houl prezentéésjun? Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren?Rehearse with notes so you sound more natural.
rihurs widh nouts sou joe saund mor netsjurul. Oefen met aantekeningen, zodat je natuurlijker klinkt.I will practice twice and record myself.
ai wil prektis twais uhnd rikord maiself. Ik ga twee keer oefenen en mezelf opnemen.That will help you improve your timing and sound more confident.
dhet wil help joe impruuv jor taiming uhnd saund mor konfiduhnt. Dat helpt je om je timing te verbeteren en zelfverzekerder te klinken.Uitleg van de zinnen
I have to give a short presentation next week.
Ik moet volgende week een korte presentatie geven.
- I have to
- ik moet
- give
- geven
- short
- kort
- presentation
- presentatie
- next
- volgende
- week
- week
Uitgebreide uitleg
I have to drukt hier een verplichting van de spreker uit: “ik moet”. De constructie is have to + werkwoord: I have to leave = “ik moet vertrekken”. Have staat hier bij I; bij he/she/it wordt het has to, bijvoorbeeld She has to study = “Zij moet studeren”. give betekent hier “geven” in de vaste combinatie give a presentation: een presentatie geven. Na to staat de basisvorm van het werkwoord: to give, niet een vervoegde vorm. Voorbeeld: They have to give a short talk. = “Zij moeten een korte toespraak geven.” short beschrijft de presentatie als kort. De vergelijkingsreeks is short – shorter – shortest: This presentation is shorter. = “Deze presentatie is korter.” Het woord short is hier een bijvoeglijk naamwoord bij presentation. presentation is een zelfstandig naamwoord voor een presentatie of voordracht. Het meervoud is presentations: We have two presentations today. = “We hebben vandaag twee presentaties.” In de vaste zin staat a presentation; a markeert hier een enkelvoudig telbaar zelfstandig naamwoord, zonder op zichzelf een specifieke hoeveelheid uit te drukken. next betekent hier “volgende” in de tijdsaanduiding next week. Het beschrijft welke week bedoeld wordt. Vergelijk last week = “vorige week” en this week = “deze week”. week betekent “week”; het meervoud is weeks. In next week staat het zelfstandig naamwoord na het tijdsbepalende next, zonder lidwoord: I will call you next week. = “Ik bel je volgende week.” Samen vormen de delen: I have to + give + a short presentation + next week. De spreker zegt dus dat hij of zij volgende week verplicht is een korte presentatie te geven: “Ik moet volgende week een korte presentatie geven.”
Start with a clear outline before writing full sentences.
Begin met een duidelijke opzet voordat je volledige zinnen schrijft.
- Start with
- begin met
- clear
- duidelijk
- outline
- opzet
- before
- voordat
- writing
- schrijven
- full
- volledig
- sentences
- zinnen
Uitgebreide uitleg
Start with is hier een bevel: begin met iets. Start is de basisvorm van het werkwoord start; in een Engelse gebiedende wijs staat het onderwerp meestal niet expliciet, maar de aangesproken persoon wordt bedoeld. Het patroon Start with + zelfstandig naamwoord is direct herbruikbaar. Voorbeeld: Start with the easiest question. — Begin met de gemakkelijkste vraag. clear beschrijft hier outline: de opzet moet helder of gemakkelijk te volgen zijn. Dit bijvoeglijk naamwoord verandert in deze vorm niet voor enkelvoud of meervoud. Een nuttig contrast is clear tegenover unclear: The instructions are clear. — De instructies zijn duidelijk. outline is hier een zelfstandig naamwoord voor een opzet of schema van de hoofdpunten. Het werkwoord to outline bestaat ook en betekent ‘in hoofdlijnen beschrijven’, maar in deze zin staat outline na a als zelfstandig naamwoord. Voorbeeld: I made an outline first. — Ik maakte eerst een opzet. before geeft aan dat de volgende handeling later plaatsvindt dan de handeling ervoor: eerst beginnen met een opzet, daarna volledige zinnen schrijven. Hier staat before voor de -ing-vorm writing en vormt het geheel before writing full sentences. Het kan ook vóór een zelfstandig naamwoord staan, bijvoorbeeld before class — vóór de les. writing is de -ing-vorm van write, hier gebruikt voor de activiteit ‘schrijven’ na before. Bij write valt de slot-e weg vóór -ing: write → writing. Voorbeeld: Check the facts before writing the report. — Controleer de feiten voordat je het verslag schrijft. full betekent hier ‘volledig’: het gaat om volledige zinnen, niet om losse woorden of onvolledige zinsfragmenten. Het bijvoeglijk naamwoord blijft in deze vorm hetzelfde bij enkelvoud en meervoud. Voorbeeld: Write a full answer. — Schrijf een volledig antwoord. sentences is het meervoud van sentence, ‘zin’. Het enkelvoud is sentence; het meervoud krijgt -s: one sentence, two sentences. In deze zin is sentences het lijdend voorwerp van writing: wat er geschreven wordt. Voorbeeld: These sentences are short. — Deze zinnen zijn kort. Samen vormt de zin het herbruikbare patroon Start with [eerste stap] before [handeling met -ing]: begin met een duidelijke opzet voordat je volledige zinnen schrijft. De gebiedende wijs geeft het advies rechtstreeks; before ordent de twee activiteiten in de tijd.
My topic is how I changed my study habits.
Mijn onderwerp is hoe ik mijn studiegewoonten heb veranderd.
- My
- mijn
- topic
- onderwerp
- how
- hoe
- I
- ik
- changed
- veranderde
- study
- studie-; met studie te maken hebbend
- habits
- gewoonten
Uitgebreide uitleg
My geeft bezit of verbondenheid met de spreker aan: “mijn”. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord en verandert niet voor enkelvoud of meervoud: my book = “mijn boek” en my books = “mijn boeken”. topic betekent hier “onderwerp”: datgene waarover iemand spreekt of schrijft. Het meervoud is topics. Voorbeeld: The topic is climate change. = “Het onderwerp is klimaatverandering.” how betekent hier “hoe” en leidt de inhoud van het onderwerp in. In how I changed ... is het geen losse vraag, maar het introduceert een ingebedde inhoudszin over de manier waarop de verandering gebeurde. Voorbeeld: I know how she works. = “Ik weet hoe zij werkt.” I is het onderwerpsvoornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud: “ik”. Deze vorm staat als onderwerp vóór het werkwoord, zoals in I study = “ik studeer”. Als dezelfde persoon het lijdend voorwerp is, gebruikt het Engels me: She helped me. = “Zij hielp mij.” changed is de simple-pastvorm van change, “veranderen”. Hier beschrijft die vorm een verandering in het verleden; er staat geen have bij, dus dit is geen zichtbare perfectconstructie. I changed my plan yesterday. betekent “Ik veranderde gisteren mijn plan.” De Nederlandse vertaling gebruikt hier passend het perfectum: “heb veranderd”. study staat hier vóór habits als een zelfstandig naamwoord dat een ander zelfstandig naamwoord nader bepaalt. Het specificeert dat de gewoonten met studeren te maken hebben. Voorbeeld: study time = “studietijd”. habits is het meervoud van habit, “gewoonte”. Het verwijst hier naar terugkerende manieren van studeren. Het enkelvoud is habit, en het meervoud krijgt de uitgang -s: one habit, two habits. Samen vormt My topic is ... de structuur “Mijn onderwerp is ...”. how I changed my study habits vult in wat dat onderwerp is: de manier waarop de spreker zijn of haar studiegewoonten veranderde. De volledige betekenis is: “Mijn onderwerp is hoe ik mijn studiegewoonten heb veranderd.”
That is relatable, so think about what the audience will learn.
Dat is herkenbaar, dus bedenk wat het publiek zal leren.
- That
- dat
- relatable
- herkenbaar
- so
- dus
- think about
- nadenken over
- what
- wat
- audience
- publiek
- will
- zal
- learn
- leren
Uitgebreide uitleg
That betekent hier dat en verwijst naar een eerder genoemde uitspraak of situatie; de precieze referent wordt in deze zin niet verder benoemd. Als aanwijzend voornaamwoord kan that ook naar één concreet ding verwijzen, maar hier staat het zelfstandig aan het begin van de zin. relatable beschrijft iets waarmee mensen zich kunnen identificeren of dat zij herkenbaar vinden. Het is een bijvoeglijk naamwoord: relate is het werkwoord in de betekenis ‘een verband hebben met’ of ‘zich kunnen verplaatsen in’, terwijl relatable het effect op de lezer of luisteraar benadrukt. Voorbeeld: The character is relatable. — Het personage is herkenbaar. so verbindt hier een reden of beoordeling met een gevolg en betekent dus. Het leidt niet zelf het onderwerp van de tweede handeling in; het verbindt That is relatable met de aansporing think about .... think about is een vaste combinatie van het werkwoord think met about voor nadenken over een onderwerp. Think is hier de gebiedende wijs: het onderwerp you wordt in het Engels meestal niet uitgesproken. Vergelijk: Think about the question. — Denk na over de vraag. Think of kan in andere contexten ook voorkomen, maar think about past hier bij gericht nadenken over wat het publiek zal leren. what introduceert hier een ingebedde vraag naar de inhoud van het leren: wat. Het is geen los vraagwoord dat een directe vraag opent; de hele combinatie what the audience will learn is het onderwerp waarover nagedacht moet worden. In een indirecte vraag blijft de woordvolgorde Engels: I know what she learned. — Ik weet wat zij heeft geleerd. audience betekent publiek: de groep mensen die naar een presentatie of andere uiteenzetting luistert. Het is een zelfstandig naamwoord. Het meervoud is audiences wanneer het om meerdere afzonderlijke publieksgroepen gaat. Voorbeeld: The audience listened carefully. — Het publiek luisterde aandachtig. will staat hier vóór het werkwoord om een toekomstige verwachting of gebeurtenis uit te drukken: wat het publiek later zal leren. Na will staat het werkwoord in de basisvorm; daarom is het will learn, niet een vervoegde vorm zoals will learns. Will verandert niet mee met de persoon: I will learn, she will learn, they will learn. learn betekent hier kennis of inzicht verwerven. De basisvorm is learn; de verleden tijd en het voltooid deelwoord zijn in het Engels meestal learned, met ook de variant learnt in veel variëteiten. Voorbeeld: They learn a new method. — Zij leren een nieuwe methode. Samen betekent That is relatable dat de eerder bedoelde inhoud herkenbaar is. So maakt daarvan een gevolg: de aangesprokene moet nadenken over what the audience will learn, dus over de kennis of het inzicht dat het publiek in de toekomst uit de uiteenzetting zal halen. De volledige betekenis is: Dat is herkenbaar, dus bedenk wat het publiek zal leren.
I want to explain the problem, the change, and the result.
Ik wil het probleem, de verandering en het resultaat uitleggen.
- I want
- ik wil
- explain
- uitleggen
- problem
- probleem
- change
- verandering
- result
- resultaat
Uitgebreide uitleg
I want drukt hier uit dat de spreker iets wil doen. want is de basisvorm; bij he, she en it wordt dat wants. Na want staat voor een handeling doorgaans to plus de basisvorm: I want to learn = “Ik wil leren”. explain betekent hier iets begrijpelijk maken door het toe te lichten. In to explain staat de basisvorm na to; in de tegenwoordige tijd krijg je bijvoorbeeld I explain, maar he explains. Voorbeeld: Please explain the rule. = “Leg de regel alstublieft uit.” problem betekent hier een probleem of kwestie. Het is een telbaar zelfstandig naamwoord: a problem = “een probleem” en problems = “problemen”. Het meervoud krijgt hier de uitgang -s. change betekent hier een verandering of wijziging. Ook dit is een telbaar zelfstandig naamwoord: a change = “een verandering” en changes = “veranderingen”. Als werkwoord kan change ook “veranderen” betekenen, maar in deze zin is het een zelfstandig naamwoord. result betekent hier de uitkomst. Het is een telbaar zelfstandig naamwoord: a result = “een resultaat” en results = “resultaten”. In deze zin staat het enkelvoud na the. De structuur I want to explain betekent “ik wil uitleggen”. Daarna volgt een opsomming van drie zelfstandige naamwoordgroepen: the problem, the change en the result. The verwijst hier bij elk zelfstandig naamwoord naar een bepaald, in de context geïdentificeerd onderdeel; and verbindt de drie onderdelen. Samen betekent de zin: “Ik wil het probleem, de verandering en het resultaat uitleggen.”
That structure works. Add simple transitions between those parts.
Die structuur werkt. Voeg eenvoudige overgangen tussen die delen toe.
- That
- die
- structure
- structuur
- works
- werkt
- Add
- voeg toe
- simple
- eenvoudige
- transitions
- overgangen
- between
- tussen
- those
- die
- parts
- delen
Uitgebreide uitleg
That verwijst hier naar de structuur die in dezelfde zin wordt genoemd. In het Engels staat that vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord als aanwijzend woord. Het meervoudige tegenstuk is those: that structure, maar those parts. structure betekent hier een opbouw of indeling. Het is een zelfstandig naamwoord; het meervoud is structures. Voorbeeld: The structure is clear. — De structuur is duidelijk. works betekent hier dat iets goed functioneert of effectief is. De basisvorm is work; works is de tegenwoordige tijd bij een enkelvoudig onderwerp zoals that structure. Bij I, you, we en they blijft de vorm work: These methods work. — Deze methoden werken. Add is de gebiedende wijs van add en geeft de aangesproken persoon het advies of de opdracht iets toe te voegen. De gebiedende wijs gebruikt de basisvorm zonder uitgesproken onderwerp. Voorbeeld: Add a title. — Voeg een titel toe. simple beschrijft transitions en betekent hier eenvoudig, zonder veel complexiteit. Het bijvoeglijk naamwoord verandert in het Engels niet van vorm voor enkelvoud of meervoud: a simple transition en simple transitions. transitions betekent hier overgangen die onderdelen van een uitleg met elkaar verbinden. Het enkelvoud is transition; de uitgang -s markeert hier het meervoud. Voorbeeld: Use a transition between the two ideas. — Gebruik een overgang tussen de twee ideeën. between betekent tussen en verbindt hier de overgangen met de delen waartussen ze staan. Het wordt vaak gebruikt voor twee duidelijk onderscheiden kanten of elementen; in deze zin gaat het om de relaties tussen de genoemde delen. those is het meervoudige aanwijzende woord voor zaken die niet als één enkel ding worden aangeduid. Hier bepaalt de vorm dat het bijbehorende zelfstandig naamwoord meervoudig is: those parts. Het enkelvoudige paar is that part. parts betekent hier de afzonderlijke onderdelen van de structuur of uitleg. Het enkelvoud is part; de -s markeert het meervoud. Voorbeeld: These parts are connected. — Deze onderdelen zijn met elkaar verbonden. Samen betekent That structure works: die structuur functioneert goed. Daarna geeft Add simple transitions between those parts een opdracht: voeg eenvoudige overgangen toe tussen die delen. De eerste zin beoordeelt de bestaande structuur; de tweede bouwt daarop voort met een concrete verbetering.
Should I memorize the whole presentation?
Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren?
- Should I
- Moet ik ...?
- memorize
- uit het hoofd leren
- whole
- hele
- presentation
- presentatie
Uitgebreide uitleg
Should I staat aan het begin van een ja-neevraag. Hier vraagt de spreker of die persoon iets moet doen; de vaste vertaling geeft dat weer als Moet ik ...?. Een bruikbaar patroon is Should I + werkwoord ...? Het werkwoord na should blijft in de basisvorm, dus memorize, niet een vorm met to of een verleden tijd. In een gewone mededeling staat dezelfde keuze als I should memorize .... memorize betekent hier iets zo leren dat je het zonder de tekst kunt opzeggen. De basisvorm is memorize; na should blijft die vorm onveranderd. In de tegenwoordige tijd krijgt de derde persoon enkelvoud wel -s: She memorizes the presentation. — Zij leert de presentatie uit het hoofd. whole betekent hier hele of volledige en versterkt het zelfstandig naamwoord dat erop volgt. De vorm whole verandert niet voor enkelvoud of meervoud: the whole presentation tegenover the whole presentations. presentation betekent hier presentatie, een georganiseerde mondelinge uiteenzetting, vaak met bijbehorende onderdelen of dia’s. Het meervoud is presentations. In deze zin verwijst the presentation naar een specifieke presentatie; the markeert die bepaalde verwijzing. Samen vormen de delen Should I memorize the whole presentation? De vraag betekent: Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren? De vraag gaat dus over de keuze of de spreker de volledige presentatie zonder tekst moet leren. Een bruikbaar patroon is Should I + basisvorm van het werkwoord + ...?, bijvoorbeeld: Should I rehearse with notes? — Moet ik met aantekeningen oefenen?
Rehearse with notes so you sound more natural.
Oefen met aantekeningen, zodat je natuurlijker klinkt.
- Rehearse
- oefen
- with notes
- met aantekeningen
- so
- zodat
- sound
- klinken
- more natural
- natuurlijker
Uitgebreide uitleg
Rehearse betekent hier dat je iets herhaaldelijk oefent, vooral een presentatie of tekst die je later gaat uitvoeren. Het is de gebiedende wijs: de spreker geeft de luisteraar een instructie. De basisvorm is rehearse; bruikbare vormen zijn rehearses, rehearsed en rehearsing. Voorbeeld: Rehearse the introduction. — Oefen de inleiding. with notes geeft aan dat de aantekeningen het hulpmiddel zijn waarmee je oefent. With betekent hier dus ongeveer ‘met behulp van’, niet dat de aantekeningen samen met iemand oefenen. Voorbeeld: She rehearses with notes. — Zij oefent met aantekeningen. so leidt hier de reden of het beoogde gevolg van het oefenen in: ‘zodat’. De bijzin daarna heeft zijn eigen onderwerp, you, en zijn eigen werkwoord, sound. Voorbeeld: Speak slowly so people understand you. — Spreek langzaam, zodat mensen je begrijpen. Sound betekent hier niet ‘een geluid maken’, maar ‘klinken’ of ‘overkomen op het gehoor’. Het onderwerp van sound is you: de zin beschrijft hoe jij klinkt voor een luisteraar. De basisvorm is sound; in de derde persoon enkelvoud is het sounds, en verleden tijd en voltooid deelwoord zijn sounded. Voorbeeld: You sound confident. — Je klinkt zelfverzekerd. More natural is de vergelijkende vorm van het bijvoeglijk naamwoord natural: natural — more natural — most natural. Het gaat hier om een vergelijking met hoe je zonder deze oefening of op een eerder moment klinkt; het vergelijkingspunt wordt niet expliciet genoemd. More hoort bij natural, niet bij sound. Voorbeeld: This version sounds more natural. — Deze versie klinkt natuurlijker. Samen vormt de zin een instructie: Rehearse zegt wat je moet doen, with notes zegt welk hulpmiddel je daarbij gebruikt, en so you sound more natural geeft het beoogde resultaat. De volledige betekenis is: oefen met aantekeningen, zodat je natuurlijker klinkt. De formulering is geschikt voor gewone, directe oefeninstructies.
I will practice twice and record myself.
Ik ga twee keer oefenen en mezelf opnemen.
- I will
- ik ga
- practice
- oefenen
- twice
- twee keer
- record
- opnemen
- myself
- mezelf
Uitgebreide uitleg
I will drukt uit dat de spreker iets in de toekomst zal doen of dat voornemen heeft. I is de eerste persoon enkelvoud; will verandert hier niet mee: I will, you will en they will. In alledaagse taal wordt dit vaak verkort tot I'll. Voorbeeld: I will call tomorrow. — Ik bel morgen. practice betekent hier “oefenen”. Het is een werkwoord; de basisvorm staat na will: will practice. In de tegenwoordige tijd krijgt het bij he, she of it de vorm practices, terwijl I, you en they practice gebruiken. Voorbeeld: They practice every day. — Zij oefenen elke dag. twice betekent “twee keer” en geeft aan hoe vaak de handeling gebeurt. Het is een bijwoord van frequentie. once betekent “één keer” en three times betekent “drie keer”. Voorbeeld: She reads it twice. — Zij leest het twee keer. record betekent hier “opnemen”, bijvoorbeeld met een telefoon of ander apparaat. Het is een zelfstandig werkwoord; na will blijft het in de basisvorm: will record. In andere tijden kan het bijvoorbeeld recorded zijn. Voorbeeld: I record the lesson. — Ik neem de les op. myself betekent “mezelf”. Dit is een wederkerend voornaamwoord dat terugverwijst naar I: de spreker neemt de spreker zelf op. De vorm hoort dus bij de eerste persoon enkelvoud: myself; vergelijk yourself bij you en themselves bij they. Voorbeeld: I taught myself. — Ik heb mezelf iets aangeleerd. Samen vormen de delen: I will practice (“ik ga oefenen”), twice (“twee keer”) en record myself (“mezelf opnemen”). De volledige betekenis is daarom: “Ik ga twee keer oefenen en mezelf opnemen.” De twee werkwoorden staan na will in de basisvorm; and verbindt de twee toekomstige handelingen.
That will help you improve your timing and sound more confident.
Dat helpt je om je timing te verbeteren en zelfverzekerder te klinken.
- That
- dat
- will
- zal
- help
- helpen
- you
- je
- improve
- verbeteren
- timing
- timing
- sound
- klinken
- more confident
- zelfverzekerder
Uitgebreide uitleg
That betekent hier “dat” en staat als onderwerp voor iets dat eerder is genoemd: in de context gaat het om oefenen en jezelf opnemen. In andere zinnen kan that ook verwijzen naar iets dat op dat moment wordt aangewezen of besproken. will maakt hier een toekomstige verwachting of voorspelling: iets zal helpen. Het verandert niet voor persoon of getal: I will, she will en they will gebruiken allemaal will. De verkorte vorm is That’ll help .... help betekent hier “helpen”. Na help kun je een persoon en daarna een werkwoord zonder to gebruiken: It helps me learn. = “Het helpt me leren.” help blijft na will in de basisvorm; will helps is niet correct. you is het object van help: de hulp is gericht aan “jou”. Hetzelfde woord kan in het Engels zowel enkelvoud als meervoud zijn; de context bepaalt hoeveel personen bedoeld zijn. improve betekent “verbeteren”. In help you improve staat het in de basisvorm, omdat het volgt op het patroon help + persoon + werkwoord. Met to is ook mogelijk: help you to improve, maar zonder to is heel gebruikelijk. timing is hier een zelfstandig naamwoord voor het kiezen van het juiste moment of de juiste timing. Het is gevormd met -ing, maar functioneert in deze zin als naamwoord. In improve your timing is your de bezitter: het gaat om de timing van de aangesprokene. sound betekent hier “klinken” of “overkomen”. Het is een koppelwerkwoord: na sound staat een bijvoeglijk naamwoord, zoals in You sound tired. = “Je klinkt moe.” Het gaat dus niet om het zelfstandig naamwoord sound (“geluid”) in deze zin. more confident betekent “zelfverzekerder”. Confident is de basisvorm; more confident is de vergrotende vorm. Het woord more hoort bij het bijvoeglijk naamwoord confident, niet bij sound. Voor een kort contrast: She sounds confident. = “Ze klinkt zelfverzekerd”; She sounds more confident. = “Ze klinkt zelfverzekerder.” Samen vormen de delen: That will help you = “Dat zal je helpen”, improve your timing = “je timing te verbeteren”, en sound more confident = “zelfverzekerder te klinken”. De hele zin zegt dus dat de eerder genoemde activiteit zal bijdragen aan een betere timing en een zelfverzekerdere indruk van de spreker.
Grammatica
practice + verb-ing
Practice writing clear sentences.
prektis raiting klir sentuhnsiz.Oefen met het schrijven van duidelijke zinnen.
Na practice gebruik je vaak een werkwoord op -ing: practice writing, niet practice to write.
Engels woordenschat
Quiz
Woordvolgorde
Zet de woorden in de juiste volgorde.
Moet ik de hele presentatie uit mijn hoofd leren?
Antwoord tonen
Should I memorize the whole presentation?Spelling
Tik op de letters om het woord te spellen.
duidelijk
Antwoord tonen
clearopzet
Antwoord tonen
outlinezin
Antwoord tonen
sentencespresentatie