Est-ce que
« Est-ce que » maakt van de zin een ja-neevraag. In deze vraagvorm leidt « Est-ce » de vraag in en verbindt « que » de vraagvorm met de rest van de zin. Je gebruikt « Est-ce que je peux ... ? » bijvoorbeeld om toestemming te vragen.
je
« je » betekent hier ‘ik’ en verwijst naar de persoon die toestemming vraagt. Het staat vóór de vervoegde vorm « peux », zoals in « Est-ce que je peux utiliser ça ? ». Gebruik « je » als onderwerp wanneer je over jezelf spreekt.
peux
« peux » drukt hier uit dat iemand iets kan of mag doen; in deze dialogen gaat het om toestemming. Het is de vorm van « pouvoir » die bij « je » hoort en wordt gevolgd door een infinitief, zoals in « je peux entrer ». Je gebruikt deze combinatie bijvoorbeeld in een beleefde vraag om iets te mogen doen.
utiliser
« utiliser » betekent hier ‘gebruiken’. Na « je peux » staat deze infinitief om de handeling te noemen, zoals in « je peux utiliser ça ». Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je vraagt of je een voorwerp mag gebruiken.
ça
« ça » verwijst hier naar iets dat wordt aangewezen of al ter sprake is; afhankelijk van de context betekent het ‘dit’ of ‘dat’. Het staat na een werkwoord als voorwerp, zoals in « utiliser ça », « voir ça » en « essayer ça ». Je gebruikt het wanneer je naar een concreet ding verwijst zonder het opnieuw te benoemen.
m’asseoir
« m’asseoir » betekent hier ‘gaan zitten’. De infinitief is « s’asseoir »; « m’ » verwijst naar de spreker en staat vóór « asseoir » met een apostrof. Na « je peux » gebruik je « m’asseoir » om te vragen of je ergens mag gaan zitten, zoals in « je peux m’asseoir ici ».
ici
« ici » betekent ‘hier’ en geeft in deze zin de plaats aan waar de spreker wil gaan zitten. Het staat na « m’asseoir » in « m’asseoir ici ». Je gebruikt « ici » om de plek van een handeling aan te wijzen.
entrer
« entrer » betekent hier ‘binnenkomen’ of ‘naar binnen gaan’. Na « je peux » noemt deze infinitief de handeling waar de spreker toestemming voor vraagt, zoals in « je peux entrer ». Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je bij een deur vraagt of je naar binnen mag.
voir
« voir » betekent hier ‘zien’ of iets mogen bekijken. Na « je peux » staat de infinitief, en « ça » noemt wat de spreker wil zien: « je peux voir ça ». Je gebruikt deze combinatie bijvoorbeeld wanneer je toestemming vraagt om iets te bekijken.
essayer
« essayer » betekent hier ‘proberen’. Na « je peux » noemt de infinitief de handeling, terwijl « ça » aangeeft wat de spreker wil proberen: « je peux essayer ça ». Je gebruikt het bijvoorbeeld wanneer je vraagt of je een voorwerp mag uitproberen.
avoir
« avoir » betekent hier ‘hebben’. In « je peux avoir ça » vraagt de spreker of hij of zij iets mag hebben; die volledige betekenis komt uit de hele uitdrukking. Na « je peux » staat « avoir » als infinitief, bijvoorbeeld wanneer je om een voorwerp vraagt.