I
‘I’ is het persoonlijk voornaamwoord voor de spreker en betekent hier ‘ik’. In ‘I know the material’ staat het als onderwerp van de zin.
know
‘know’ betekent hier kennis hebben van de lesstof. Het werkwoord krijgt in ‘I know the material’ het object ‘the material’.
the
‘the’ is het bepaalde lidwoord en verwijst hier naar de relevante lesstof. Het staat vóór ‘material’.
material
‘material’ betekent hier lesstof of inhoud die de spreker kent. Het is het object in ‘I know the material’.
but
‘but’ verbindt twee delen met een tegenstelling: de spreker kent de stof, maar het presenteren veroorzaakt een probleem. Het wordt gebruikt om een onverwacht of afwijkend tweede punt in te leiden.
presenting
‘presenting’ verwijst hier naar de activiteit van presenteren. Deze vorm op -ing staat in ‘presenting makes my thinking scattered’ als onderwerp van de zin.
makes
‘makes’ betekent hier ervoor zorgen dat iets in een bepaalde toestand komt. Het is de vorm van make die bij het onderwerp ‘presenting’ hoort en volgt het patroon make + object + bijvoeglijk naamwoord.
my
‘my’ geeft aan dat iets bij de spreker hoort. Het staat vóór ‘thinking’ in ‘my thinking’.
thinking
‘thinking’ verwijst hier naar het denkproces of de gedachten van de spreker. De vorm hangt samen met think en functioneert in ‘my thinking’ als een zelfstandig naamwoord.
scattered
‘scattered’ betekent hier versnipperd of onsamenhangend. Het beschrijft de toestand van ‘my thinking’ na ‘makes’; de vorm hangt samen met scatter.
Anxiety
‘Anxiety’ betekent hier angst of spanning die tijdens een presentatie kan ontstaan. Het is het onderwerp van ‘Anxiety can disrupt the structure of a presentation’.
can
‘can’ geeft hier aan dat iets mogelijk is: angst kan de structuur verstoren. Na ‘can’ volgt de basisvorm ‘disrupt’.
disrupt
‘disrupt’ betekent hier verstoren of ontregelen. Het staat na ‘can’ in de basisvorm en heeft ‘the structure of a presentation’ als object.
structure
‘structure’ verwijst hier naar de ordening en opbouw van een presentatie. De gebruikelijke verbinding in deze zin is ‘structure of’ gevolgd door datgene waarvan de structuur wordt beschreven.
of
‘of’ verbindt ‘structure’ met ‘a presentation’ en geeft de relatie ‘van een presentatie’ aan. Hier vormt het de verbinding ‘the structure of a presentation’.
a
‘a’ is het onbepaalde lidwoord en introduceert hier één niet nader bepaalde presentatie. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord ‘presentation’.
presentation
‘presentation’ betekent hier een presentatie of voordracht. Het staat na ‘a’ in ‘a presentation’.
even
‘even’ benadrukt hier dat het genoemde ook geldt ondanks goede voorbereiding. Het versterkt de onverwachte omstandigheid in ‘even when you are well prepared’.
when
‘when’ leidt hier de omstandigheid in waarin iets gebeurt: zelfs als je goed voorbereid bent. In deze zin heeft het een voorwaardelijke betekenis en staat het vóór ‘you are well prepared’.
you
‘you’ verwijst hier naar de aangesproken persoon en betekent ‘je’ of ‘jij’. Het is het onderwerp van ‘are’.
are
‘are’ is hier een vorm van be en zegt dat de aangesproken persoon voorbereid is. Deze vorm hoort bij het onderwerp ‘you’ in ‘you are well prepared’.
well
‘well’ versterkt hier ‘prepared’ en betekent dat iemand goed of grondig voorbereid is. Het staat als bijwoord vóór het bijvoeglijk naamwoord ‘prepared’.
prepared
‘prepared’ betekent hier klaar zijn door voorbereiding. Het beschrijft ‘you’ in ‘you are well prepared’ en hangt samen met prepare.
tend
‘tend’ geeft hier een terugkerende persoonlijke neiging aan: de spreker doet dit gewoonlijk. Het wordt gebruikt in het patroon ‘tend to’ gevolgd door een werkwoord.
to
‘to’ is hier de infinitiefmarkeerder na ‘tend’. Het verbindt ‘tend’ met de basisvorm ‘rush’ in ‘tend to rush’.
rush
‘rush’ betekent hier ergens te snel doorheen gaan. Het staat na ‘to’ en vormt samen met ‘through complex transitions’ de handeling waar de spreker toe neigt.
through
‘through’ geeft hier aan dat de spreker door bepaalde onderdelen van de presentatie heen gaat. In ‘rush through complex transitions’ wordt het gevolgd door het object ‘complex transitions’.
complex
‘complex’ betekent hier ingewikkeld of samengesteld. Het beschrijft de ‘transitions’ en staat er direct vóór.
transitions
‘transitions’ zijn de overgangen van het ene onderdeel van een presentatie naar het volgende. Het is het meervoud van transition en staat na ‘complex’.
Highlighting
‘Highlighting’ betekent hier overgangen markeren of benadrukken in de aantekeningen. De vorm op -ing staat in ‘Highlighting transitions in your notes’ als onderwerp van de zin en hangt samen met highlight.
in
‘in’ geeft hier aan dat de overgangen zich binnen de aantekeningen bevinden. Het staat in de verbinding ‘in your notes’.
your
‘your’ geeft aan dat de aantekeningen van de aangesproken persoon zijn. Het staat vóór ‘notes’.
notes
‘notes’ betekent hier aantekeningen die tijdens of voor een presentatie worden gebruikt. Het is het meervoud van note en staat na ‘in your’.
may
‘may’ presenteert het markeren als een mogelijke manier om te helpen. Na ‘may’ volgt de basisvorm ‘help’.
help
‘help’ betekent hier nuttig zijn of ondersteuning bieden. Het staat in ‘may help’ na het modale werkwoord ‘may’.
could
‘could’ geeft hier op een voorzichtige manier een mogelijke optie aan: de spreker zou dit ook kunnen doen. Na ‘could’ volgt de basisvorm ‘rehearse’.
also
‘also’ voegt het idee van repeteren toe aan de eerder genoemde mogelijkheid. Het staat vóór het hoofdwerkwoord in ‘could also rehearse’.
rehearse
‘rehearse’ betekent hier een presentatie vooraf oefenen of repeteren. Het staat na ‘could’ en heeft ‘only the difficult sections’ als object.
only
‘only’ beperkt de handeling tot de moeilijke gedeelten. In ‘rehearse only the difficult sections’ staat het direct vóór datgene wat beperkt wordt.
difficult
‘difficult’ betekent hier moeilijk en geeft aan welke gedeelten extra aandacht nodig hebben. Het beschrijft ‘sections’.
sections
‘sections’ verwijst hier naar afzonderlijke gedeelten van de presentatie. Het is het meervoud van section en vormt het object van ‘rehearse’.
That
‘That’ verwijst hier naar het hele voorstel om alleen de moeilijke gedeelten te repeteren. Het staat als onderwerp van ‘That is efficient’.
is
‘is’ verbindt ‘That’ met de beoordeling ‘efficient’. Het is hier een vorm van be bij een enkelvoudig onderwerp.
efficient
‘efficient’ betekent hier dat de oefentijd doelmatig wordt gebruikt. Het staat als omschrijving na ‘is’ in ‘That is efficient’.
since
‘since’ geeft hier de reden voor de efficiëntie: niet elk onderdeel heeft evenveel oefening nodig. In deze zin leidt het een redengevende bijzin in, niet een tijdsaanduiding.
not
‘not’ ontkent hier ‘every part’ en betekent ‘niet elk onderdeel’. Het zegt dat de onderdelen niet allemaal dezelfde hoeveelheid oefening nodig hebben, niet dat geen enkel onderdeel oefening nodig heeft.
every
‘every’ verwijst naar elk afzonderlijk onderdeel binnen de hele groep. Het staat vóór het enkelvoudige zelfstandig naamwoord ‘part’.
part
‘part’ betekent hier een afzonderlijk onderdeel van de presentatie. Het is het onderwerp van ‘needs equal practice’.
needs
‘needs’ betekent hier nodig hebben of vereisen. Het is de vorm van need die bij ‘every part’ hoort en krijgt ‘equal practice’ als aanvulling.
equal
‘equal’ betekent hier dezelfde hoeveelheid of mate. Het beschrijft hoeveel oefening de verschillende onderdelen nodig hebben in ‘equal practice’.
practice
‘practice’ betekent hier oefenen of oefening voor de presentatie. In ‘equal practice’ functioneert het als zelfstandig naamwoord.
want
‘want’ betekent hier willen of de wens hebben. Het staat in ‘I want to sound prepared’ en wordt gevolgd door ‘to’ plus een werkwoord.
sound
‘sound’ betekent hier een bepaalde indruk wekken wanneer je spreekt. In ‘sound prepared’ volgt het na ‘to’ en wordt het aangevuld met het bijvoeglijk naamwoord ‘prepared’.
without
‘without’ introduceert iets wat niet moet gebeuren: de spreker wil voorbereid klinken zonder ingestudeerd over te komen. Het wordt hier gevolgd door de -ing-vorm ‘seeming’.
seeming
‘seeming’ betekent hier lijken of overkomen als. Het staat na ‘without’ in ‘without seeming memorized’ en hangt samen met seem.
memorized
‘memorized’ betekent hier uit het hoofd geleerd, zodat iets ingestudeerd kan overkomen. Het beschrijft de indruk die de spreker wil vermijden en hangt samen met memorize.
Aim
‘Aim’ is hier een directe aansporing om op iets te richten. In ‘Aim for flexible signposts’ staat de basisvorm als gebiedende wijs.
for
‘for’ verbindt ‘Aim’ met het gewenste doel of resultaat. De vaste combinatie in deze zin is ‘aim for’ gevolgd door een zelfstandig naamwoord of woordgroep.
flexible
‘flexible’ betekent hier aanpasbaar en niet volledig vastgelegd. Het beschrijft ‘signposts’ en staat tegenover ‘fixed’ in dezelfde zin.
signposts
‘signposts’ verwijst hier naar woorden of korte uitdrukkingen die het publiek door de structuur van een presentatie leiden. Het is het meervoud van signpost en staat na ‘flexible’.
rather
‘rather’ drukt in de verbinding ‘rather than’ een voorkeur uit voor het eerste alternatief. Hier wordt gekozen voor flexibele signaalzinnen in plaats van vaste zinnen.
than
‘than’ voltooit de verbinding ‘rather than’ en markeert het alternatief dat niet de voorkeur krijgt. In deze zin gaat het om ‘fixed sentences’.
fixed
‘fixed’ betekent hier vastgelegd en weinig aanpasbaar. Het beschrijft ‘sentences’ en hangt samen met fix.
sentences
‘sentences’ verwijst hier naar volledige formuleringen die woordelijk vaststaan. Het is het meervoud van sentence en vormt het alternatief tegenover ‘flexible signposts’.