Hebben en kunnen | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic possession and ability..

NL → FR / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Hebben en kunnen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

J'ai celui-ci.

zjee suh-lwie-sie Ik heb deze.
B

Je ne l'ai pas.

zje nuh lee paa Ik heb het niet.
A

Je peux le faire.

zje peu luh fehr Ik kan het doen.
B

Je ne peux pas le faire.

zje nuh peu paa luh fehr Ik kan het niet doen.
A

Tu peux m'aider ?

tuu peu meh-dee Kun je me helpen?
B

Tu peux faire ça ?

tuu peu fehr saa Kun je dit doen?

Uitleg van de zinnen

  1. J'ai celui-ci.

    Ik heb deze.

    J'ai
    ik heb
    celui-ci
    deze
    Uitgebreide uitleg

    J'ai is de vaste vorm van je + ai: het onderwerp is “ik” en ai is de eerste persoon enkelvoud van avoir in de tegenwoordige tijd. Samen betekent dit hier “ik heb”. In andere zinnen kan dezelfde vorm ook als hulpwerkwoord voorkomen, bijvoorbeeld in J'ai compris — “Ik heb het begrepen”. celui-ci is een aanwijzend voornaamwoord voor één mannelijk zelfstandig naamwoord. Het vervangt het zelfstandig naamwoord zelf; dat woord staat dus niet opnieuw in deze zin. celui is de mannelijke enkelvoudsvorm, en -ci markeert doorgaans de dichterbij aangewezen keuze. Vergelijk celle-ci voor één vrouwelijk zelfstandig naamwoord en ceux-ci voor meerdere mannelijke of gemengde personen of zaken. De Nederlandse vertaling “deze” geeft de bedoelde aanwijzing weer, maar laat het Franse grammaticale geslacht niet zien. Samen vormen J'ai celui-ci de betekenis “Ik heb deze”: J'ai drukt het hebben uit en celui-ci benoemt de aangewezen mannelijke enkelvoudige zaak zonder het bijbehorende zelfstandig naamwoord te herhalen. Een herbruikbaar patroon is J'ai celui-ci — “Ik heb deze” — waarbij celui-ci kan worden vervangen door een andere passende aanwijzende voornaamwoordsvorm.

  2. Je ne l'ai pas.

    Ik heb het niet.

    Je
    ik
    ne … pas
    ontkenning: niet
    l'ai
    heb het
    Uitgebreide uitleg

    Je betekent hier “ik” en is het onderwerp. Het is de vorm voor de eerste persoon enkelvoud; bij de tweede persoon staat bijvoorbeeld tu voor “jij”. ne ... pas is de Franse ontkenningsconstructie. In deze zin staat ne vóór de vervoegde werkwoordsvorm en pas erna: Je ne travaille pas = “Ik werk niet”. De twee delen horen samen; ne betekent hier niet zelfstandig “niet”. l'ai bestaat uit het geëlideerde voornaamwoord l' en ai. Ai is de eerste persoon enkelvoud van avoir (“hebben”): j'ai = “ik heb”. L' is de verkorte vorm van le of la vóór een klinker en verwijst hier, volgens de vaste vertaling, naar “het”. De vorm l' laat op zichzelf niet zien of de oorspronkelijke vorm le of la was. Het voornaamwoord staat vóór het vervoegde werkwoord: Je l'ai = “Ik heb het”. Samen vormen Je + ne ... pas + l'ai de betekenis “Ik heb het niet.” Het voornaamwoord staat vóór ai, terwijl de ontkenning de werkwoordgroep omringt: Je ne l'ai pas.

  3. Je peux le faire.

    Ik kan het doen.

    Je peux
    ik kan
    le
    het
    faire
    doen
    Uitgebreide uitleg

    Je peux betekent hier ‘ik kan’. Je is het persoonlijke voornaamwoord voor de spreker: ‘ik’. peux is de vervoegde vorm van pouvoir (‘kunnen’) in de eerste persoon enkelvoud, in de tegenwoordige tijd. Het patroon is je peux + een infinitief: Je peux venir. = ‘Ik kan komen.’ In de ontkennende variant staat ne ... pas rond de vervoegde werkwoordsvorm: Je ne peux pas le faire. = ‘Ik kan het niet doen.’ le verwijst hier, volgens de vaste vertaling, naar ‘het’. Het is een Frans persoonlijk voornaamwoord dat als lijdend voorwerp vóór het werkwoord staat. In deze zin neemt het de plaats in van iets dat de spreker kan doen; de precieze zaak wordt niet verder benoemd. Vergelijk als patroon: Je le vois. = ‘Ik zie het.’ Het voornaamwoord le kan in andere zinnen ook naar een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord verwijzen, maar hier is de ondersteunde betekenis ‘het’. faire betekent hier ‘doen’. Dit is de infinitief, de onverbogen vorm van het werkwoord; de vervoegde vorm staat al in peux. Na pouvoir blijft het volgende werkwoord in de infinitief: Je peux attendre. = ‘Ik kan wachten.’ Faire kan afhankelijk van de context ook ‘maken’ betekenen, maar in deze vaste zin past ‘doen’ bij de vertaling. Samen vormen Je peux + le faire de structuur ‘ik kan het doen’: de spreker (je) drukt mogelijkheid of vermogen uit met de vervoegde vorm peux, en le faire benoemt wat mogelijk is. De volledige betekenis van Je peux le faire. is dus: ‘Ik kan het doen.’

  4. Je ne peux pas le faire.

    Ik kan het niet doen.

    Je
    ik
    ne … pas
    niet
    peux
    kan
    le faire
    het doen
    Uitgebreide uitleg

    Je betekent hier ‘ik’: het is het persoonlijk voornaamwoord voor de eerste persoon enkelvoud. In een voorbeeld als Je comprends. betekent het ‘Ik begrijp het.’ De vorm voor ‘jij’ is tu, zoals in de volgende context. ne ... pas maakt in deze zin de ontkenning en omringt de vervoegde werkwoordsvorm. Het patroon is ne + vervoegd werkwoord + pas. In Je ne travaille pas. betekent dit ‘Ik werk niet.’ In informele gesproken taal wordt ne soms weggelaten, maar ne ... pas is de volledige standaardvorm. peux is de vorm van pouvoir (‘kunnen’) in de tegenwoordige tijd voor je. De vorm betekent hier ‘kan’ en drukt mogelijkheid of vermogen uit. De relevante keten is je peux = ‘ik kan’; bij tu staat tu peux = ‘jij kunt/kan’. Het is dus peux dat de persoonsvorm is, niet je. Voorbeeld: Je peux venir. — ‘Ik kan komen.’ le faire bestaat uit le (‘het’, als lijdend voornaamwoord in deze vaste betekenis) en faire (‘doen’). Faire is de infinitief; na pouvoir blijft het volgende werkwoord in de infinitief: Je peux le faire. — ‘Ik kan het doen.’ Le verwijst hier naar de handeling of zaak die met ‘het’ wordt aangeduid; de precieze referent wordt in deze zin niet benoemd. Samen vormen de delen Je + ne ... pas + peux + le faire: Je ne peux pas le faire. betekent ‘Ik kan het niet doen.’ De ontkenning hoort bij peux: de spreker zegt niet dat hij het doet, maar dat hij het niet kan doen.

  5. Tu peux m'aider ?

    Kun je me helpen?

    Tu peux
    je kunt
    m'aider
    mij helpen
    Uitgebreide uitleg

    Tu peux betekent hier “je kunt” en vormt met tu (jij) en peux, de vorm van pouvoir (kunnen), een informele vraag aan één aangesproken persoon. Peux is de tegenwoordige tijd, tweede persoon enkelvoud: je peux, tu peux, il/elle peut. Let op dat peux bij tu hoort; bij il of elle staat peut. Voorbeeld: Tu peux venir ? — “Kun je komen?” Het werkwoord na peux staat in de infinitief. m'aider bestaat uit m' en aider. M' is de verkorte vorm van me (“mij”) vóór een klinker; aider betekent “helpen”. De infinitief aider blijft hier onveranderd, omdat pouvoir de mogelijkheid uitdrukt en daarna een infinitief volgt. Voorbeeld: Tu peux m'écouter ? — “Kun je naar me luisteren?” Hier verwijst m' naar de persoon die de vraag stelt; de vorm is niet afhankelijk van het geslacht van die persoon. Samen vormen Tu peux m'aider ? de vraag “Kun je me helpen?” De vraag gebruikt pouvoir plus een infinitief om te vragen of de aangesproken persoon in staat of bereid is om de genoemde handeling te verrichten. De stijgende vraagintonatie en het vraagteken maken er een vraag van.

  6. Tu peux faire ça ?

    Kun je dit doen?

    Tu peux
    je kunt
    faire
    doen
    ça
    dit
    Uitgebreide uitleg

    Tu peux betekent hier “je kunt”. tu is het informele enkelvoudige subjectpronomen “je/jij”. peux is de vorm van pouvoir (“kunnen”) in de tegenwoordige tijd voor tu: je peux, tu peux, il/elle peut. Na pouvoir volgt doorgaans een infinitief: Tu peux venir. — “Je kunt komen.” De vraagvorm blijft hier gelijk aan de mededelende woordvolgorde; het vraagteken maakt er een vraag van. faire betekent hier “doen” en staat als infinitief na peux. De combinatie pouvoir + infinitief drukt, afhankelijk van de context, bijvoorbeeld mogelijkheid of toestemming uit. Hier past de betekenis “kunnen doen” bij de vaste vertaling. faire kan in andere zinnen ook “maken” betekenen, maar die betekenis past hier niet bij deze vertaling. Voorbeeld: Je peux faire ça. — “Ik kan dit doen.” ça betekent hier “dit” en verwijst naar iets dat in de situatie bedoeld is; de zin zelf noemt niet precies wat dat is. ça is een veelgebruikte aanwijzende vorm, vooral in alledaagse taal. Het verschilt van cela, dat formeler klinkt maar in veel contexten dezelfde aanwijzende functie heeft. Voorbeeld: Ça est difficile is niet de gebruikelijke vorm; zeg C'est difficile. — “Dat is moeilijk.” Samen vormen de delen Tu peux + faire + ça ? de vraag “Kun je dit doen?” Het subject is tu, peux drukt kunnen uit, faire benoemt de handeling en ça is het object van die handeling. De vraag gaat dus na of de aangesprokene het bedoelde “dit” kan doen.

Grammatica

pouvoir + infinitif

Je peux aider.

zje peu ee-dee

Ik kan helpen.

Na pouvoir staat het volgende werkwoord in de infinitief: peux aider.

celui-ci

Je peux faire celui-ci.

zje peu fehr suh-lwie-sie

Ik kan deze doen.

Celui-ci is een zelfstandig naamwoordvervangend aanwijzend voornaamwoord voor mannelijk enkelvoud.

Frans woordenschat

aider werkwoord
ee-dee helpen

Tu peux m'aider ?

avoir werkwoord
a-vwaar hebben ai

J'ai

celui-ci voornaamwoord
suh-lwie-sie deze (mannelijk, enkelvoud)

J'ai celui-ci.

faire werkwoord
fehr doen

Je peux le faire.

je voornaamwoord
zje ik

Je peux le faire.

le voornaamwoord
luh het

Je peux le faire.

pouvoir werkwoord
poe-vwaar kunnen peux

Je peux le faire.

tu voornaamwoord
tuu je

Tu peux m'aider ?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik heb deze.

Antwoord tonenJ'ai celui-ci.

Ik heb het niet.

Antwoord tonenJe ne l'ai pas.

Ik kan het doen.

Antwoord tonenJe peux le faire.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

doen

Antwoord tonenfaire

helpen

Antwoord tonenaider

kunnen

Antwoord tonenpeux

ik

Antwoord tonenje