Je
Je betekent hier ‘ik’ en is het onderwerp in Je comprends maintenant, Je ne comprends pas en Je ne sais pas. Het staat vóór de werkwoordsvorm wanneer de spreker over zichzelf vertelt. Je gebruikt Je bijvoorbeeld om je eigen begrip of kennis aan te geven.
comprends
comprends betekent hier ‘begrijp’ in Je comprends maintenant en Je ne comprends pas. Dit is de vorm van comprendre die bij je staat; de ontkenning wordt gevormd met ne ... pas. Je gebruikt comprends wanneer je zegt of je iets begrijpt, bijvoorbeeld in de vraag Tu me comprends ?.
maintenant
maintenant betekent hier ‘nu’ en geeft aan dat het begrijpen op dit moment plaatsvindt in Je comprends maintenant. Het staat in deze zin na het werkwoord. Je gebruikt maintenant om een handeling of toestand aan het huidige moment te koppelen.
ne
ne draagt hier samen met pas de ontkenning in Je ne comprends pas en Je ne sais pas. Ne staat vóór de vervoegde werkwoordsvorm en pas erna; ne alleen maakt de zin hier niet volledig ontkennend. Je gebruikt ne ... pas om te zeggen dat je iets niet begrijpt of niet weet.
pas
pas vormt hier samen met ne de ontkenning in Je ne comprends pas en Je ne sais pas. Pas staat na de vervoegde werkwoordsvorm, terwijl ne ervoor staat. Je gebruikt ne ... pas om een handeling, begrip of kennis te ontkennen.
sais
sais betekent hier ‘weet’ in Je ne sais pas. Dit is de vorm van savoir die bij je staat, met ne ... pas als ontkenning. Je gebruikt Je sais of Je ne sais pas om kennis of informatie aan te geven.
Qu'est-ce que
Qu'est-ce que ... ? is hier de volledige vraagconstructie voor ‘wat ...?’ in Qu'est-ce que tu veux dire ? Qu'est-ce vormt de vraaguitdrukking en que verbindt die met de volgende zin met tu als onderwerp en veux dire als werkwoordelijk deel. Je gebruikt Qu'est-ce que + onderwerp + werkwoord om naar de bedoelde inhoud of betekenis te vragen.
tu
tu betekent hier ‘jij’ en spreekt één gesprekspartner direct aan in tu veux dire, Tu me comprends ? en Tu le connais ? Het staat als onderwerp vóór het werkwoord in de eerste zin en na het vraagteken wordt de vraag door intonatie gemarkeerd. Je gebruikt tu om een persoon rechtstreeks aan te spreken.
veux
veux betekent hier ‘wilt’ in tu veux dire. Het is de vorm van vouloir die bij tu staat, maar samen met dire betekent veux dire hier ‘bedoelen’. Je gebruikt tu veux + een werkwoordsvorm om te vragen of te zeggen wat iemand wil doen; in deze dialoog gaat het om de bedoeling van iemands woorden.
dire
dire betekent hier ‘zeggen’ of, samen met veux, ‘bedoelen’ in Qu'est-ce que tu veux dire ? Dire staat als infinitief na veux. Je gebruikt veux dire als vaste combinatie wanneer je naar iemands bedoeling of betekenis vraagt.
me
me betekent hier ‘mij’ in Tu me comprends ? en verwijst naar de persoon die spreekt. Het staat vóór de werkwoordsvorm comprends als object van de zin. Je gebruikt de volgorde tu me + werkwoord wanneer je vraagt of iemand jou begrijpt.
le
le betekent hier ‘hem’ in Tu le connais ? en verwijst naar de bedoelde mannelijke persoon. Het staat vóór de werkwoordsvorm connais als object van de zin. Je gebruikt de volgorde tu le + werkwoord wanneer je vraagt of iemand een man kent.
connais
connais betekent hier ‘kent’ in Tu le connais ? Dit is de vorm van connaître die bij tu staat en wordt hier gebruikt voor het kennen van een persoon. Je gebruikt tu connais + een persoon of le wanneer je vraagt of iemand die persoon kent.