De beste plek om te studeren kiezen | Leer engels in het Nederlands

English lesson set in a contemporary everyday setting in the United States: While planning study time, two adults compare a cafe, a library, and home for different learning tasks..

NL → EN / Niveau: B1

Over deze les

Met De beste plek om te studeren kiezen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het engels.

Dialoog

A

I need to choose the best place to study.

Ai nied tuh tjoez de best plees tuh stuhdie. Ik moet de beste plek om te studeren kiezen.
B

Think about noise, light, comfort, and distractions.

Fink uhbaut noiz, lait, kamfert, uhnd distrèksjuns. Denk aan lawaai, licht, comfort en afleiding.
A

The cafe is bright, but people keep walking past my table.

De ka-fei iz brait, bat piepel kiep woking paast mai teibel. Het café is licht, maar mensen blijven langs mijn tafel lopen.
B

That movement could make it hard to focus.

Det moevment koed meik it haard tuh fowkes. Die beweging kan het moeilijk maken om me te concentreren.
A

The library is quieter, but I can't practice speaking there.

De laibreri iz kwai-etter, bat ai kaant prektis spieking der. De bibliotheek is stiller, maar ik kan daar niet oefenen met spreken.
B

Use the library for reading, then practice speaking at home.

Joez de laibreri fer rieding, den prektis spieking et hoom. Gebruik de bibliotheek om te lezen en oefen daarna thuis met spreken.
A

That lets me choose a suitable place for each task.

Det lets mie tjoez uh soetebel plees fer ietsj taak. Zo kan ik voor elke taak een geschikte plek kiezen.
B

A clear choice should make studying feel less stressful.

Uh klir tjois sjud meik stuhdie-ing fiel les stresfel. Een duidelijke keuze zou studeren minder stressvol moeten maken.

Woord voor woord

I I verwijst hier naar de persoon die spreekt: die persoon heeft een keuze nodig. Het is het onderwerp van de zin en staat vóór need.
need need drukt hier noodzakelijkheid uit: de spreker heeft iets nodig of moet iets doen. In need to + werkwoord volgt de handeling die nodig is, zoals need to choose.
to to markeert hier de handeling die na need komt. De vaste structuur is need to + werkwoord, bijvoorbeeld need to choose.
choose choose betekent hier een optie selecteren uit verschillende mogelijkheden. Het is de basisvorm na to; je kunt bijvoorbeeld choose a place of choose the best option gebruiken.
the the verwijst hier naar een specifieke plek die als beste wordt beschouwd. Het staat vóór best place om die bepaalde plek aan te duiden.
best best betekent hier beter dan alle andere besproken opties. Het is de overtreffende vorm van good en staat vóór place in best place.
place place betekent hier een locatie waar de spreker kan studeren. Het kan met een doel worden gecombineerd, zoals place to study.
study study betekent hier leren of aan een onderwerp werken. In to study is het de handeling waarvoor de plek wordt gekozen; je kunt ook study at home gebruiken.
Think Think is hier een aansporing om bepaalde factoren in overweging te nemen. De gebruikelijke combinatie is think about + onderwerp, zoals think about noise.
about about geeft hier aan waarover iemand moet nadenken: noise, light, comfort en distractions. Think about + zelfstandig naamwoord is een veelgebruikt patroon.
noise noise betekent hier ongewenst of storend geluid op een studieplek. Het wordt in een opsomming gebruikt naast factoren zoals light en comfort.
light light betekent hier de hoeveelheid helderheid in een ruimte. In de opsomming gaat het om een eigenschap waarmee je een plek om te studeren beoordeelt.
comfort comfort verwijst hier naar lichamelijk gemak tijdens het studeren. Het staat in think about comfort als een factor waarmee je verschillende plekken vergelijkt.
and and verbindt hier de laatste onderdelen van de opsomming: comfort en distractions. Het voegt informatie toe zonder tegenstelling uit te drukken.
distractions distractions zijn dingen die de aandacht van het studeren weghalen. distractions is het meervoud van distraction en staat hier naast andere factoren na think about.
cafe cafe betekent hier een plek waar mensen kunnen zitten en waar eten of drinken wordt geserveerd. In the cafe wordt deze locatie vergeleken met de bibliotheek en thuis.
is is verbindt hier the cafe met de beschrijving bright. is is de vorm van be die in deze zin wordt gebruikt om een toestand of eigenschap te beschrijven.
bright bright betekent hier dat er veel licht is in het café. Het beschrijft the cafe na is en staat tegenover de daaropvolgende beperking met but.
but but introduceert hier een tegenstelling: het café is bright, maar het voortdurende lopen leidt af. Je gebruikt but om twee tegengestelde eigenschappen of ideeën te verbinden.
people people verwijst hier naar de mensen die langs de tafel lopen. people is het meervoud van person en staat vóór keep walking.
keep keep betekent hier doorgaan met een handeling. In keep walking volgt een werkwoordsvorm op -ing om aan te geven dat het lopen steeds doorgaat.
walking walking betekent hier te voet langs de tafel bewegen. walking is de -ing-vorm van walk en staat na keep in keep walking.
past past geeft hier de beweging langs en voorbij de tafel aan. In walking past my table volgt na past het object waar iemand langs loopt.
my my geeft aan dat de tafel bij de spreker hoort of door de spreker wordt gebruikt. Het staat vóór table in my table.
table table betekent hier een meubel waaraan de spreker zit te studeren. In walking past my table is het de plek waar de mensen langs lopen.
That That verwijst hier naar de beweging die zojuist is genoemd. Het staat vóór movement en maakt die beweging tot het onderwerp van de volgende zin.
movement movement betekent hier het voortdurend bewegen van mensen langs de tafel. movement is een zelfstandig naamwoord en kan een activiteit of verandering aanduiden.
could could geeft hier een mogelijk gevolg aan, niet een zeker gevolg. In could make it hard to focus staat het vóór de basisvorm make.
make make betekent hier veroorzaken dat iets een bepaalde toestand krijgt. In make it hard to focus draagt make bij aan de structuur waardoor de beweging het focussen moeilijk kan maken.
it it verwijst hier niet naar een concreet voorwerp, maar vult de positie in vóór de beschrijving hard. In make it hard to focus wordt daarna uitgelegd wat moeilijk wordt.
hard hard betekent hier moeilijk om te doen. In make it hard to focus beschrijft het hoe lastig de situatie het focussen maakt.
focus focus betekent hier de aandacht op het studeren gericht houden. In to focus volgt het na to en benoemt het de handeling die moeilijk wordt.
library library betekent hier een bibliotheek, een plek die geschikt is voor rustig lezen en studeren. Het wordt gebruikt in the library om die specifieke locatie aan te duiden.
quieter quieter betekent hier dat de bibliotheek minder lawaai heeft dan het café. quieter is de vergrotende vorm van quiet en wordt gebruikt om twee plekken te vergelijken.
can't can't betekent hier dat de spreker iets niet kan of niet mag doen in de bibliotheek. can't is de verkorte vorm van cannot en staat vóór de basisvorm practice.
practice practice betekent hier herhaaldelijk iets doen om beter te worden. In practice speaking volgt speaking als de activiteit die wordt geoefend.
speaking speaking verwijst hier naar het gebruiken van gesproken taal. speaking is de -ing-vorm van speak en staat na practice in practice speaking.
there there betekent hier in de bibliotheek, de plaats die net is genoemd. Het staat aan het einde van de zin en verwijst terug naar that place.
Use Use is hier een aansporing om de bibliotheek voor een bepaald doel te benutten. In use the library for reading staat het vóór het object the library.
for for geeft hier het doel of de activiteit aan waarvoor de bibliotheek wordt gebruikt. Het patroon is use something for + activiteit, zoals use the library for reading.
reading reading betekent hier geschreven tekst begrijpen. reading is de -ing-vorm van read en benoemt na for de activiteit waarvoor de bibliotheek wordt gebruikt.
then then betekent hier daarna: eerst lezen in de bibliotheek en vervolgens spreken oefenen. Het helpt de volgorde van twee activiteiten duidelijk te maken.
at at geeft hier de locatie aan waar de tweede activiteit plaatsvindt. In at home wordt het gebruikt om aan te geven dat de spreker thuis is.
home home betekent hier de woning of de plek waar de spreker woont. In at home staat het zonder lidwoord na at; daar vindt het spreken oefenen plaats.
lets lets betekent hier dat iets de spreker in staat stelt om een keuze te maken. In lets me choose volgt na me de basisvorm choose; lets is de vorm van let die in deze zin wordt gebruikt.
me me verwijst hier naar de spreker als degene die de handeling uitvoert. In lets me choose staat me na lets en vóór choose.
a a introduceert hier één niet nader bepaalde plek. In a suitable place beschrijft het om welke soort plek het gaat zonder een specifieke plek te noemen.
suitable suitable betekent hier geschikt voor het doel waarvoor de plek wordt gebruikt. Het staat vóór place in a suitable place.
each each betekent hier iedere taak afzonderlijk bekeken. In for each task wordt dezelfde keuze per taak gemaakt.
task task betekent hier een afzonderlijk stuk werk, zoals lezen of spreken oefenen. In each task staat het na each om die activiteiten één voor één te bekijken.
clear clear betekent hier duidelijk en goed bepaald. In a clear choice beschrijft het een beslissing waarbij duidelijk is welke plek voor welke activiteit wordt gekozen.
choice choice betekent hier de beslissing tussen verschillende studieplekken. choice is het zelfstandig naamwoord dat hoort bij de handeling choose en staat na a clear.
should should geeft hier een verwachte of wenselijke uitkomst aan. In should make studying feel less stressful staat het vóór de basisvorm make.
studying studying verwijst hier naar de activiteit van leren of studeren in het algemeen. studying is de -ing-vorm van study en is in studying feel less stressful de activiteit die een bepaald gevoel kan krijgen.
feel feel betekent hier een bepaalde ervaring of indruk hebben. In make studying feel less stressful volgt feel na make om te beschrijven hoe studeren wordt ervaren.
less less betekent hier in mindere mate. In less stressful vermindert het de mate van stress die met studeren wordt geassocieerd.
stressful stressful betekent hier dat iets zorgen of druk veroorzaakt. In feel less stressful beschrijft het hoe studeren na een duidelijke keuze zou kunnen aanvoelen.

Grammatica

quieter than + noun

The library is quieter than the cafe.

De laibreri iz kwai-etter den de ka-fei.

De bibliotheek is stiller dan het café.

quieter is de vergrotende trap van quiet. Gebruik than om twee plaatsen of dingen te vergelijken.

keep + -ing + past

Keep walking past the library.

Kiep woking paast de laibreri.

Blijf langs de bibliotheek lopen.

Na keep gebruik je een werkwoord met -ing. keep walking past betekent dat je verdergaat terwijl je ergens langs loopt.

Engels woordenschat

bright bijvoeglijk naamwoord
brait licht
choose werkwoord
tjoez kiezen
comfort zelfstandig naamwoord
kamfert comfort
distraction zelfstandig naamwoord
distrèksjun afleiding distractions
focus werkwoord
fowkes concentreren
light zelfstandig naamwoord
lait licht
movement zelfstandig naamwoord
moevment beweging
noise zelfstandig naamwoord
noiz lawaai
place zelfstandig naamwoord
plees plek
practice werkwoord
prektis oefenen
quiet bijvoeglijk naamwoord
kwai-et stil quieter
study werkwoord
stuhdie studeren

Quiz

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

studeren

Antwoord tonenstudy

lawaai

Antwoord tonennoise

beweging

Antwoord tonenmovement

licht

Antwoord tonenbright