Prijs, weer en ontdekkingen | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: A beginner practices six useful English phrases about basic price, weather, and discoveries..

NL → FR / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Prijs, weer en ontdekkingen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Combien ça coûte ?

kom-bjèn sa koet? Hoeveel kost dit?
B

Où habites-tu ?

oe a-bit-tuu? Waar woon je?
A

Il fait beau.

iel fè bo. Het weer is mooi.
B

Il pleut maintenant.

iel pluh mèn-tuh-nan. Het regent nu.
A

J'ai oublié mon téléphone.

zjee oe-bli-jee mon tee-lee-fon. Ik ben mijn telefoon vergeten.
B

Je l'ai trouvé.

zje lee troe-vee. Ik heb hem gevonden.

Uitleg van de zinnen

  1. Combien ça coûte ?

    Hoeveel kost dit?

    Combien
    hoeveel
    ça
    dit
    coûte
    kost
    Uitgebreide uitleg

    Combien betekent hier “hoeveel” en vraagt naar een hoeveelheid of bedrag. Het staat aan het begin van de vraag. Een bruikbaar patroon is Combien + werkwoord ... ?, bijvoorbeeld: Combien ça coûte ? — “Hoeveel kost dit?” ça is een Frans aanwijzend voornaamwoord. In deze zin verwijst het naar wat men als onderwerp bedoelt en betekent het, volgens de vaste vertaling, “dit”. Het verandert in deze vorm niet naar mannelijk of vrouwelijk. Vergelijk in een andere zin: Ça commence. — “Dit begint.” coûte komt van het werkwoord coûter, “kosten”. De vorm coûte is de tegenwoordige tijd voor een derde persoon enkelvoud, zoals bij ça: ça coûte. De stam blijft hier herkenbaar; alleen de werkwoordsvorm past bij het onderwerp. Bijvoorbeeld: Le livre coûte dix euros. — “Het boek kost tien euro.” Samen vormen de delen de vraag Combien ça coûte ?: “Hoeveel kost dit?” Combien vraagt naar het bedrag, ça is datgene waarvan de prijs wordt gevraagd, en coûte geeft de handeling “kosten” in de tegenwoordige tijd. De woordvolgorde is dus anders dan in een Nederlandse vraag met “kost”: het Franse vraagwoord staat vooraan, terwijl ça en coûte daarna samen de gewone onderwerp-werkwoordvolgorde behouden.

  2. Où habites-tu ?

    Waar woon je?

    Où
    waar
    habites-tu
    woon je
    Uitgebreide uitleg

    Où betekent hier waar en vraagt naar een plaats. Het is een vraagbijwoord; het verandert niet volgens persoon of getal. Voorbeeld: Où travaille-t-elle ? — Waar werkt zij? habites-tu komt van habiter, wonen. habites is de tegenwoordige tijd bij tu: tu habites. In deze vraag staat de persoonsvorm vóór het onderwerp: habites-tu. Het streepje hoort bij deze omgekeerde vraagvorm. Vergelijk: Tu habites à Paris. — Je woont in Parijs. De vorm habites draagt de vervoeging; tu is het onderwerp. Samen vormt Où met habites-tu de vraag Où habites-tu ?: Waar woon je? De vraag gebruikt dus een plaatsvraagwoord, gevolgd door de vervoegde vorm van habiter en daarna het onderwerp in inversie. Deze formulering is een neutrale, gebruikelijke manier om iemand naar diens woonplaats te vragen.

  3. Il fait beau.

    Het weer is mooi.

    Il fait beau
    Het is mooi weer.
    beau
    mooi
    Uitgebreide uitleg

    Il fait beau is een vaste Franse weeruitdrukking. Il is hier een onpersoonlijk onderwerp: het verwijst niet naar een specifieke persoon of zaak. fait is de derde persoon enkelvoud van faire (doen/maken), maar in deze uitdrukking vertaal je het niet letterlijk als “doet” of “maakt”. Vergelijk: Il fait froid. — “Het is koud.” beau betekent hier “mooi” of, natuurlijker bij het weer, “goed”. Het is de mannelijke enkelvoudsvorm van het bijvoeglijk naamwoord; in Il fait beau staat het als naamwoordelijk deel bij het onpersoonlijke il. Voor een zelfstandig naamwoord kunnen andere vormen nodig zijn, bijvoorbeeld un beau jour — “een mooie dag” en une belle journée — “een mooie dag”. Samen betekent Il fait beau letterlijk ongeveer “het maakt mooi weer”, maar de gebruikelijke Nederlandse betekenis is “Het is mooi weer.” De uitdrukking beschrijft dus gunstige weersomstandigheden, zonder een specifieke persoon als handelende deelnemer te noemen.

  4. Il pleut maintenant.

    Het regent nu.

    Il pleut
    Het regent
    maintenant
    nu
    Uitgebreide uitleg

    Il pleut betekent hier «het regent». pleut is de tegenwoordige tijd van pleuvoir (regenen), in de vorm voor de derde persoon enkelvoud. In deze weeruitdrukking is il een onpersoonlijk onderwerp: het verwijst niet naar een bepaalde persoon of zaak. Hetzelfde patroon zie je in Il neige — «het sneeuwt». maintenant betekent «nu» en geeft aan dat de regen op dit moment plaatsvindt. Het is een bijwoord en verandert niet van vorm. Samen vormen de delen Il pleut maintenant. de mededeling «Het regent nu.»

  5. J'ai oublié mon téléphone.

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

    J'ai
    ik heb
    oublié
    vergeten
    mon
    mijn
    téléphone
    telefoon
    Uitgebreide uitleg

    J'ai bestaat uit je (“ik”) en ai, de vorm van avoir (“hebben”) voor de eerste persoon enkelvoud. Samen vormt dit hier het hulpwerkwoord van de passé composé. In geschreven Frans staat de apostrof omdat je voor een klinker wordt verkort tot j'. Bijvoorbeeld: J'ai compris. — “Ik heb het begrepen.” oublié is het voltooid deelwoord van oublier (“vergeten”). Met j'ai vormt het j'ai oublié: “ik ben vergeten”. Het voltooid deelwoord blijft hier oublié; de persoon wordt door j'ai aangegeven. Bijvoorbeeld: J'ai oublié ton nom. — “Ik ben jouw naam vergeten.” mon betekent hier “mijn” en hoort bij het daaropvolgende zelfstandige naamwoord. Deze vorm is de bezittelijke bepaler voor één bezitter bij een mannelijk enkelvoudig woord, zoals téléphone. Bij een vrouwelijk enkelvoudig woord is doorgaans ma gebruikelijk, en bij meervoud mes; de vorm hangt dus niet alleen van de bezitter af. téléphone betekent “telefoon”. Het is hier een mannelijk zelfstandig naamwoord in het enkelvoud; dat verklaart de vorm mon. Bijvoorbeeld: Mon téléphone est ici. — “Mijn telefoon is hier.” Samen vormen J'ai oublié mon téléphone de mededeling “Ik ben mijn telefoon vergeten.” De constructie avoir in de tegenwoordige tijd + voltooid deelwoord is hier de passé composé: ze presenteert het vergeten als een voltooide gebeurtenis. De bezittelijke bepaling mon specificeert dat de telefoon van de spreker is.

  6. Je l'ai trouvé.

    Ik heb hem gevonden.

    Je
    ik
    l'ai
    hem heb
    trouvé
    gevonden
    Uitgebreide uitleg

    Je betekent hier “ik” en is het onderwerp. Het is de eerste persoon enkelvoud; vergelijk tu voor “jij” en il/elle voor “hij”/“zij”. In de vorige zin staat ook J': dat is dezelfde vorm, met weglating voor een klinker. l'ai bevat twee grammaticale elementen. l' is hier het Franse lijdend-voorwerpspronomen le, met de door de vertaling ondersteunde betekenis “hem”. le wordt vóór een klinker verkort tot l'. ai is de eerste persoon enkelvoud van avoir (“hebben”). Samen met het volgende voltooid deelwoord vormt het de passé composé: j'ai trouvé = “ik heb gevonden”. Het pronomen l' staat vóór het hulpwerkwoord, niet na het werkwoord. Voorbeeld: Je l'ai vu. — “Ik heb hem gezien.” trouvé is het voltooid deelwoord van trouver (“vinden”). De basisvorm is trouver; in deze zin geeft trouvé met ai een voltooide handeling weer. Een bruikbare vormreeks is: trouver — je trouve — j'ai trouvé. Voorbeeld: Nous avons trouvé la clé. — “Wij hebben de sleutel gevonden.” De zin wordt dus opgebouwd als Je + l'ai + trouvé: “Ik heb hem gevonden.” De spreker is het onderwerp, l' is het lijdend voorwerp dat in de vaste vertaling als “hem” wordt weergegeven, en ai trouvé drukt uit dat het vinden voltooid is.

Grammatica

Combien ça coûte ?

Combien ça coûte ?

kom-bjèn sa koet?

Hoeveel kost het?

In het Frans staat ça vóór het werkwoord in deze vraag: letterlijk ‘Hoeveel kost dit?’

Il pleut

Il pleut maintenant.

iel pluh mèn-tuh-nan.

Het regent nu.

Il is hier een onpersoonlijk onderwerp: het verwijst niet naar een persoon of concreet ding.

Frans woordenschat

beau bijvoeglijk naamwoord
bo mooi
ça voornaamwoord
sa dit
combien bijwoord
kom-bjèn hoeveel
coûter werkwoord
koe-tee kosten coûte
faire werkwoord
fèr doen fait
habiter werkwoord
a-bi-tee wonen habites
il voornaamwoord
iel het

Il fait beau.

maintenant bijwoord
mèn-tuh-nan nu
mon bepaler
mon mijn
où bijwoord
oe waar
oublier werkwoord
oe-bli-jee vergeten oublié
pleuvoir werkwoord
pluh-vwaar regenen pleut

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoeveel kost dit?

Antwoord tonenCombien ça coûte ?

Waar woon je?

Antwoord tonenOù habites-tu ?

Het weer is mooi.

Antwoord tonenIl fait beau.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

wonen

Antwoord tonenhabites

mooi

Antwoord tonenbeau

regenen

Antwoord tonenpleut

hoeveel

Antwoord tonencombien