Basisroutines en familie | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic routines and family..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met Basisroutines en familie oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Je vais me coucher.

zje vè muh koe-sjee. Ik ga naar bed.
B

Je me réveille tôt.

zje muh ree-vè-jee too. Ik word vroeg wakker.
A

Je vais au travail.

zje vè oo traa-vaj. Ik ga naar mijn werk.
B

Je vais à l'école.

zje vè aa lee-kol. Ik ga naar school.
A

Je suis avec ma famille.

zje swie aa-vèk ma fa-miej. Ik ben bij mijn familie.
B

C'est mon ami.

sè mõ-na-mie. Dit is mijn vriend.

Woord voor woord

Je „Je” betekent hier „ik” en is het persoonlijk voornaamwoord voor de spreker. Het staat vóór de werkwoordsvorm, zoals in „Je vais” en „Je suis”. Je gebruikt het om over jezelf te vertellen.
vais „Vais” betekent hier „ga” en is de vorm van het werkwoord aller bij „je”. In „Je vais me coucher” vormt het samen met de infinitief „me coucher” de betekenis „ik ga naar bed”. Een herbruikbaar patroon uit de dialoog is „Je vais …” voor vertellen waar je naartoe gaat of wat je gaat doen.
me „Me” verwijst hier terug naar de spreker in „me coucher” en „me réveille”. Het is een wederkerend voornaamwoord: de handeling heeft betrekking op jezelf. Je gebruikt het vóór het werkwoord in wederkerende uitdrukkingen zoals „me réveille”.
coucher „Coucher” betekent hier „naar bed gaan” of „gaan slapen” in de uitdrukking „me coucher”. Het staat als infinitief na „vais” in „Je vais me coucher”. Deze uitdrukking past bij een dagelijkse routine wanneer je zegt dat je naar bed gaat.
réveille „Réveille” betekent hier „word wakker” in „Je me réveille tôt”. Het is de werkwoordsvorm die samen met „me” de wederkerende uitdrukking „me réveille” vormt. Je gebruikt deze uitdrukking om over je ochtendroutine te vertellen.
tôt „Tôt” betekent hier „vroeg” en geeft aan wanneer iemand wakker wordt. In „Je me réveille tôt” staat het na de werkwoordelijke uitdrukking. Je kunt het gebruiken om een vroeg tijdstip in een dagelijkse routine te beschrijven.
au „Au” betekent hier „naar het” in „au travail”. Het is de vaste samentrekking van „à” en „le”. Je gebruikt „au” vóór een mannelijk zelfstandig naamwoord met het lidwoord „le”, zoals in „au travail”.
travail „Travail” betekent hier „werk” in de uitdrukking „au travail”. Samen met „au” verwijst het naar de bestemming of plaats waar iemand werkt. „Au travail” is een veelgebruikte uitdrukking om te zeggen dat je naar je werk gaat of op je werk bent.
à „À” geeft hier een bestemming aan in „à l'école” en betekent „naar”. Voor een klinker wordt het gecombineerd met „l'”, waardoor „à l'école” ontstaat. Je gebruikt deze voorzetselconstructie om aan te geven waar iemand naartoe gaat.
l'école „L'école” betekent hier „de school” en is de bestemming in „Je vais à l'école”. De vorm bevat het lidwoord „l'” vóór „école”, omdat het woord met een klinker begint. „À l'école” gebruik je wanneer je zegt dat je naar school gaat.
suis „Suis” betekent hier „ben” en is de vorm van être bij „je”. In „Je suis avec ma famille” beschrijft het waar of met wie de spreker is. Een herbruikbaar patroon uit de dialoog is „Je suis avec …” om te zeggen met wie je samen bent.
avec „Avec” betekent hier „met” en verbindt de spreker met „ma famille”. Het staat vóór de persoon of groep met wie iemand samen is. Je gebruikt „avec” om gezelschap of samen-zijn aan te geven.
ma „Ma” betekent hier „mijn” vóór „famille”. Het geeft aan dat de familie bij de spreker hoort en staat vóór het zelfstandig naamwoord. In „ma famille” gebruik je dit bezittelijke woord bij „famille”.
famille „Famille” betekent hier „familie” in „ma famille”. Samen met „ma” betekent de uitdrukking „mijn familie”. Je kunt „famille” gebruiken wanneer je over je gezin of familie praat.
C'est „C'est” betekent hier „dit is” in „C'est mon ami”. Het wordt gebruikt om iemand of iets aan te wijzen of voor te stellen. Je gebruikt deze uitdrukking bijvoorbeeld om een persoon aan iemand anders te introduceren.
mon „Mon” betekent hier „mijn” vóór „ami”. Het geeft aan dat de vriend bij de spreker hoort en staat vóór het zelfstandig naamwoord. In „mon ami” vormt het samen met „ami” de betekenis „mijn vriend”.
ami „Ami” betekent hier „vriend” in „mon ami”. Samen met „mon” verwijst het naar een vriend van de spreker. Je gebruikt „mon ami” om iemand als je vriend voor te stellen.

Grammatica

aller + infinitif

Je vais me coucher tôt.

zje vè muh koe-sjee too.

Ik ga vroeg naar bed.

Gebruik vais + infinitief om de nabije toekomst uit te drukken: ‘ik ga …’.

mon / ma + zelfstandig naamwoord

ma famille et mon ami

ma fa-miej ee mõ-na-mie.

mijn familie en mijn vriend

Het bezittelijk bijvoeglijk naamwoord past zich aan het geslacht van het Franse zelfstandig naamwoord aan.

Frans woordenschat

aller werkwoord
aa-lee gaan vais

Je vais me coucher.

ami zelfstandig naamwoord
aa-mie vriend

C'est mon ami.

avec voorzetsel
aa-vèk met

Je suis avec ma famille.

école zelfstandig naamwoord
ee-kol school

Je vais à l'école.

être werkwoord
ètr zijn suis

Je suis avec ma famille.

famille zelfstandig naamwoord
fa-miej familie

Je suis avec ma famille.

ma bepaler
ma mijn

Je suis avec ma famille.

mon bepaler
mijn

C'est mon ami.

se coucher werkwoord
suh koe-sjee naar bed gaan me coucher

Je vais me coucher.

se réveiller werkwoord
suh ree-vè-jee wakker worden me réveille

Je me réveille tôt.

tôt bijwoord
too vroeg

Je me réveille tôt.

travail zelfstandig naamwoord
traa-vaj werk

Je vais au travail.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Ik ga naar bed.

Antwoord tonenJe vais me coucher.

Ik word vroeg wakker.

Antwoord tonenJe me réveille tôt.

Ik ga naar mijn werk.

Antwoord tonenJe vais au travail.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

school

Antwoord tonenécole

gaan

Antwoord tonenvais

familie

Antwoord tonenfamille

zijn

Antwoord tonensuis