Tu
‘Tu’ betekent hier ‘jij’ en is het onderwerp van de vraag. Het wordt gebruikt om één persoon rechtstreeks aan te spreken, bijvoorbeeld in ‘Tu t'assois toujours ici ?’.
t'assois
‘T'assois’ betekent hier ‘gaat zitten’ of ‘zit’ en verwijst naar de aangesproken persoon. Het hoort bij het werkwoord ‘s'asseoir’; in ‘Tu t'assois toujours ici ?’ staat het bij ‘tu’.
toujours
‘Toujours’ betekent hier ‘altijd’ en geeft aan dat iets telkens gebeurt. Het staat vóór ‘ici’ in ‘Tu t'assois toujours ici ?’; je kunt het ook bij andere gewoontes gebruiken.
ici
‘Ici’ betekent ‘hier’ en verwijst naar de plaats waar de gesprekspartners zich bevinden. In ‘Tu t'assois toujours ici ?’ gaat het om deze plek in het lokaal.
J'aime
‘J'aime’ betekent hier ‘ik vind het leuk’ of ‘ik hou ervan’. Het is de vorm van ‘aimer’ bij ‘je’ en kan gevolgd worden door een infinitief, zoals in ‘J'aime m'asseoir devant’.
m'asseoir
‘M'asseoir’ betekent hier ‘gaan zitten’ of ‘zitten’ als activiteit die de spreker prettig vindt. Het is de infinitief ‘s'asseoir’ met ‘me’ ervoor; na ‘J'aime’ volgt deze vorm rechtstreeks.
devant
‘Devant’ betekent hier ‘vooraan’ of ‘aan de voorkant’. In ‘J'aime m'asseoir devant’ verwijst het zonder genoemd zelfstandig naamwoord naar een plaats vooraan, bijvoorbeeld in een lokaal.
J'entends
‘J'entends’ betekent hier ‘ik hoor’. Het is de vorm van ‘entendre’ bij ‘je’ en wordt in ‘J'entends bien le professeur’ gebruikt voor wat de spreker kan horen.
bien
‘Bien’ betekent hier ‘goed’ en geeft aan dat het horen duidelijk lukt. In ‘J'entends bien le professeur’ versterkt het de manier waarop ‘entends’ gebeurt; het betekent hier niet zelfstandig ‘leraar horen’.
le
‘Le’ is hier het bepaalde lidwoord vóór ‘professeur’, vergelijkbaar met ‘de’. Het verwijst in ‘le professeur’ naar de leraar als een bepaalde persoon.
professeur
‘Professeur’ betekent hier ‘leraar’ en is de persoon die de spreker goed hoort. In ‘le professeur’ staat het na het bepaalde lidwoord ‘le’; het woord kan in een klascontext naar de docent verwijzen.
il
‘Il’ betekent in ‘il est facile de poser des questions’ niet een concrete man, maar vormt een onpersoonlijke constructie die je in het Nederlands met ‘het’ weergeeft. Deze vorm wordt gebruikt om te zeggen dat iets gemakkelijk is.
est
‘Est’ betekent hier ‘is’ en verbindt ‘il’ met ‘facile’. Het is een vorm van ‘être’; in ‘il est facile de poser des questions’ beschrijft het hoe gemakkelijk de handeling is.
facile
‘Facile’ betekent ‘gemakkelijk’ en beschrijft in deze zin hoe eenvoudig het is om vragen te stellen. De vorm staat in de constructie ‘il est facile de poser des questions’.
de
‘De’ markeert hier de infinitiefconstructie na ‘il est facile’: ‘gemakkelijk om vragen te stellen’. In ‘il est facile de poser des questions’ verbindt het ‘facile’ met de handeling die gemakkelijk is.
poser
‘Poser’ betekent hier ‘stellen’, zoals in ‘vragen stellen’. In de constructie ‘poser des questions’ staat het als infinitief na ‘de’; dit is een gebruikelijk patroon met ‘questions’ als object.
des
‘Des’ is hier een meervoudig onbepaald lidwoord, vergelijkbaar met ‘enkele’ of meestal zonder apart Nederlands lidwoord. In ‘des questions’ leidt het het meervoudige object van ‘poser’ in.
questions
‘Questions’ betekent hier ‘vragen’. De enkelvoudige vorm is ‘question’; in ‘poser des questions’ gaat het om meerdere vragen die je stelt.
La
‘La’ is hier het bepaalde lidwoord vóór ‘prochaine fois’, vergelijkbaar met ‘de’. Samen met ‘prochaine fois’ vormt het de tijdsaanduiding ‘de volgende keer’.
prochaine
‘Prochaine’ betekent hier ‘volgende’ en beschrijft de keer die na deze keer komt. De vorm hoort bij het vrouwelijke woord ‘fois’ in ‘La prochaine fois’.
fois
‘Fois’ betekent hier ‘keer’. In de vaste tijdsaanduiding ‘La prochaine fois’ betekent het geheel ‘de volgende keer’, bijvoorbeeld wanneer je een afspraak of voorstel naar een later moment verplaatst.
on
‘On’ betekent hier ‘we’ in de spreektaal en is het onderwerp van ‘on s'assoit ensemble’. Het wordt gebruikt om samen met iemand een gezamenlijke handeling voor te stellen of te beschrijven.
s'assoit
‘S'assoit’ betekent hier ‘gaat zitten’ of ‘gaat samen zitten’. Het hoort bij ‘s'asseoir’ en staat in ‘on s'assoit ensemble’ bij het onderwerp ‘on’.
ensemble
‘Ensemble’ betekent ‘samen’ en geeft aan dat de personen bij elkaar zitten. In ‘on s'assoit ensemble’ staat het bij de handeling ‘s'assoit’ om de gezamenlijke uitvoering aan te geven.
J'aimerais
‘J'aimerais’ betekent hier ‘ik zou graag willen’ en drukt een beleefde positieve wens uit. Het is een vorm van ‘aimer’ en staat in ‘J'aimerais bien’ als antwoord op het voorstel om samen te zitten.
S'asseoir
‘S'asseoir’ betekent hier ‘zitten’ of ‘gaan zitten’ als activiteit. Als infinitief is het in ‘S'asseoir devant m'aide à me concentrer’ het onderwerp van de zin: vooraan zitten helpt de spreker.
m'aide
‘M'aide’ betekent hier ‘helpt me’. Het bevat ‘me’ in de verkorte vorm ‘m'’ vóór ‘aide’, de vorm van ‘aider’; in ‘m'aide à me concentrer’ krijgt het de betekenis ‘helpt mij om mij te concentreren’.
à
‘À’ hoort hier bij de constructie ‘aider quelqu'un à + infinitief’ en verbindt ‘m'aide’ met de handeling ‘me concentrer’. In ‘m'aide à me concentrer’ betekent de volledige verbinding ‘helpt me om me te concentreren’.
me
‘Me’ verwijst hier terug naar de spreker en maakt samen met ‘concentrer’ de uitdrukking ‘me concentrer’. In ‘m'aide à me concentrer’ is de spreker degene die zich concentreert.
concentrer
‘Concentrer’ betekent hier ‘concentreren’, in de reflexieve uitdrukking ‘me concentrer’: mij concentreren of mijn aandacht richten. In ‘m'aide à me concentrer’ beschrijft het het doel van de hulp.