Ervaring met een kookles | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: After a cooking class, two adults discuss useful techniques, feedback on a dish, and growing confidence to host dinner..

NL → EN / Niveau: B1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Ervaring met een kookles oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

The cooking class was more useful than I expected.

Duh koeking klas woz mor joesful den ai ekspektid. De kookles was nuttiger dan ik had verwacht.
B

What technique did you learn from the chef?

Wot techniek did ju lurn frum duh sjef? Welke techniek heb je van de chef geleerd?
A

She showed us how to season slowly and taste often.

Sjie sjoowd us hau tuh siezun sloowlie en teest ofun. Ze liet ons zien hoe we langzaam kruiden en vaak proeven.
B

That is a practical habit, not just a recipe.

Det iz uh prektikul hebit, not djust uh ressepie. Dat is een praktische gewoonte, niet alleen een recept.
A

I also learned how to control portion size better.

Ai olso lurnd hau tuh kəntroul porsjun saiz betur. Ik heb ook geleerd hoe ik de portiegrootte beter kan beheersen.
B

Did you get feedback on your dish?

Did ju get fiedbek on jer disj? Heb je feedback op je gerecht gekregen?
A

The sauce worked, but I cooked the pasta too long.

Duh soos wurkt, but ai koekt duh pasta toe long. De saus was goed, maar ik heb de pasta te lang gekookt.
B

That is easy to improve with timing.

Det iz iezie tuh imprioev wid taiming. Dat is gemakkelijk te verbeteren met een goede timing.
A

The class gave me more confidence to invite friends for dinner.

Duh klas geev mie mor konfədens tuh invait frendz fur dinner. Door de les heb ik meer vertrouwen gekregen om vrienden uit te nodigen voor het diner.
B

Then it was worth it, even if you only learned a few things.

Den it woz wurf it, ievun if ju oonlie lurnd uh fjoo fings. Dan was het de moeite waard, ook al heb je maar een paar dingen geleerd.

Uitleg van de zinnen

  1. The cooking class was more useful than I expected.

    De kookles was nuttiger dan ik had verwacht.

    cooking class
    kookles
    was
    was
    more useful
    nuttiger
    expected
    verwachtte
    Uitgebreide uitleg

    cooking class betekent hier “kookles”. Het is een samenstelling van cooking (“koken” als activiteit) en class (“les”); samen verwijst de uitdrukking naar een les waarin je leert koken. Een vergelijkbaar patroon is language class = “taalles”. was is de verleden tijd van be bij the cooking class, een enkelvoudig onderwerp. Be verbindt hier het onderwerp met een beschrijving: de les was nuttiger. In de tegenwoordige tijd wordt dat is: The cooking class is useful. = “De kookles is nuttig.” more useful betekent “nuttiger”. Useful is het bijvoeglijk naamwoord “nuttig”; more useful is de vergrotende trap en vergelijkt deze les met wat de spreker eerder verwachtte. Bij een korter bijvoeglijk naamwoord is vaak -er gebruikelijk, bijvoorbeeld small → smaller, maar bij useful gebruikt het Engels more: more useful, niet usefuller. expected is hier de verleden tijd van expect, “verwachten”. In than I expected is het onderwerp van de bijzin I; de vorm zegt dat de verwachting in het verleden lag. Het Engels gebruikt hier de eenvoudige verleden tijd expected, hoewel de verwachte inhoud niet volledig wordt herhaald: I expected [the class to be less useful]. Een volledig voorbeeld is The test was easier than I expected. = “De test was gemakkelijker dan ik had verwacht.” Samen betekent The cooking class was more useful than I expected.: “De kookles was nuttiger dan ik had verwacht.” De hoofdzin zegt dat de kookles nuttig was; more useful than I expected vergelijkt die feitelijke beoordeling met de eerdere verwachting van de spreker.

  2. What technique did you learn from the chef?

    Welke techniek heb je van de chef geleerd?

    What
    welke
    technique
    techniek
    did you
    heb je …?
    learn
    leren
    from
    van
    chef
    chef
    Uitgebreide uitleg

    What staat hier vóór het zelfstandig naamwoord en vraagt welke concrete techniek bedoeld wordt: What technique ...? = “Welke techniek …?” Als vraagwoord kan what ook zelfstandig staan, bijvoorbeeld: What did you learn? = “Wat heb je geleerd?” technique betekent hier een aangeleerde manier of methode om iets te doen. Het meervoud is techniques: These techniques are useful. = “Deze technieken zijn nuttig.” did you vormt samen het vragende deel van een vraag in de verleden tijd: Did you ...? = “Heb je …?” / “Deed je …?” In deze zin draagt did de verleden tijd en staat het onderwerp you er direct achter. Na did blijft het werkwoord in de basisvorm staan; daarom is het did you learn, niet did you learned. You heeft in het Engels dezelfde vorm voor enkelvoud en meervoud. learn betekent hier “leren” of “oppikken” door onderwijs of ervaring. De relevante vormen zijn learn (basisvorm), learned (verleden tijd en voltooid deelwoord; ook learnt komt voor in veel varianten van het Engels) en learning (vorm op -ing). In deze vraag staat de basisvorm omdat did al de verleden tijd aangeeft. Voorbeeld: I learned a new method. = “Ik heb een nieuwe methode geleerd.” from geeft hier de bron van de kennis aan: de techniek is van de chef geleerd. Het kan ook een vertrekpunt of oorsprong aangeven, bijvoorbeeld The train leaves from London. = “De trein vertrekt vanuit Londen.” chef is een zelfstandig naamwoord voor een professionele kok. Het meervoud is chefs. In deze zin is the chef de persoon van wie de techniek afkomstig is; the verwijst naar een specifieke chef die in de situatie herkenbaar is. Voorbeeld: The chef taught us a method. = “De chef leerde ons een methode.” Samen vormt What technique did you learn from the chef? een vraag naar de specifieke techniek die jij op een eerder moment van de chef hebt geleerd. De woordvolgorde is vraagwoord + zelfstandig naamwoord + did + onderwerp + basisvorm van het werkwoord + bron met from: What technique did you learn from ...?.

  3. She showed us how to season slowly and taste often.

    Ze liet ons zien hoe we langzaam kruiden en vaak proeven.

    She
    zij
    showed
    liet zien
    us
    ons
    how to
    hoe je iets doet
    season
    kruiden
    slowly
    langzaam
    taste
    proeven
    often
    vaak
    Uitgebreide uitleg

    She is het onderwerp: de vrouwelijke persoon die volgens de vertaling de handeling uitvoert. De vorm she is de derde persoon enkelvoud; vergelijk he en they voor andere personen of aantallen. Voorbeeld: She cooks. — Zij kookt. showed is de verleden tijd van show. Hier betekent het dat zij iets demonstreerde of uitlegde. De vormen zijn show (tegenwoordige tijd), showed (verleden tijd) en shown (voltooid deelwoord, bijvoorbeeld in has shown). Voorbeeld: He showed me the method. — Hij liet me de methode zien. us is het object voor de groep waarin de spreker zit: zij liet iets aan ons zien. Het is de objectvorm van we; we staat als onderwerp, us na een werkwoord of voorzetsel. Voorbeeld: They helped us. — Zij hielpen ons. how to leidt hier een uitleg over de manier van handelen in. Het betekent hier ongeveer “hoe je iets doet” en is op zichzelf geen bevel. Daarna volgt een infinitiefconstructie: how to season, waarbij taste als gecoördineerd tweede werkwoord dezelfde infinitiefstructuur voortzet. Voorbeeld: She taught me how to open it. — Zij leerde me hoe ik het kan openen. season is hier een werkwoord en betekent voedsel op smaak brengen, bijvoorbeeld met kruiden of specerijen. De basisvorm is season; de derde persoon enkelvoud is seasons, de verleden tijd en het voltooid deelwoord zijn seasoned. Voorbeeld: Season the soup lightly. — Breng de soep licht op smaak. slowly beschrijft hoe de handeling gebeurt: langzaam. Het is een bijwoord, verwant aan het bijvoeglijk naamwoord slow (“langzaam”). Voorbeeld: Stir slowly. — Roer langzaam. taste is hier een tweede werkwoord in de infinitief en betekent proeven om de smaak te beoordelen. De verleden tijd en het voltooid deelwoord zijn ook tasted. Voorbeeld: Taste the sauce. — Proef de saus. often is een bijwoord van frequentie: de handeling gebeurt vaak. Het zegt hoe regelmatig iets gebeurt, niet hoe de handeling wordt uitgevoerd. Voorbeeld: We often taste the food. — Wij proeven het eten vaak. De structuur is She showed us how to ...: zij liet ons zien hoe een handeling wordt uitgevoerd. Binnen die uitleg staan twee gelijkwaardige handelingen: season slowly en taste often; to wordt voor de tweede handeling niet herhaald. De vertaling maakt duidelijk dat we — de spreker samen met anderen — de handelingen uitvoeren: zij liet ons zien hoe we langzaam kruiden en vaak proeven. Samen betekent de hele zin dus: zij liet ons zien hoe we langzaam kruiden en vaak proeven.

  4. That is a practical habit, not just a recipe.

    Dat is een praktische gewoonte, niet alleen een recept.

    That
    dat
    practical
    praktisch
    habit
    gewoonte
    not just
    niet alleen
    recipe
    recept
    Uitgebreide uitleg

    That betekent hier dat en verwijst naar iets dat in de situatie al herkenbaar is; de Nederlandse vertaling maakt de verwijzing niet specifieker. Als aanwijzend woord kan that ook tegenover this staan: this verwijst doorgaans naar iets dat als nabij wordt voorgesteld, that naar iets dat als verder weg of al eerder genoemd wordt. practical betekent hier dat iets bruikbaar of toepasbaar is. Het is een bijvoeglijk naamwoord: practical beschrijft habit, niet het zelfstandig naamwoord als basisvorm. Een voorbeeld: This is a practical solution. — Dit is een praktische oplossing. habit betekent een gewoonte: een manier van handelen die iemand herhaaldelijk volgt. Het meervoud is habits. Een bruikbaar contrast is habit tegenover choice: een gewoonte herhaalt zich vaak, terwijl een keuze een afzonderlijke beslissing kan zijn. In deze zin wordt niet beweerd wie de gewoonte heeft; alleen het genoemde onderwerp wordt ermee gekarakteriseerd. not just vormt een beperking met nadruk: niet alleen. Het zegt dat de daaropvolgende omschrijving niet het volledige of enige relevante beeld geeft. Not just X kan in een andere zin worden uitgebreid met but also Y, bijvoorbeeld: It is not just useful, but also simple. — Het is niet alleen nuttig, maar ook eenvoudig. In de vaste zin staat alleen het eerste deel van die tegenstelling. recipe betekent hier een recept, dus instructies voor het bereiden van een gerecht. Het meervoud is recipes. Het woord kan ook figuurlijk worden gebruikt voor een vaste aanpak, maar hier blijft het bij de concrete betekenis die door de Nederlandse vertaling wordt ondersteund. Samen vormen de delen de structuur That is A, not just B: Dat is A, niet alleen B. That is het onderwerp, is verbindt het onderwerp met de beschrijving a practical habit, en not just a recipe beperkt de interpretatie: het bedoelde is een praktische gewoonte en niet uitsluitend een recept. De onbepaalde bepaler a introduceert hier een enkelvoudig telbaar zelfstandig naamwoord, maar de zin legt niet zelfstandig een numerieke hoeveelheid nadruk op.

  5. I also learned how to control portion size better.

    Ik heb ook geleerd hoe ik de portiegrootte beter kan beheersen.

    also
    ook
    learned
    geleerd
    how to
    hoe je iets doet
    control
    beheersen
    portion
    portie
    size
    grootte
    better
    beter
    Uitgebreide uitleg

    also voegt “ook” toe: de spreker noemt nog iets extra’s. Het staat hier vóór learned; in andere zinnen kan de plaats variëren. learned is hier de vorm van learn in de simple past: “leerde” of, in de vaste vertaling, “heb geleerd”. Dezelfde vorm kan ook een voltooid deelwoord zijn, maar dat is niet de functie in deze Engelse zin. Learned betekent hier dat de spreker iets heeft geleerd. Voorbeeld: “I learned a useful technique.” = “Ik leerde een nuttige techniek.” Learnt is ook een mogelijke verleden-tijdsvorm in het Engels, maar staat hier niet. how to leidt een handeling in die iemand leert uitvoeren. Het patroon learn how to + werkwoord betekent “leren hoe je iets doet”. In deze zin volgt control; de lerende persoon blijft dezelfde als het onderwerp I. Voorbeeld: “She learned how to cook rice.” = “Zij leerde hoe ze rijst moest koken.” control is hier een werkwoord met de betekenis “beheersen” of “onder controle houden”. Het staat in de basisvorm na to: to control. Voorbeeld: “You can control the temperature.” = “Je kunt de temperatuur regelen.” portion betekent hier “portie”: een afgemeten hoeveelheid eten. Het is een zelfstandig naamwoord dat in portion size vóór size staat en aangeeft waarvan de grootte wordt bedoeld. Voorbeeld: “This portion is small.” = “Deze portie is klein.” size betekent “grootte”. In portion size is size het hoofd van de naamwoordgroep: het gaat om de grootte van een portie. Voorbeeld: “The portion size is reasonable.” = “De portiegrootte is redelijk.” better is hier de vergrotende trap van het bijwoord well: well – better – best. Het beschrijft control en betekent dat de spreker de portiegrootte op een betere manier kan beheersen dan eerder of dan een andere genoemde manier. Het is dus niet portion of size dat deze vergelijking draagt. Als bijvoeglijk naamwoord kan better ook de vergrotende trap van good zijn, maar dat is hier niet de functie. Voorbeeld: “I can plan meals better now.” = “Ik kan nu beter maaltijden plannen.” Samen vormt learned how to control portion size better de betekenis “geleerd hoe ik de portiegrootte beter kan beheersen”. I also maakt daarvan “Ik heb ook geleerd ...”: dit is een extra geleerde vaardigheid. De volledige betekenis is: “Ik heb ook geleerd hoe ik de portiegrootte beter kan beheersen.”

  6. Did you get feedback on your dish?

    Heb je feedback op je gerecht gekregen?

    Did you
    heb je ...?
    get
    krijgen
    feedback
    feedback
    on your
    op je
    dish
    gerecht
    Uitgebreide uitleg

    Did you vormt hier samen het begin van een vraag in de simple past: did draagt de verleden tijd en you is het onderwerp. Na did blijft het hoofdwerkwoord in de basisvorm staan. Voorbeeld: Did you cook? = “Heb je gekookt?” get betekent hier “krijgen” of “ontvangen”, in de vaste, veelgebruikte combinatie get feedback: feedback ontvangen. De vorm verandert na did niet in een verleden vorm: Did you get ...?, niet Did you got ...? Voorbeeld: Did you get a reply? = “Heb je een antwoord gekregen?” feedback is een zelfstandig naamwoord voor opmerkingen of beoordeling die iemand helpen iets te verbeteren. Het woord is in het Engels doorgaans niet-telbaar; voor afzonderlijke reacties kun je bijvoorbeeld a comment gebruiken. Voorbeeld: The feedback was useful. = “De feedback was nuttig.” on your geeft aan waarop de feedback betrekking heeft: “op je”. your is het bezittelijke woord bij you; het verandert in deze constructie niet naar geslacht of enkelvoud/meervoud van de bezitter. Het daaropvolgende zelfstandig naamwoord bepaalt wel wat er bezeten wordt. Voorbeeld: feedback on your recipe = “feedback op je recept”. dish betekent hier “gerecht”, dus bereid eten. Het kan in andere contexten ook een schaal of schotel betekenen; in deze zin bepaalt de kookcontext de betekenis “gerecht”. Voorbeeld: This dish needs more salt. = “Dit gerecht heeft meer zout nodig.” Samen vormt Did you get feedback on your dish? de vraag of de aangesprokene feedback op diens gerecht heeft ontvangen. De structuur is: Did + onderwerp + basisvorm van het werkwoord + feedback + on + bezittelijk woord + zelfstandig naamwoord. In het Nederlands wordt deze Engelse verleden-tijdsvraag hier natuurlijk weergegeven als Heb je feedback op je gerecht gekregen?.

  7. The sauce worked, but I cooked the pasta too long.

    De saus was goed, maar ik heb de pasta te lang gekookt.

    sauce
    saus
    worked
    werkte; was goed
    cooked
    kookte
    pasta
    pasta
    too long
    te lang
    Uitgebreide uitleg

    sauce betekent hier ‘saus’: een vloeibare of halfvloeibare toevoeging bij eten. Het meervoud is sauces. Voorbeeld: The sauce is spicy. = ‘De saus is pittig.’ worked is de verleden tijd van work. Hier betekent work niet ‘werken’ als persoon, maar ‘goed functioneren’ of ‘het gewenste resultaat hebben’; de saus was dus goed in het gerecht. De vorm worked is zowel de verleden tijd als het voltooid deelwoord. Voorbeeld: The plan worked. = ‘Het plan werkte.’ cooked is de verleden tijd van cook, ‘koken’ of ‘bereiden door verhitting’. In deze zin staat cooked na I als gewone verleden tijd: I cooked = ‘ik kookte’ of ‘ik bereidde’. Het is niet de vorm voor een voltooide tijd zonder hulpwerkwoord; daarvoor staat bijvoorbeeld I have cooked. Voorbeeld: I cooked the rice yesterday. = ‘Ik kookte de rijst gisteren.’ pasta is ‘pasta’ en kan in het Engels zowel naar het gerecht als naar de ongekookte voedselsoort verwijzen. Het woord heeft hier geen zichtbaar meervoud; voor verschillende soorten of hoeveelheden kan de context een meervoudsvorm of een maatuitdrukking geven. Voorbeeld: The pasta is ready. = ‘De pasta is klaar.’ too long betekent hier ‘te lang’, waarbij long de duur beschrijft en too aangeeft dat die duur boven het gewenste of geschikte punt lag. too long is dus iets anders dan alleen long: I cooked it long is geen natuurlijke manier om deze bedoelde overschrijding uit te drukken, terwijl I cooked it too long wel zegt dat het langer duurde dan goed was. Voorbeeld: The vegetables stayed in the oven too long. = ‘De groenten bleven te lang in de oven.’ De zin bestaat uit twee door but verbonden delen: The sauce worked geeft een positief resultaat voor de saus, terwijl I cooked the pasta too long een probleem met de kookduur van de pasta noemt. But markeert het contrast tussen die twee feiten. Samen betekent de zin: ‘De saus was goed, maar ik heb de pasta te lang gekookt.’

  8. That is easy to improve with timing.

    Dat is gemakkelijk te verbeteren met een goede timing.

    That is
    Dat is
    easy
    gemakkelijk
    improve
    verbeteren
    timing
    timing; het juiste moment
    Uitgebreide uitleg

    That is betekent hier “Dat is”. That is een aanwijzend voornaamwoord dat als onderwerp dient; de bron en vertaling maken niet precies duidelijk waarnaar het verwijst. Is is de tegenwoordige-tijdsvorm van be bij that en andere enkelvoudige onderwerpen. Voorbeeld: That is useful. — “Dat is nuttig.” easy betekent hier “gemakkelijk”: iets kan met weinig moeite gebeuren. Dit bijvoeglijk naamwoord verandert niet voor enkelvoud en meervoud: an easy task — “een gemakkelijke taak”; easy tasks — “gemakkelijke taken”. Een gebruikelijk tegenovergesteld woord is difficult of hard, afhankelijk van de context. improve is de basisvorm van het werkwoord “verbeteren”. Na to staat deze infinitief in het patroon easy to improve. Belangrijke vormen zijn improves bij een derde-persoon enkelvoud, improved als verleden tijd of voltooid deelwoord, en improving als -ing-vorm. Voorbeeld: The sauce improved. — “De saus werd beter.” timing is hier een zelfstandig naamwoord voor het kiezen of treffen van het juiste moment. De vaste vertaling maakt de bedoelde betekenis specifieker als “goede timing”. Hoewel timing de vorm van een -ing-woord heeft, functioneert het hier als zelfstandig naamwoord en niet als werkwoordsvorm van improve. Voorbeeld: Good timing helps. — “Goede timing helpt.” easy to + werkwoord is een herbruikbaar patroon om te zeggen dat iets gemakkelijk kan worden gedaan of veranderd: This exercise is easy to understand. — “Deze oefening is gemakkelijk te begrijpen.” In deze zin betekent easy to improve dat het aangewezen onderwerp gemakkelijk verbeterd kan worden. With timing voegt timing toe als middel of relevante factor: “met timing” of, volgens de vaste vertaling, “met goede timing”. Samen betekent de volledige zin: “Dat is gemakkelijk te verbeteren met een goede timing.” That verwijst naar iets dat in de gegeven zin niet nader wordt geïdentificeerd; de zin zegt alleen dat dit gemakkelijk verbeterd kan worden en dat goede timing daarbij relevant is.

  9. The class gave me more confidence to invite friends for dinner.

    Door de les heb ik meer vertrouwen gekregen om vrienden uit te nodigen voor het diner.

    class
    klas; lesgroep
    gave
    gaf
    me
    mij
    more
    meer
    confidence
    vertrouwen; zelfvertrouwen
    to invite
    uitnodigen
    friends
    vrienden
    dinner
    diner
    Uitgebreide uitleg

    class betekent hier een les of onderwijsmoment, zoals de vertaling met “de les” bevestigt; het betekent in deze zin niet noodzakelijk een groep leerlingen. Als zelfstandig naamwoord kan class ook een klas of groep betekenen. gave is de verleden tijd van give: give – gave – given. Hier betekent gave dat de les iemand meer vertrouwen verschafte. Voor een huidige situatie gebruik je bijvoorbeeld: “The class gives me confidence.” = “De les geeft me vertrouwen.” me is de vorm voor “mij” wanneer die persoon het effect ontvangt. Vergelijk: “I gained confidence.” = “Ik kreeg vertrouwen.” In die zin is I de vorm voor het onderwerp; na give staat de ontvanger hier als me. more betekent “meer” en vergelijkt de hoeveelheid vertrouwen met een eerdere of andere hoeveelheid. Het is de vergelijkende vorm van much bij een niet-telbaar zelfstandig naamwoord zoals confidence: much – more – most. confidence betekent hier vertrouwen, vooral het vertrouwen dat nodig is om iets te durven doen. Het is een niet-telbaar zelfstandig naamwoord: je zegt bijvoorbeeld more confidence, niet gewoonlijk more confidences. Het verwante bijvoeglijke naamwoord is confident: “She is confident.” = “Zij heeft zelfvertrouwen.” to invite is de infinitief met to, hier verbonden met confidence: het gaat om het vertrouwen om iemand uit te nodigen. De bruikbare combinatie is confidence to + werkwoord: “He has the confidence to speak.” = “Hij heeft het vertrouwen om te spreken.” invite betekent iemand vragen om ergens te komen of mee te doen; de verleden tijd is invited. friends is het meervoud van friend: één vriend is a friend, meerdere vrienden zijn friends. In deze zin zijn de vrienden de mensen die de spreker wil uitnodigen; de zin specificeert niet hoeveel vrienden het zijn. dinner betekent “diner” of “avondmaaltijd”. In invite friends for dinner geeft for dinner het doel of de gelegenheid van de uitnodiging aan: “vrienden uitnodigen voor het diner”. In het Engels wordt dinner in deze algemene maaltijdsbetekenis vaak zonder lidwoord gebruikt. Een voorbeeld is: “We invited them for dinner.” = “We nodigden hen uit voor het diner.” Samen bestaat de zin uit The class gave me more confidence (“De les gaf mij meer vertrouwen”) en to invite friends for dinner (“om vrienden uit te nodigen voor het diner”). Het volledige resultaat is: “Door de les heb ik meer vertrouwen gekregen om vrienden uit te nodigen voor het diner.”

  10. Then it was worth it, even if you only learned a few things.

    Dan was het de moeite waard, ook al heb je maar een paar dingen geleerd.

    Then
    dan
    worth it
    de moeite waard
    even if
    ook al
    only
    maar
    learned
    geleerd
    a few
    een paar
    things
    dingen
    Uitgebreide uitleg

    Then betekent hier dan en sluit aan bij de voorafgaande situatie. Het kan in andere zinnen ook een tijdsaanduiding zijn, bijvoorbeeld: Then we went home. — Toen gingen we naar huis. worth it is een vaste uitdrukking voor iets dat de moeite, tijd of inspanning waard is. It verwijst hier naar iets uit de context, zonder dat deze zin zelf precies benoemt wat dat is. Een herbruikbaar patroon is It is worth it. — Het is de moeite waard. even if leidt een voorwaarde in die de hoofdgedachte niet wegneemt: ook al of zelfs als. Hier gaat het om de voorwaarde dat de aangesprokene maar een paar dingen heeft geleerd. Voorbeeld: I will go, even if it rains. — Ik ga, ook al regent het. only geeft hier een beperking aan: de hoeveelheid of inhoud van wat geleerd is, wordt als beperkt voorgesteld. In you only learned a few things ligt de beperking bij a few things, niet bij de persoon you. In een andere context kan only een andere beperking aangeven, bijvoorbeeld Only Anna came. — Alleen Anna kwam. learned is de verleden tijd en het voltooid deelwoord van learn. De vorm blijft in de verleden tijd gelijk bij alle personen: I learned, you learned, they learned. In deze bijzin staat learned bij you; de vaste Nederlandse vertaling gebruikt daarvoor je hebt geleerd. Voorbeeld: She learned a new word. — Zij leerde een nieuw woord. a few betekent een kleine, niet nader bepaalde hoeveelheid van telbare dingen: een paar of enkele. Het noemt geen exact aantal. Vergelijk a few things — een paar dingen met a little time — een beetje tijd; a few hoort bij telbare meervoudige zelfstandige naamwoorden, terwijl a little bij een niet-telbare hoeveelheid hoort. things is het meervoud van thing, hier met de betekenis dingen: zaken die geleerd zijn. Het meervoud wordt gevormd met -s: one thing, a few things. Voorbeeld: I learned many things. — Ik heb veel dingen geleerd. Samen vormt even if you only learned a few things een toegevende bijzin: ook onder de voorwaarde dat je maar een paar dingen hebt geleerd. You learned noemt de handeling, a few things geeft de beperkte hoeveelheid aan, en only benadrukt die beperking. De hoofdzin Then it was worth it zegt dat het volgens de bedoelde betekenis toch de moeite waard was. In zijn geheel betekent de zin: Dan was het de moeite waard, ook al heb je maar een paar dingen geleerd.

Grammatica

more + adjective

more useful

mor joesful

nuttiger

Gebruik more vóór een langer bijvoeglijk naamwoord om de vergrotende trap te vormen.

verb + -ed (past simple)

The chef showed a technique.

Duh sjef sjoowd uh techniek.

De chef liet een techniek zien.

De uitgang -ed markeert hier de verleden tijd van een regelmatig werkwoord.

Engels woordenschat

chef zelfstandig naamwoord
sjef chef
control werkwoord
kəntroul beheersen
cooking class uitdrukking
koeking klas kookles
expect werkwoord
ekspekt verwachten expected
habit zelfstandig naamwoord
hebit gewoonte
practical bijvoeglijk naamwoord
prektikul praktisch
recipe zelfstandig naamwoord
ressepie recept
season werkwoord
siezun kruiden
show werkwoord
sjoow laten zien showed
taste werkwoord
teest proeven
technique zelfstandig naamwoord
techniek techniek
useful bijvoeglijk naamwoord
joesful nuttig more useful

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

chef

Antwoord tonenchef

praktisch

Antwoord tonenpractical

kruiden

Antwoord tonenseason

laten zien

Antwoord tonenshowed