De voortgang van een taak bespreken | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: In a workplace, two adults review task progress, remaining checks, and when to update the team..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met De voortgang van een taak bespreken oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Comment avance la tâche ?

komã avãs la tasj Hoe gaat het met de taak?
B

La plus grande partie est faite.

la pluu(s) ghrãd pagh-tie è fèt Het meeste is klaar.
A

Qu’est-ce qu’il faut vérifier ?

kès kil foo veeghiefjee Wat moet er worden gecontroleerd?
B

Je dois vérifier les chiffres.

zje dwa veeghiefjee lee sjiefgh Ik moet de cijfers controleren.
A

Sommes-nous dans les temps ?

som-noe dã lee tã Liggen we op schema?
B

Nous pouvons finir cet après-midi.

noe poe-võ fie-niegh sèt apghè-miedie We kunnen dit vanmiddag afmaken.
A

Devons-nous informer l’équipe ?

duh-võ noe ẽ-fo-gh-mee lee-kiep Moeten we het team informeren?
B

Informons-les après avoir fini cette partie.

ẽ-fo-gh-mõ lee apghè a-vwaar fie-nie sèt pagh-tie Laten we hen informeren nadat we dit deel hebben afgemaakt.

Woord voor woord

Comment Comment betekent hier ‘hoe’ en vraagt naar de voortgang van de taak in « Comment avance la tâche ? ». Je gebruikt het aan het begin van een vraag naar de manier waarop iets verloopt, bijvoorbeeld in een gesprek over werk.
avance Avance betekent hier ‘vooruitgaat’ of ‘verloopt’ en beschrijft de voortgang van de taak. Het staat bij het onderwerp la tâche in « Comment avance la tâche ? ». Je gebruikt deze vorm om naar de voortgang van een project, taak of proces te vragen.
la La is hier het bepaalde lidwoord bij het enkelvoudige vrouwelijke zelfstandig naamwoord tâche: « la tâche ». Samen verwijst « la tâche » naar de concrete taak waarover de gesprekspartners spreken. Je gebruikt la vóór een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord.
tâche Tâche betekent hier ‘taak’ in « la tâche ». Het woord verwijst naar het werk dat de gesprekspartners uitvoeren en waarvan ze de voortgang bespreken. Een bruikbare combinatie uit deze dialoog is « la tâche ».
plus Plus draagt in « La plus grande partie est faite » bij aan de betekenis ‘de grootste’ of ‘het meeste’ en versterkt het bijvoeglijk naamwoord grande. Het hoort hier bij de constructie « la plus grande partie », niet bij een los ‘meer’. Je gebruikt plus in zulke vergelijkende of overtreffende beschrijvingen wanneer iets de hoogste graad heeft.
grande Grande betekent hier ‘grootste’ in de woordgroep « la plus grande partie ». De vorm past bij het zelfstandig naamwoord partie en beschrijft welk deel bedoeld wordt. Je kunt grande in een vergelijkbare woordgroep gebruiken om de omvang van iets te beschrijven.
partie Partie betekent hier ‘deel’ in « La plus grande partie ». Het verwijst naar het grootste gedeelte van de taak dat al voltooid is. Je gebruikt het bijvoorbeeld in de combinatie « la plus grande partie » wanneer je over een gedeelte van iets spreekt.
est Est betekent hier ‘is’ en verbindt « La plus grande partie » met de toestand « faite ». Deze vorm van être staat bij een enkelvoudig onderwerp. Je gebruikt est om te zeggen hoe iets is of in welke toestand iets verkeert.
faite Faite betekent hier ‘gedaan’ of ‘voltooid’ in « La plus grande partie est faite ». Samen met est zegt het dat het grootste deel van de taak af is; faite past daarbij bij partie. Je gebruikt « est faite » om aan te geven dat een taak of een deel ervan voltooid is.
Qu’est-ce Qu’est-ce vormt hier het begin van de vaste vraagconstructie « Qu’est-ce qu’il faut vérifier ? », waarmee je vraagt wat gecontroleerd moet worden. Qu’ is de verkorte vorm van que, est is een vorm van être en ce draagt in deze constructie bij aan het aanwijzende ‘dit/dat’. Je gebruikt deze hele vraagopening om naar iets te vragen.
qu’il Qu’il betekent hier ‘dat het’ en verbindt de vraagopening met « faut vérifier » in « Qu’est-ce qu’il faut vérifier ? ». Qu’ is de verkorte vorm van que vóór il, en il is het onderwerp van de onpersoonlijke constructie met faut. Je gebruikt qu’il hier binnen « qu’il faut + infinitief » om uit te drukken wat nodig is.
faut Faut betekent hier ‘nodig is’ of ‘moet’ in « qu’il faut vérifier ». Het is de vorm die in deze onpersoonlijke constructie aangeeft dat een handeling noodzakelijk is. Je gebruikt « il faut » gevolgd door een infinitief om een noodzaak uit te drukken.
vérifier Vérifier betekent hier ‘controleren’ in « qu’il faut vérifier » en « vérifier les chiffres ». Na faut staat het als infinitief; het benoemt de handeling die nodig is. Je gebruikt het bijvoorbeeld met een object dat je wilt nakijken, zoals « vérifier les chiffres ».
Je Je betekent hier ‘ik’ en is het onderwerp van « Je dois vérifier les chiffres ». Het maakt duidelijk dat de spreker zelf de cijfers moet controleren. Je gebruikt je vóór een werkwoord wanneer je over je eigen handeling of verplichting spreekt.
dois Dois betekent hier ‘moet’ of ‘nodig heb’ in « Je dois vérifier les chiffres ». Samen met je geeft deze vorm aan dat de spreker verplicht of van plan is iets te doen. Een bruikbaar patroon is « Je dois + infinitief » voor een noodzakelijke handeling.
les Les is hier het bepaalde meervoudige lidwoord in « les chiffres ». Het verwijst naar de concrete cijfers die gecontroleerd moeten worden. Je gebruikt les vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord wanneer je naar bepaalde zaken verwijst.
chiffres Chiffres betekent hier ‘cijfers’ in « vérifier les chiffres ». Het gaat om de numerieke gegevens die de spreker nog moet nakijken. Je gebruikt het als object van werkwoorden zoals vérifier wanneer je cijfers of getallen controleert.
Sommes Sommes betekent hier ‘zijn’ in de vraag « Sommes-nous dans les temps ? ». Samen met nous vraagt het of de groep nog op schema ligt. Je gebruikt deze vorm in een vraag over de toestand of planning van ‘wij’.
nous Nous betekent hier ‘wij’ in « Sommes-nous ». Het verwijst naar de twee gesprekspartners als groep. Je gebruikt nous als onderwerp bij een werkwoord wanneer je jezelf samen met anderen bedoelt.
dans Dans betekent hier ‘in’, maar draagt in « dans les temps » bij aan de vaste betekenis ‘op schema’ of ‘binnen de geplande tijd’. Het woord verbindt de groep les temps met de toestand van de planning. Je gebruikt dans zulke uitdrukkingen om een positie binnen een tijds- of plaatskader aan te geven.
temps Temps betekent hier ‘tijd’ in de uitdrukking « dans les temps », die in deze werkcontext ‘op schema’ betekent. Het verwijst niet naar een afzonderlijk tijdstip, maar naar de beschikbare of geplande tijd. Je gebruikt « dans les temps » om te vragen of te zeggen dat iets volgens planning verloopt.
pouvons Pouvons betekent hier ‘kunnen’ in « Nous pouvons finir cet après-midi ». Samen met nous drukt het uit dat de groep de mogelijkheid heeft om de taak vanmiddag af te maken. Een bruikbaar patroon is « Nous pouvons + infinitief ».
finir Finir betekent hier ‘afmaken’ in « Nous pouvons finir cet après-midi ». Het staat als infinitief na pouvons en benoemt de handeling die de groep kan uitvoeren. Je gebruikt finir met het object of de taak die je wilt beëindigen.
cet Cet betekent hier ‘deze’ of ‘dit’ in « cet après-midi ». Het wijst naar de middag van de dag waarop de gesprekspartners spreken. Je gebruikt cet vóór dit zelfstandig naamwoord in deze tijdsaanduiding.
après-midi Après-midi betekent ‘middag’ in « cet après-midi ». Het woord bestaat uit après, ‘na’, en midi, ‘middaguur’; samen duidt het de periode na het middaguur aan. Je gebruikt bijvoorbeeld « cet après-midi » om te zeggen wanneer iets diezelfde middag gebeurt.
Devons Devons betekent hier ‘moeten’ of ‘zouden moeten’ in « Devons-nous informer l’équipe ? ». Samen met nous vormt het een vraag over de vraag of de groep het team moet informeren. Je gebruikt deze vorm om samen een verplichting of noodzakelijke volgende stap te bespreken.
informer Informer betekent hier ‘informeren’ of ‘op de hoogte brengen’ in « informer l’équipe ». Het staat als infinitief na devons en benoemt de handeling die de gesprekspartners overwegen. Je gebruikt informer met de persoon of groep die de informatie ontvangt.
l’équipe L’équipe betekent hier ‘het team’ en is de groep die geïnformeerd moet worden. In « informer l’équipe » is het team het object van informer. Je gebruikt deze uitdrukking in een werksituatie wanneer je een team over de voortgang wilt inlichten.
Informons Informons betekent hier ‘laten we informeren’ in « Informons-les ». Het is een aansporing aan de spreker en de ander om samen actie te ondernemen. Je gebruikt deze vorm om voor te stellen dat je samen iemand of een groep op de hoogte brengt.
après Après betekent hier ‘na’ of ‘nadat’ en geeft in « après avoir fini cette partie » aan dat eerst dit deel wordt afgemaakt. Het markeert dus de volgorde tussen twee handelingen. Je gebruikt après om een handeling of gebeurtenis te plaatsen na iets anders.
avoir Avoir betekent hier ‘hebben’ in « après avoir fini cette partie ». Samen met fini vormt het een constructie voor iets dat eerst voltooid is voordat de volgende handeling plaatsvindt. Je gebruikt « après avoir + voltooid deelwoord » om een voorafgaande handeling aan te geven.
fini Fini betekent hier ‘afgemaakt’ of ‘voltooid’ in « avoir fini cette partie ». Na avoir geeft het aan dat het afmaken van dit deel voltooid is voordat het team wordt geïnformeerd. Je gebruikt « avoir fini » om te zeggen dat iets klaar is.
cette Cette betekent hier ‘dit’ of ‘deze’ in « cette partie ». Het wijst naar het specifieke deel van de taak dat de gesprekspartners eerst willen afmaken. Je gebruikt cette vóór een zelfstandig naamwoord om naar een bepaald enkelvoudig onderdeel te verwijzen.

Grammatica

il faut + infinitif

Qu’est-ce qu’il faut ?

kès kil foo

Wat moet er?

‘Il faut’ drukt een noodzaak uit en wordt gevolgd door een infinitief; het onderwerp blijft onpersoonlijk.

pouvoir + infinitif

Nous pouvons finir cet après-midi.

noe poe-võ fie-niegh sèt apghè-miedie

We kunnen het vanmiddag afmaken.

Na ‘pouvoir’ staat een infinitief. De vervoeging van ‘pouvoir’ past bij het onderwerp.

Frans woordenschat

avancer werkwoord
avãs-ee vooruitgaan, vorderen avance

Comment avance la tâche ?

chiffre zelfstandig naamwoord
sjiefgh cijfer chiffres

les chiffres

dans les temps uitdrukking
dã lee tã op schema, op tijd

Sommes-nous dans les temps ?

devoir werkwoord
duh-vwaar moeten dois

Je dois vérifier les chiffres.

faire werkwoord
fègh doen, maken faite

La plus grande partie est faite.

falloir werkwoord
fa-lwaar moeten, nodig zijn faut

il faut vérifier

la plus grande partie uitdrukking
la pluu(s) ghrãd pagh-tie het grootste deel

La plus grande partie est faite.

partie zelfstandig naamwoord
pagh-tie deel

cette partie

pouvoir werkwoord
poe-vwaar kunnen pouvons

Nous pouvons finir cet après-midi.

qu’est-ce qu’il faut uitdrukking
kès kil foo wat moet er

Qu’est-ce qu’il faut vérifier ?

tâche zelfstandig naamwoord
tasj taak

Comment avance la tâche ?

vérifier werkwoord
veeghiefjee controleren, nakijken

Je dois vérifier les chiffres.

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Hoe gaat het met de taak?

Antwoord tonenComment avance la tâche ?

Het meeste is klaar.

Antwoord tonenLa plus grande partie est faite.

Wat moet er worden gecontroleerd?

Antwoord tonenQu’est-ce qu’il faut vérifier ?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

moeten

Antwoord tonendois

deel

Antwoord tonenpartie

controleren, nakijken

Antwoord tonenvérifier

vooruitgaan, vorderen

Antwoord tonenavance