I'm
I'm betekent hier “ik ben” en introduceert de activiteit die de spreker op dit moment uitvoert in I'm comparing online courses. Het is de verkorte vorm van I am; gebruik I'm om een toestand of activiteit aan jezelf te koppelen.
comparing
Comparing betekent hier dat de spreker online cursussen naast elkaar legt om hun verschillen te beoordelen. Het is de vorm van compare in I'm comparing online courses. Een bruikbaar patroon is comparing verschillende opties om te bepalen welke het beste past.
online
Online beschrijft hier cursussen die via het internet beschikbaar zijn. Het staat vóór courses en kan zo aangeven dat iets via internet wordt aangeboden of uitgevoerd.
courses
Courses betekent hier georganiseerde studieprogramma's en verwijst naar de online cursussen die de spreker vergelijkt. Het is de meervoudsvorm van course. Gebruik courses voor meerdere studieprogramma's of opleidingsreeksen.
and
And verbindt hier twee samenhangende ideeën: de spreker vergelijkt cursussen en ze lijken bij verschillende leerstijlen te passen. Een bruikbaar patroon is A and B om twee gelijkwaardige informatie-eenheden te verbinden.
they
They verwijst hier terug naar de cursussen. Het is het onderwerp van they seem to fit different learning styles. Gebruik they om naar meerdere eerder genoemde personen of zaken te verwijzen.
seem
Seem betekent hier “lijken” en geeft aan dat de geschiktheid een indruk is, geen zekere conclusie. In seem to fit volgt to met een werkwoord. Gebruik seem to + werkwoord wanneer iets een bepaalde indruk wekt.
to
To markeert hier het werkwoord fit in seem to fit different learning styles. Na seem to komt de basisvorm van het volgende werkwoord. Gebruik dit patroon om een indruk of beoordeling met een handeling te verbinden.
fit
Fit betekent hier “geschikt zijn voor” in fit different learning styles. De cursussen lijken dus aan te sluiten bij verschillende manieren van leren. Een bruikbaar patroon is fit + een behoefte, stijl of doel.
different
Different betekent hier “verschillend” of “niet hetzelfde” en beschrijft learning styles. Het maakt duidelijk dat er meer dan één soort leerstijl wordt bedoeld. Gebruik different vóór een zelfstandig naamwoord om verschil aan te geven.
learning
Learning verwijst hier naar het leren en maakt in learning styles duidelijk dat de stijlen betrekking hebben op manieren van leren. Het staat vóór styles als onderdeel van die woordgroep. Een bruikbaar patroon is learning + een zelfstandig naamwoord voor iets dat met leren te maken heeft.
styles
Styles betekent hier verschillende manieren waarop iemand leert. In different learning styles verwijst het naar leerstijlen die bij verschillende cursussen kunnen passen. Het is de meervoudsvorm van style.
What
What vraagt hier welke factor voor de aangesproken persoon het belangrijkst is: feedback, flexibiliteit of speaking practice. In What matters most to you leidt What de vraag naar die factor in. Gebruik What om naar een zaak, keuze of aspect te vragen.
matters
Matters betekent hier “belangrijk is” in What matters most to you. Het vraagt welk aspect voor de ander het zwaarst weegt bij de keuze van een cursus. Een bruikbaar patroon is what matters most to iemand wanneer je naar iemands prioriteit vraagt.
most
Most geeft hier de hoogste mate aan: welk aspect voor jou het allerbelangrijkst is. Het hoort bij matters in What matters most to you. Gebruik most om binnen meerdere opties de hoogste prioriteit aan te geven.
you
You verwijst hier naar de persoon aan wie de vraag wordt gesteld. In to you geeft het aan voor wie iets belangrijk is. Gebruik you wanneer je rechtstreeks naar de mening, behoefte of situatie van iemand vraagt.
feedback
Feedback betekent hier opmerkingen die de leerder helpen om beter te worden. In need feedback is het datgene wat de spreker nodig heeft van de cursus. Een bruikbaar patroon is need feedback wanneer je ondersteuning bij je prestaties of leerwerk benoemt.
flexibility
Flexibility betekent hier de mogelijkheid om met een veranderend schema om te gaan. Het wordt naast feedback en speaking practice genoemd als een prioriteit bij het kiezen van een cursus. Gebruik flexibility wanneer een planning of aanbod zich aan verschillende omstandigheden moet kunnen aanpassen.
or
Or presenteert hier alternatieven waaruit de aangesproken persoon kan kiezen: feedback, flexibiliteit of speaking practice. Een bruikbaar patroon is A, B, or C om mogelijkheden in een keuzevraag op te sommen.
speaking
Speaking verwijst hier naar het mondeling gebruiken van een taal in speaking practice. Het maakt duidelijk dat de oefening gericht is op spreken. Gebruik speaking vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je een activiteit of vaardigheid rond mondelinge communicatie beschrijft.
practice
Practice betekent hier oefening die bedoeld is om een vaardigheid te ontwikkelen, specifiek speaking practice. Het gaat dus om activiteiten waarmee de leerder het spreken traint. Gebruik practice als zelfstandig naamwoord voor herhaalde activiteit ter verbetering van een vaardigheid.
I
I verwijst hier naar de spreker en staat als onderwerp in I need feedback. I wordt in het Engels altijd met een hoofdletter geschreven. Een bruikbaar patroon is I need + iets wanneer je je eigen behoefte benoemt.
need
Need betekent hier “nodig hebben” of “vereisen” in I need feedback. De spreker zegt dat feedback een noodzakelijke behoefte is bij het leren. Gebruik need gevolgd door datgene wat iemand nodig heeft.
but
But verbindt hier twee contrasterende ideeën: de spreker heeft feedback nodig, maar het schema verandert vaak. Een bruikbaar patroon is A, but B om een tegenstelling of beperking toe te voegen.
my
My geeft hier aan dat het schema bij de spreker hoort in my schedule. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord schedule. Gebruik my vóór een zelfstandig naamwoord om bezit of verbondenheid met de spreker aan te geven.
schedule
Schedule betekent hier de planning van de beschikbare tijden van de spreker. In my schedule changes a lot is die planning niet stabiel. Gebruik schedule wanneer je de tijden of planning van werk, studie of andere activiteiten bespreekt.
changes
Changes betekent hier dat het schema regelmatig anders wordt. In my schedule changes a lot beschrijft het hoe de planning door de tijd heen verandert. Een bruikbaar patroon is een schedule changes wanneer beschikbare tijden niet vastliggen.
a
A introduceert in a flexible course één niet nader bepaalde cursus. Het gaat om een cursus als één exemplaar binnen de mogelijke opties. Gebruik a vóór een enkelvoudig telbaar zelfstandig naamwoord wanneer het nog niet specifiek geïdentificeerd is.
lot
Lot vormt samen met a in changes a lot een uitdrukking die een grote mate of frequentie aangeeft. Hier verandert het schema vaak of aanzienlijk. Gebruik werkwoord + a lot om te zeggen dat iets in sterke mate of vaak gebeurt.
Then
Then betekent hier “dan” of “in dat geval” en sluit aan op de veranderlijke planning die net genoemd is. Het leidt de suggestie voor een flexibele cursus in. Gebruik Then aan het begin van een reactie wanneer een gevolgtrekking of volgende stap uit de vorige informatie volgt.
flexible
Flexible betekent hier dat de cursus zich kan aanpassen aan veranderende behoeften of tijden. In a flexible course sluit het direct aan bij het veranderende schema van de spreker. Gebruik flexible om een planning, cursus of aanbod te beschrijven dat niet strikt vastligt.
course
Course betekent hier één georganiseerd programma om te leren. In a flexible course gaat het om één mogelijke cursus die bij het schema kan passen. Gebruik course voor een afzonderlijk studie- of opleidingsprogramma.
with
With geeft hier aan dat de cursus optional live sessions bevat of ermee wordt aangeboden. In a flexible course with optional live sessions voegt het een kenmerk aan course toe. Een bruikbaar patroon is een zelfstandig naamwoord + with + inbegrepen onderdeel.
optional
Optional betekent hier dat de live sessions beschikbaar zijn, maar niet verplicht. Het staat vóór live sessions en beschrijft de keuzevrijheid van de leerder. Gebruik optional vóór een onderdeel dat iemand wel kan kiezen, maar niet hoeft te volgen.
live
Live betekent hier dat de sessies in real time plaatsvinden. In live sessions gaat het dus om lessen of bijeenkomsten die op een bepaald moment direct worden gegeven. Gebruik live vóór een activiteit om aan te geven dat die niet alleen vooraf opgenomen is.
sessions
Sessions betekent hier geplande periodes waarin les of activiteit plaatsvindt. In optional live sessions gaat het om meerdere live bijeenkomsten van de cursus. Het is de meervoudsvorm van session.
may
May geeft hier mogelijkheid aan in may fit best; de spreker doet een voorzichtige aanbeveling. Na may volgt de basisvorm fit. Gebruik may + werkwoord wanneer iets mogelijk is, maar niet zeker.
best
Best betekent hier “het meest geschikt” van de besproken mogelijkheden. In may fit best beoordeelt het de cursus als de optie die het beste bij de situatie past. Gebruik best wanneer je één optie als meest geschikte of effectieve keuze aanwijst.
One
One betekent hier één bepaalde cursus binnen de opties die worden vergeleken. In One course has strong reviews wordt die cursus als eerste specifieke optie genoemd. Samen met the other kan one de ene optie tegenover de andere plaatsen.
has
Has betekent hier dat de cursus bepaalde eigenschappen of kenmerken heeft, namelijk strong reviews. Het staat in One course has strong reviews. Gebruik has gevolgd door een zelfstandig naamwoord om kenmerken of onderdelen van iets te beschrijven.
strong
Strong betekent hier zeer positief of overtuigend in strong reviews. Het gaat niet om fysieke kracht, maar om de goede indruk die de beoordelingen geven. Gebruik strong vóór reviews wanneer beoordelingen bijzonder positief of overtuigend zijn.
reviews
Reviews betekent hier geschreven beoordelingen of meningen over een cursus. In strong reviews geven ze aan dat de cursus door anderen positief wordt beoordeeld. Gebruik reviews wanneer je meningen of evaluaties van gebruikers of beoordelaars bespreekt.
it
It verwijst hier terug naar de ene cursus die in One course is genoemd. In it has very little speaking practice voorkomt het dat course opnieuw moet worden herhaald. Gebruik it om naar één eerder genoemde zaak of optie te verwijzen.
very
Very versterkt hier little in very little speaking practice en benadrukt dat de hoeveelheid bijzonder klein is. Een bruikbaar patroon is very little + een niet-telbare hoeveelheid, zoals speaking practice in deze zin.
little
Little betekent hier een kleine hoeveelheid speaking practice. In very little speaking practice maakt het duidelijk dat er nauwelijks oefening in spreken wordt aangeboden. Gebruik little vóór een niet-telbare hoeveelheid wanneer die beperkt is.
If
If introduceert hier een voorwaarde: speaking moet het doel van de ander zijn voordat het gebrek aan oefening zwaar weegt. In If speaking is your goal staat de voorwaarde vóór de hoofdgedachte. Gebruik If om een situatie en het mogelijke gevolg daarvan met elkaar te verbinden.
is
Is verbindt hier speaking met your goal in speaking is your goal. Het maakt een gelijkstelling of beschrijving mogelijk. Een bruikbaar patroon is X is Y wanneer je zegt wat iets voor iemand betekent of welke rol het heeft.
your
Your geeft hier aan dat het doel bij de aangesproken persoon hoort in your goal. Het staat vóór goal. Gebruik your vóór een zelfstandig naamwoord om bezit of verbondenheid met de aangesproken persoon aan te geven.
goal
Goal betekent hier het gewenste resultaat van de leerder, namelijk spreken. In If speaking is your goal wordt het gebruikt voor het persoonlijke doel waarop de cursuskeuze moet aansluiten. Gebruik goal wanneer je een doel of gewenste uitkomst benoemt.
that
That verwijst hier naar het eerder genoemde gebrek aan speaking practice. In that gap matters wijst het naar die specifieke ontbrekende eigenschap. Gebruik that vóór een zelfstandig naamwoord om naar een bepaald eerder genoemd punt te verwijzen.
gap
Gap betekent hier een ontbrekend of onvoldoende onderdeel, namelijk de geringe speaking practice. In that gap matters wordt benadrukt dat dit gebrek belangrijk is voor iemand die wil spreken. Gebruik gap wanneer je een ontbrekende voorziening, vaardigheid of hoeveelheid bespreekt.
The
The identificeert in The other course een specifieke cursus die al als alternatief in de vergelijking aanwezig is. Het gaat niet om zomaar een cursus, maar om de bekende andere optie. Gebruik the vóór een zelfstandig naamwoord wanneer de bedoelde zaak voor de gesprekspartners herkenbaar is.
other
Other betekent hier de overblijvende of alternatieve cursus tegenover One course. In The other course maakt het duidelijk dat er twee besproken opties zijn. Een bruikbaar patroon is one ... the other om twee opties tegenover elkaar te plaatsen.
includes
Includes betekent hier dat interactive classes en teacher comments als onderdelen van de cursus aanwezig zijn. In The other course includes interactive classes and teacher comments volgt na includes een opsomming van inbegrepen kenmerken. Gebruik includes om te zeggen dat iets een onderdeel of kenmerk bevat.
interactive
Interactive betekent hier dat de classes actieve deelname of uitwisseling tussen deelnemers en docent omvatten. In interactive classes beschrijft het de manier waarop de lessen plaatsvinden. Gebruik interactive vóór een activiteit waarin de deelnemers niet alleen luisteren, maar ook reageren of deelnemen.
classes
Classes betekent hier georganiseerde lessen of onderwijsbijeenkomsten. In interactive classes gaat het om lessen met actieve deelname. Het is de meervoudsvorm van class.
teacher
Teacher betekent hier de persoon die de cursus geeft en de comments schrijft of geeft. In teacher comments vormt het samen met comments een woordgroep voor opmerkingen van de docent. Gebruik teacher vóór een zelfstandig naamwoord om iets met de docent of diens rol te verbinden.
comments
Comments betekent hier opmerkingen van de docent over het leren of het werk van de cursist. In teacher comments is duidelijk wie de opmerkingen geeft. Gebruik comments voor schriftelijke of gesproken observaties die informatie of feedback geven.
Choose
Choose betekent hier “kies” en is een directe instructie aan de luisteraar. In Choose the one that matches how you actually want to learn geeft het advies om één optie te selecteren. Gebruik Choose gevolgd door de gekozen optie wanneer je iemand tot een keuze aanmoedigt.
matches
Matches betekent hier “past bij” of “komt overeen met” in the one that matches how you actually want to learn. De gekozen cursus moet aansluiten bij de gewenste manier van leren. Gebruik matches om een optie te verbinden met een behoefte, doel of voorkeur.
how
How introduceert hier de manier waarop de aangesproken persoon wil leren in how you actually want to learn. Het is geen losse vraag, maar leidt een ingebedde beschrijving van de leermethode in. Gebruik how + onderwerp + werkwoord om uit te leggen op welke manier iemand iets doet.
actually
Actually betekent hier “echt” of “in werkelijkheid” en benadrukt de werkelijke voorkeur van de leerder. In how you actually want to learn gaat het om de manier waarop iemand werkelijk wil leren, niet alleen om een veronderstelling. Gebruik actually om een feitelijke of oprechte voorkeur te benadrukken.
want
Want betekent hier “willen” in want to learn en drukt de gewenste manier van leren uit. Na want volgt to en daarna learn. Gebruik want to + werkwoord om een wens of bedoeling te benoemen.
learn
Learn betekent hier kennis of een vaardigheid verwerven door te studeren. In want to learn staat het als de handeling die de leerder wil uitvoeren. Gebruik learn wanneer je spreekt over het opdoen van kennis of het ontwikkelen van een vaardigheid.