My
«My» geeft aan dat de onderrug bij de spreker hoort. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord in «My lower back». Je gebruikt dit patroon ook bij andere lichaamsdelen of bezittingen, zoals «My chair» in een nieuwe voorbeeldzin.
lower
«lower» geeft in «My lower back» aan dat het om het onderste deel van de rug gaat. Het specificeert welk deel van de rug bedoeld wordt. Je kunt een lichaamsdeel op dezelfde manier nader aanduiden met een plaatsbeschrijving.
back
«back» verwijst hier naar de rug van het lichaam. In «lower back» vormt het samen met «lower» de benaming voor de onderrug. Je gebruikt «back» bijvoorbeeld wanneer je lichamelijke klachten of houding bespreekt.
hurts
«hurts» betekent hier dat de onderrug pijn doet. Het hoort bij het onderwerp «My lower back» in «My lower back hurts». Je kunt dit patroon gebruiken voor een lichaamsdeel dat pijn doet, bijvoorbeeld «My knee hurts» in een nieuwe voorbeeldzin.
after
«after» geeft aan dat iets volgt op een andere handeling of periode. In «after sitting at my desk all day» komt de pijn na lang zitten. Je gebruikt «after» vóór een gebeurtenis of activiteit, zoals «after work» in een nieuwe voorbeeldzin.
sitting
«sitting» verwijst hier naar zittend zijn tijdens de genoemde periode. In «after sitting at my desk all day» beschrijft het de activiteit die aan de pijn voorafgaat. Je kunt «after» ook met een andere activiteit gebruiken, zoals «after walking» in een nieuwe voorbeeldzin.
at
«at» geeft in «at my desk» de plaats of positie aan waar de spreker zit. Het verbindt de handeling met een specifieke werkplek. Je gebruikt «at» ook bij andere concrete plaatsen, zoals «at the office» in een nieuwe voorbeeldzin.
desk
«desk» is hier de tafel of werkplek waaraan de spreker zit. In «at my desk» gaat het om de plaats waar het werk gebeurt. Je gebruikt «desk» bij gesprekken over werken, studeren of een computer gebruiken.
all
«all» geeft aan dat de hele genoemde periode bedoeld wordt. In «all day» betekent het dat de spreker gedurende de volledige dag aan het bureau zat. Je kunt «all» vóór andere tijdsaanduidingen gebruiken, zoals «all week» in een nieuwe voorbeeldzin.
day
«day» verwijst hier naar een volledige dag als tijdsperiode. In «all day» vormt het samen met «all» de betekenis ‘de hele dag’. Je gebruikt «day» om een duur of tijdstip binnen een dagelijks schema te benoemen.
Your
«Your» geeft aan dat de stoel bij de luisteraar hoort of door die persoon wordt gebruikt. Het staat vóór «chair» in «Your chair». Je gebruikt dit patroon vóór een zelfstandig naamwoord wanneer je rechtstreeks tegen iemand spreekt.
chair
«chair» verwijst hier naar de stoel waarop de luisteraar zit. In «Your chair» wordt de stoel als mogelijke oorzaak van onvoldoende steun besproken. Je gebruikt «chair» bijvoorbeeld bij gesprekken over zitten, werken of meubels.
might
«might» drukt in «might not be giving» een mogelijkheid uit, zonder zekerheid. Het maakt de uitspraak voorzichtig: de stoel geeft misschien onvoldoende steun. Je gebruikt «might» vóór een werkwoord om een mogelijke situatie te noemen.
not
«not» maakt de uitspraak negatief. In «might not be giving you enough support» betekent het dat de stoel mogelijk niet genoeg steun geeft. Je gebruikt «not» bij een ontkenning, vaak na een hulpwerkwoord zoals «might».
be
«be» maakt in «might not be giving» deel uit van de vorm voor een handeling die op dat moment aan de gang kan zijn. Samen met «giving» beschrijft het wat de stoel mogelijk aan het doen is. Je gebruikt «be» op dezelfde plaats na een hulpwerkwoord bij een vergelijkbare voortdurende handeling.
giving
«giving» betekent hier dat de stoel steun levert of biedt. In «be giving you enough support» is «you» degene die de steun ontvangt en «enough support» wat wordt geboden. Je kunt «giving» gebruiken voor iets dat iemand een concrete hulp of voorziening biedt.
you
«you» verwijst hier naar de luisteraar, die steun van de stoel ontvangt. In «giving you enough support» staat het als degene voor wie de steun bedoeld is. Je gebruikt «you» wanneer je de persoon aanspreekt die iets ontvangt of ervaart.
enough
«enough» betekent hier ‘zoveel als nodig is’. In «enough support» wordt beoordeeld of de steun van de stoel voldoende is. Je plaatst «enough» vóór een zelfstandig naamwoord, zoals «enough time» in een nieuwe voorbeeldzin.
support
«support» verwijst hier naar lichamelijke steun of stabiliteit van de stoel. In «giving you enough support» gaat het om de steun die de stoel aan de gebruiker biedt. Je gebruikt «support» bijvoorbeeld bij stoelen, houdingen of andere dingen die het lichaam ondersteunen.
I
«I» verwijst naar de spreker. In «I also lean forward» is de spreker degene die naar voren leunt. Je gebruikt «I» als onderwerp wanneer je over je eigen handeling of ervaring spreekt.
also
«also» voegt een tweede punt toe aan wat al besproken is. In «I also lean forward» zegt de spreker dat naar voren leunen eveneens gebeurt. Je gebruikt «also» om een extra handeling, eigenschap of ervaring toe te voegen.
lean
«lean» betekent hier dat de spreker het lichaam in een schuine houding brengt. In «lean forward» gaat de beweging naar voren. Je gebruikt «lean» met een richting wanneer je een lichaamshouding of beweging beschrijft.
forward
«forward» geeft in «lean forward» de richting naar de voorkant aan. Het maakt duidelijk welke kant de spreker op leunt. Je kunt «forward» gebruiken bij houdingen of bewegingen waarbij iets naar voren gaat.
because
«because» leidt de reden voor een uitspraak in. In «because my monitor is too far away» verklaart het waarom de spreker naar voren leunt. Je gebruikt «because» vóór een volledige reden met een onderwerp en werkwoord.
monitor
«monitor» verwijst hier naar het computerscherm waarop de spreker kijkt. In «my monitor is too far away» wordt de afstand tot dit scherm als probleem genoemd. Je gebruikt «monitor» bijvoorbeeld bij een werkplek of computeropstelling.
is
«is» verbindt in «my monitor is too far away» het onderwerp met de beschrijving van de afstand. Het zegt hoe de monitor zich ten opzichte van de spreker bevindt. Je gebruikt «is» om één ding met een eigenschap of toestand te verbinden.
too
«too» betekent hier dat de afstand groter is dan geschikt of wenselijk. In «too far away» verklaart het waarom de monitor een probleem vormt. Je gebruikt «too» vóór een bijvoeglijke of bijwoordelijke beschrijving wanneer iets een ongewenst hoge mate heeft.
far
«far» beschrijft in «too far away» een grote afstand. Samen met «away» geeft het aan dat de monitor ver van de spreker staat. Je gebruikt «far» om de afstand tot een plaats of voorwerp te beschrijven.
away
«away» geeft in «far away» aan dat iets op afstand van het uitgangspunt staat. Het versterkt hier de beschrijving van de afstand tot de monitor. Je gebruikt «away» vaak samen met een afstandsbeschrijving, zoals «far away».
Moving
«Moving» verwijst hier naar het dichterbij plaatsen van het scherm. In «Moving the screen closer» wordt deze handeling als mogelijke oplossing besproken. Je kunt een handeling op dezelfde manier als onderwerp gebruiken, bijvoorbeeld «Changing the chair» in een nieuwe voorbeeldzin.
the
«the» verwijst naar een specifiek scherm dat in de situatie bekend is. In «the screen» gaat het om het scherm van de werkplek. Je gebruikt «the» vóór een zelfstandig naamwoord wanneer duidelijk is welk exemplaar bedoeld wordt.
screen
«screen» verwijst hier naar het display dat informatie toont. In «Moving the screen closer» is het scherm het voorwerp dat dichterbij wordt geplaatst. Je gebruikt «screen» bijvoorbeeld bij computers, telefoons of andere apparaten met een display.
closer
«closer» betekent hier op een kleinere afstand. In «Moving the screen closer» beschrijft het de gewenste nieuwe positie van het scherm. Je kunt «closer» gebruiken wanneer je een voorwerp of persoon naar een ander referentiepunt toe beweegt.
could
«could» geeft in «could take some pressure off» een mogelijk gevolg aan. De spreker zegt voorzichtig dat het dichterbij zetten van het scherm de druk kan verminderen. Je gebruikt «could» om een mogelijke oplossing of uitkomst voor te stellen.
take
«take» betekent in «take some pressure off your back» verminderen of wegnemen. De betekenis ontstaat hier uit de volledige uitdrukking met «pressure» en «off». Je kunt het patroon «take ... off» gebruiken voor iets dat een last of druk van iemand vermindert.
some
«some» verwijst hier naar een niet nader bepaalde hoeveelheid druk. In «some pressure» wordt niet gezegd hoeveel druk vermindert. Je gebruikt «some» vóór een niet-telbare hoeveelheid wanneer de precieze hoeveelheid niet belangrijk is.
pressure
«pressure» verwijst hier naar lichamelijke druk of belasting op de rug. In «take some pressure off your back» wordt die belasting mogelijk verminderd. Je gebruikt «pressure» bijvoorbeeld bij lichamelijke spanning of belasting.
off
«off» geeft in «take some pressure off your back» aan dat de druk van de rug wordt weggenomen. De betekenis hoort bij de volledige uitdrukking «take ... off». Je gebruikt «off» in zulke patronen om te beschrijven dat iets van een oppervlak of persoon wordt verwijderd.
was
«was» verwijst in «I was thinking» naar een eerdere gedachte of overweging van de spreker. Samen met «thinking» presenteert het wat de spreker aan het overwegen was. Je gebruikt «was» met «I» om naar een toestand of activiteit in het verleden te verwijzen.
thinking
«thinking» betekent hier overwegen of nadenken over een plan. In «I was thinking about stretching» overweegt de spreker om te rekken tijdens pauzes. Je gebruikt «thinking about» vóór iets dat je overweegt of van plan bent.
about
«about» verbindt «thinking» met het onderwerp van de gedachte. In «thinking about stretching» gaat de gedachte over rekken. Je gebruikt «thinking about» vóór een activiteit, plan of onderwerp waarover je nadenkt.
stretching
«stretching» verwijst hier naar rustig rekken om het lichaam losser te maken. In «thinking about stretching during short breaks» is het de activiteit die de spreker tijdens korte pauzes overweegt. Je kunt «stretching» gebruiken bij lichaamsbeweging of een pauze van lang zitten.
during
«during» geeft aan wanneer iets binnen een bepaalde periode gebeurt. In «during short breaks» gebeurt het rekken binnen korte werkpauzes. Je gebruikt «during» vóór een periode of gebeurtenis waarbinnen een handeling plaatsvindt.
short
«short» beschrijft in «short breaks» pauzes met een beperkte duur. Het maakt duidelijk dat de pauzes niet lang zijn. Je gebruikt «short» vóór een tijdsperiode of gebeurtenis met weinig duur.
breaks
«breaks» verwijst hier naar korte rustmomenten waarin de spreker het werk onderbreekt. In «during short breaks» zijn dit de momenten waarop rekken kan gebeuren. Je gebruikt «breaks» bijvoorbeeld bij werk- of studiemomenten.
Gentle
«Gentle» betekent hier voorzichtig en niet krachtig. In «Gentle stretching» beschrijft het hoe het rekken moet worden uitgevoerd. Je gebruikt «gentle» vóór een activiteit of aanraking wanneer die mild moet zijn.
may
«may» drukt in «may help» een mogelijkheid uit. De spreker zegt dat rustig rekken mogelijk helpt, zonder dit als zekerheid te presenteren. Je gebruikt «may» vóór een werkwoord om een mogelijke uitkomst te noemen.
help
«help» betekent hier dat de toestand beter kan worden. In «Gentle stretching may help» gaat het om mogelijke verlichting van de klacht. Je gebruikt «help» vóór of met iets dat een persoon bij een probleem ondersteunt.
but
«but» leidt een beperking of tegenstelling in. In «may help, but stop» volgt op de mogelijke werking van rekken de waarschuwing om te stoppen bij meer pijn. Je gebruikt «but» om twee inhoudelijk tegengestelde of beperkende delen te verbinden.
stop
«stop» is hier een directe instructie om de activiteit niet voort te zetten. In «stop if it increases the pain» moet de luisteraar stoppen wanneer de pijn toeneemt. Je gebruikt «stop» vóór of met een activiteit die moet eindigen.
if
«if» introduceert de voorwaarde waaronder de instructie geldt. In «if it increases the pain» is meer pijn de voorwaarde om te stoppen. Je gebruikt «if» vóór een volledige voorwaarde bij advies of mogelijke gevolgen.
it
«it» verwijst hier naar het rekken of de betreffende activiteit. In «if it increases the pain» is die activiteit degene die mogelijk meer pijn veroorzaakt. Je gebruikt «it» om naar een eerder genoemde handeling of situatie te verwijzen.
increases
«increases» betekent hier dat iets groter of sterker wordt. In «increases the pain» gaat het om een toename van de pijn door de activiteit. Je gebruikt dit patroon met een onderwerp en iets dat in intensiteit of hoeveelheid groter wordt.
pain
«pain» verwijst hier naar het lichamelijke ongemak in de rug. In «increases the pain» wordt besproken dat dit ongemak erger kan worden. Je gebruikt «pain» bij lichamelijke klachten of pijnlijke symptomen.
continues
«continues» betekent hier dat de pijn of klacht blijft aanhouden. In «If it continues» verwijst «it» naar de eerder besproken toestand. Je gebruikt «continues» wanneer een situatie na een eerder moment niet ophoudt.
should
«should» geeft in «I should probably see a professional» een aanbeveling of verstandig advies aan. De spreker zegt dat professionele hulp waarschijnlijk de juiste volgende stap is. Je gebruikt «should» vóór een werkwoord om advies te geven.
probably
«probably» betekent hier dat iets waarschijnlijk is, maar niet zeker. In «should probably see a professional» verzacht het de aanbeveling. Je gebruikt «probably» wanneer je een inschatting geeft zonder volledige zekerheid.
see
«see» betekent hier een deskundige bezoeken of raadplegen. In «see a professional» gaat het niet alleen om iemand bekijken, maar om professionele hulp zoeken. Je gebruikt «see» in dit patroon vóór de persoon die je bezoekt of raadpleegt.
a
«a» verwijst naar één niet nader genoemde deskundige. In «a professional» is nog niet bepaald welke professional de spreker zal raadplegen. Je gebruikt «a» vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer het om een niet-specifiek exemplaar gaat.
professional
«professional» verwijst hier naar een gekwalificeerde deskundige die kan helpen bij de klacht. In «see a professional» wordt professionele beoordeling aanbevolen als de klacht aanhoudt. Je gebruikt «professional» voor iemand met deskundigheid in een bepaald werkgebied.
Especially
«Especially» betekent hier ‘in het bijzonder’ en legt extra nadruk op de genoemde omstandigheden. In «Especially if the pain spreads» worden uitstralende pijn en slaapproblemen als belangrijke signalen benadrukt. Je gebruikt «especially» om één geval of reden extra te markeren.
spreads
«spreads» betekent hier dat de pijn zich naar andere gebieden uitbreidt. In «the pain spreads» wordt dit als een mogelijke verandering van de klacht genoemd. Je gebruikt «spreads» voor iets dat zich vanuit één gebied naar meer gebieden uitbreidt.
or
«or» verbindt hier twee mogelijke signalen: dat de pijn zich verspreidt of dat de slaap wordt beïnvloed. Het presenteert deze mogelijkheden als alternatieven binnen dezelfde voorwaarde. Je gebruikt «or» om alternatieve handelingen, eigenschappen of situaties te verbinden.
starts
«starts» betekent hier dat iets begint te gebeuren. In «starts affecting your sleep» gaat het om het begin van een effect op de slaap. Je gebruikt «starts» vóór een activiteit of toestand die vanaf een bepaald moment begint.
affecting
«affecting» betekent hier invloed hebben op de slaap. In «starts affecting your sleep» beschrijft het welk effect de pijn begint te hebben. Je gebruikt «affecting» vóór datgene waarop een situatie of probleem invloed heeft.
sleep
«sleep» verwijst hier naar de rustperiode waarin de persoon slaapt. In «affecting your sleep» gaat het erom dat de pijn de slaap verstoort of verandert. Je gebruikt «sleep» bij rust, nachtrust of problemen met slapen.
This
«This» verwijst hier naar de huidige of komende week. In «This week» begrenst het de periode waarin de spreker iets wil doen. Je gebruikt «this» vóór een tijdsaanduiding om de periode rond het huidige moment aan te wijzen.
week
«week» verwijst hier naar een periode van zeven dagen. In «This week» gaat het om de week waarin de spreker kleine aanpassingen wil uitvoeren. Je gebruikt «week» om een periode in een planning of tijdschema te benoemen.
can
«can» geeft in «I can make small adjustments» aan dat de spreker daartoe in staat is of die mogelijkheid heeft. Het beschrijft een haalbare actie voor deze week. Je gebruikt «can» vóór een werkwoord om vermogen of mogelijkheid uit te drukken.
make
«make» betekent hier uitvoeren of aanbrengen. In «make small adjustments» gaat het om kleine veranderingen aan de werkplek of aanpak. Je gebruikt «make» in het vaste patroon «make adjustments» wanneer je wijzigingen aanbrengt.
small
«small» beschrijft in «small adjustments» veranderingen met een beperkte omvang. Het benadrukt dat de spreker geen grote ingreep bedoelt. Je gebruikt «small» vóór een zelfstandig naamwoord om een beperkte grootte of mate aan te geven.
adjustments
«adjustments» verwijst hier naar kleine wijzigingen in de werkplek of werkwijze. In «make small adjustments» worden zulke wijzigingen voorgesteld als praktische stap. Je gebruikt «make adjustments» bijvoorbeeld wanneer je een instelling, houding of werkomgeving bijstelt.
and
«and» verbindt hier twee acties die de spreker wil uitvoeren: aanpassingen maken en nagaan of ze helpen. De acties horen bij hetzelfde plan voor deze week. Je gebruikt «and» om gelijkwaardige woorden, zinsdelen of handelingen te verbinden.
track
«track» betekent hier gedurende een periode volgen en bijhouden. In «track whether they help» wil de spreker observeren of de aanpassingen effect hebben. Je gebruikt «track» bijvoorbeeld voor klachten, resultaten of veranderingen die je in de tijd volgt.
whether
«whether» leidt hier de vraag in of de aanpassingen wel of niet helpen. In «track whether they help» wordt die onzekerheid als onderdeel van de observatie genoemd. Je gebruikt «whether» na werkwoorden zoals «track» of «check» wanneer je een uitkomst onderzoekt.
they
«they» verwijst hier naar de eerder genoemde «adjustments». In «whether they help» zijn de aanpassingen degene die mogelijk effect hebben. Je gebruikt «they» om naar meerdere eerder genoemde zaken of personen te verwijzen.
Consistent
«Consistent» betekent hier dat de veranderingen regelmatig en volgehouden worden toegepast. In «Consistent changes» worden zulke veranderingen tegenover één grote verandering geplaatst. Je gebruikt «consistent» om gedrag of maatregelen te beschrijven die een stabiel patroon vormen.
changes
«changes» verwijst hier naar wijzigingen in de aanpak of werkplek. In «Consistent changes» gaat het om veranderingen die regelmatig worden volgehouden. Je gebruikt «changes» voor aanpassingen aan een situatie, gewoonte of plan.
are
«are» verbindt in «Consistent changes are usually easier» het onderwerp met de beschrijving ervan. Het zegt hoe de veranderingen doorgaans beoordeeld kunnen worden. Je gebruikt «are» om meerdere zaken met een eigenschap of toestand te verbinden.
usually
«usually» betekent hier dat iets in de meeste gevallen zo is, maar niet altijd. In «are usually easier to judge» geeft het een algemene, voorzichtige beoordeling. Je gebruikt «usually» bij gewoonten of situaties die vaak voorkomen.
easier
«easier» betekent hier minder moeilijk. In «easier to judge than one big change» wordt de inspanning om het effect te beoordelen vergeleken. Je gebruikt «easier» vaak in het patroon «easier to» gevolgd door een handeling.
to
«to» markeert in «easier to judge» de handeling die gemakkelijker wordt genoemd. Het verbindt «easier» met «judge». Je gebruikt «to» in dit patroon vóór een werkwoord om te zeggen welke handeling wordt bedoeld.
judge
«judge» betekent hier beoordelen of inschatten welk effect de veranderingen hebben. In «easier to judge» gaat het om het evalueren van het resultaat. Je gebruikt «judge» voor een oordeel over een situatie, resultaat of verandering.
than
«than» leidt de tweede kant van de vergelijking in. In «easier to judge than one big change» wordt de beoordeling van consistente veranderingen vergeleken met die van één grote verandering. Je gebruikt «than» na een vergelijkende vorm zoals «easier».
one
«one» verwijst hier naar één enkele verandering. In «one big change» wordt het aantal tegenover de meervoudige, consistente veranderingen geplaatst. Je gebruikt «one» vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord om precies één exemplaar aan te duiden.
big
«big» beschrijft in «one big change» een verandering van grote omvang of mate. Het onderscheidt deze verandering van de kleine aanpassingen die eerder genoemd zijn. Je gebruikt «big» vóór een zelfstandig naamwoord om een grote omvang of sterke verandering aan te geven.
change
«change» verwijst hier naar één wijziging in de werkplek of aanpak. In «one big change» gaat het om een enkele ingreep met een grote omvang. Je gebruikt «change» voor een wijziging die een eerdere situatie of werkwijze anders maakt.