Ontbijt voor morgen kopen | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: In a grocery shop, two adults decide which breakfast items to buy for tomorrow..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met Ontbijt voor morgen kopen oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Qu'est-ce qu'on doit acheter aujourd'hui ?

kes-kon dwa a-sjee o-zjoer-dwie Wat moeten we vandaag kopen?
B

Nous avons besoin de choses pour le petit-déjeuner de demain.

noe-za-von buh-zwèn duh sjoz poer luh puh-tie dee-zjuh-né duh duh-mèn We hebben dingen nodig voor het ontbijt van morgen.
A

Alors, nous avons besoin de pain et de beurre.

a-lor, noe-za-von buh-zwèn duh pèn é duh beur Dan hebben we brood en boter nodig.
B

Est-ce qu'on a aussi besoin de yaourt ?

ès-kon a oo-sie buh-zwèn duh ja-oer Hebben we ook yoghurt nodig?
A

Je veux le manger avec de la confiture de fraises.

zjuh vuh luh man-zjee a-vek duh la kon-fi-tuur duh frez Ik wil het met aardbeienjam eten.
B

Alors, on prend du yaourt et de la confiture.

a-lor, on pran duh ja-oer é duh la kon-fi-tuur Dan halen we yoghurt en jam.

Woord voor woord

Qu'est-ce « Qu'est-ce » opent hier de vraag naar wat men moet kopen. Het staat in de vaste vraagconstructie « Qu'est-ce qu'on doit acheter aujourd'hui ? », waarmee je naar een ding of keuze vraagt.
qu'on « qu'on » betekent hier « dat we » of « wat we », afhankelijk van de hele vraag, en is de samentrekking van « que » en « on ». In « Qu'est-ce qu'on doit acheter aujourd'hui ? » verbindt het de vraagvorm met « on doit acheter ».
doit « doit » geeft hier aan dat iets nodig of verplicht is: « moet ». Het is een vorm van « devoir » en staat voor het infinitief « acheter », zoals in « on doit acheter ».
acheter « acheter » betekent hier « kopen ». Het is de infinitief na « doit » in « doit acheter »; je gebruikt dezelfde combinatie om te zeggen wat iemand moet kopen.
aujourd'hui « aujourd'hui » betekent « vandaag » en bepaalt wanneer het kopen gebeurt. In « acheter aujourd'hui » staat het bij de handeling « acheter ».
Nous « Nous » betekent hier « wij » en verwijst naar de twee mensen die samen boodschappen nodig hebben. Het is het onderwerp in « Nous avons besoin de choses ».
avons « avons » betekent hier « hebben ». In « Nous avons besoin de choses » vormt het samen met « besoin de » de uitdrukking « iets nodig hebben »; « avons » is een vorm van « avoir ».
besoin « besoin » draagt hier de betekenis « behoefte » in de uitdrukking « avoir besoin de », dus « nodig hebben ». Het volgende deel na « de » benoemt wat nodig is, zoals « besoin de choses ».
de « de » verbindt « besoin » met datgene wat nodig is in « besoin de choses ». In deze constructie helpt het dus om « iets nodig hebben » te vormen.
choses « choses » betekent hier « dingen » of « spullen ». In « besoin de choses » benoemt het wat men voor het ontbijt nodig heeft.
pour « pour » betekent hier « voor » en geeft het doel of de gelegenheid aan. In « des choses pour le petit-déjeuner » gaat het om dingen die voor het ontbijt bedoeld zijn.
le « le » is hier het lidwoord bij « petit-déjeuner » in « le petit-déjeuner de demain ». Het maakt van « petit-déjeuner » een bepaald ontbijt waarover de gesprekspartners spreken.
petit-déjeuner « petit-déjeuner » betekent « ontbijt ». In « le petit-déjeuner de demain » verwijst het naar de maaltijd die morgen wordt gegeten.
demain « demain » betekent « morgen ». In « le petit-déjeuner de demain » bepaalt het wanneer het bedoelde ontbijt plaatsvindt.
Alors « Alors » betekent hier « dan » en leidt een gevolgtrekking of besluit in. In « Alors, nous avons besoin de pain et de beurre » volgt het besluit uit wat eerder is gezegd.
pain « pain » betekent hier « brood ». In « besoin de pain et de beurre » staat het als een van de producten die nodig zijn.
et « et » betekent « en » en verbindt hier twee boodschappen: « pain et beurre ». Je gebruikt het om gelijkwaardige woorden of woordgroepen samen te voegen.
beurre « beurre » betekent hier « boter ». In « besoin de pain et de beurre » is het, naast « pain », een product dat men voor het ontbijt nodig heeft.
Est-ce « Est-ce » opent hier een ja-neevraag. In « Est-ce qu'on a aussi besoin de yaourt ? » maakt het van « on a aussi besoin de yaourt » een vraag.
aussi « aussi » betekent hier « ook ». In « a aussi besoin de yaourt » voegt het yoghurt toe aan de andere dingen die al nodig zijn.
yaourt « yaourt » betekent « yoghurt ». In « besoin de yaourt » is het het product waarnaar in de vraag wordt gevraagd; later staat het ook in « du yaourt ».
Je « Je » betekent hier « ik » en geeft aan wie iets wil eten. Het is het onderwerp in « Je veux le manger ».
veux « veux » betekent hier « wil ». In « Je veux le manger » drukt het de wens van de spreker uit en wordt het gevolgd door de infinitief « manger »; « veux » is een vorm van « vouloir ».
manger « manger » betekent hier « eten ». Het is de infinitief na « Je veux » in « Je veux le manger », waarmee de spreker zegt wat die wil doen.
avec « avec » betekent « met » en geeft hier aan waarmee iets wordt gegeten. In « manger avec de la confiture de fraises » verbindt het de handeling met de jam.
la « la » is hier het lidwoord bij « confiture » in « de la confiture de fraises ». Samen met « de » vormt het « de la » vóór een vrouwelijke enkelvoudige hoeveelheid of stof.
confiture « confiture » betekent hier « jam ». In « de la confiture de fraises » is het de jam die bij het eten wordt gebruikt.
fraises « fraises » betekent hier « aardbeien ». In « confiture de fraises » geeft het aan waarvan de jam is gemaakt; de volledige uitdrukking betekent « aardbeienjam ».
on « on » betekent hier « we » en verwijst naar de twee mensen die samen beslissen. In « on prend du yaourt et de la confiture » is het het onderwerp van het besluit om die producten te nemen.
prend « prend » betekent hier « neemt » of, in deze winkelsituatie, « haalt ». In « on prend du yaourt et de la confiture » is het de beslissing om deze producten te kiezen; « prend » is een vorm van « prendre ».
du « du » staat hier voor een niet nader bepaalde hoeveelheid yoghurt in « du yaourt ». Het is de vorm die vóór « yaourt » wordt gebruikt in deze uitdrukking.
jam De vorm « jam » komt niet voor in de Franse dialoog. De bedoelde Franse vorm is « confiture », zoals in « de la confiture »; die betekent hier « jam ».

Grammatica

avoir besoin de + nom

Nous avons besoin de pain.

noe-za-von duh pèn

We hebben brood nodig.

Na avoir besoin staat altijd de vóór een zelfstandig naamwoord.

vouloir + infinitif

On veut manger.

on vuh man-zjee

We willen eten.

Na vouloir volgt een werkwoord in de infinitief, zoals manger.

Frans woordenschat

acheter werkwoord
a-sjee-tee kopen
alors bijwoord
a-lor dan
aujourd'hui bijwoord
o-zjoer-dwie vandaag
aussi bijwoord
oo-sie ook
avoir besoin de uitdrukking
a-vwar buh-zwèn duh nodig hebben avons besoin de
beurre zelfstandig naamwoord
beur boter
chose zelfstandig naamwoord
sjoz ding choses
demain bijwoord
duh-mèn morgen
pain zelfstandig naamwoord
pèn brood
petit-déjeuner zelfstandig naamwoord
puh-tie dee-zjuh-nee ontbijt
vouloir werkwoord
voe-lwaar willen veux
yaourt zelfstandig naamwoord
ja-oer yoghurt

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat moeten we vandaag kopen?

Antwoord tonenQu'est-ce qu'on doit acheter aujourd'hui ?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

morgen

Antwoord tonendemain

brood

Antwoord tonenpain

kopen

Antwoord tonenacheter

dan

Antwoord tonenalors