Wat nemen we mee? | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: Before a shared outing, two friends decide to bring a blanket, drinks, and cups, then confirm the items fit in a bag..

NL → FR / Niveau: A1

Elke dag 10 minuten gratis

Ga verder met audiolessen in de app

Woorduitleg verschijnt automatisch synchroon met de audio.

Geen login · gesynchroniseerde vertalingen · afspelen met vergrendeld scherm

Kies je leertaal en open deze les in de app.

Audioles en woordnotities in de Kotobridge-app

Over deze les

Met Wat nemen we mee? oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Qu'est-ce que je dois apporter ?

kès-keuh zjuh dwa apor-tee Wat moet ik meenemen?
B

Apporte une petite couverture, s'il te plaît.

aport uun puh-tiet koovèr-tuur, siel tuh plè Neem alsjeblieft een kleine deken mee.
A

Est-ce qu'il nous faut aussi des boissons ?

ès-kil noe foe oo-sie dee bwa-sõ Hebben we ook drinken nodig?
B

Une boisson fraîche, ce serait bien.

uun bwa-sõ frèsj, suh suh-rè bjẽ Een koud drankje zou fijn zijn.
A

Je peux apporter des gobelets.

zjuh peu aport-tee dee go-blè Ik kan wat bekers meenemen.
B

Ce serait utile, merci. Nous pouvons les partager.

suh suh-rè uu-tiel, mèr-sie. noe poe-võ le par-ta-zjee Dat zou helpen, bedankt. We kunnen ze delen.
A

Ils peuvent tenir dans mon sac.

iel puhv tuh-nier dã mõ sak Ze passen in mijn tas.
B

Alors, nous sommes prêts.

a-lor, noe som prè Dan zijn we klaar.

Uitleg van de zinnen

  1. Qu'est-ce que je dois apporter ?

    Wat moet ik meenemen?

    Qu'est-ce que
    wat
    je dois
    ik moet
    apporter
    meenemen
    Uitgebreide uitleg

    Qu'est-ce que is hier de vaste vragende constructie voor “wat”. Ze vraagt naar het ding of de handeling waarop het antwoord betrekking heeft. In deze zin staat ze aan het begin van de vraag; de apostrof in Qu'est-ce hoort bij de vaste spelling. Vergelijk bijvoorbeeld: Qu'est-ce que tu lis ? — “Wat lees je?” je dois betekent hier “ik moet”. dois is de tegenwoordige tijd van devoir bij je: je dois. De vorm drukt hier verplichting of noodzaak uit. Het onderwerp is je; dois is de vorm die daarbij hoort. Devoir wordt vaak gevolgd door een infinitief: Je dois partir. — “Ik moet vertrekken.” Andere nuttige vormen zijn tu dois — “jij moet” en il/elle doit — “hij/zij moet”. apporter is de infinitief met de betekenis “meenemen” of “brengen”, afhankelijk van de situatie. Na devoir blijft het werkwoord in de infinitief: je dois apporter, letterlijk “ik moet meenemen”. De infinitief verandert hier niet mee met de persoon; de persoon wordt in deze combinatie door dois aangegeven. Voorbeeld: Nous devons apporter de l'eau. — “We moeten water meenemen.” Samen vormt de zin de vraag Qu'est-ce que je dois apporter ?: “Wat moet ik meenemen?” Qu'est-ce que vraagt naar het voorwerp, je dois drukt de verplichting van de spreker uit en apporter noemt de handeling. Het patroon is herbruikbaar als Qu'est-ce que je dois + infinitief ?, bijvoorbeeld Qu'est-ce que je dois préparer ? — “Wat moet ik klaarmaken?”

  2. Apporte une petite couverture, s'il te plaît.

    Neem alsjeblieft een kleine deken mee.

    Apporte
    breng mee
    petite
    klein
    couverture
    deken
    s'il te plaît
    alsjeblieft
    Uitgebreide uitleg

    Apporte is de gebiedende wijs van apporter voor tu: “breng mee” of, afhankelijk van de situatie, “breng”. Het onderwerp tu wordt bij deze vorm niet uitgesproken. In deze zin maakt de context duidelijk dat het om iets meenemen gaat. Voorbeeld: Apporte ton livre. — Neem je boek mee. petite betekent hier “kleine”. Het bijvoeglijk naamwoord is de vrouwelijke enkelvoudsvorm van petit, omdat het overeenkomt met het vrouwelijke enkelvoud couverture. De basisreeks is petit (mannelijk enkelvoud), petite (vrouwelijk enkelvoud), petits (mannelijk meervoud) en petites (vrouwelijk meervoud). Voorbeeld: une petite boîte — een klein doosje. couverture is een vrouwelijk zelfstandig naamwoord voor “deken”. Daarom staat ervoor une petite couverture: het onbepaalde lidwoord en het bijvoeglijk naamwoord passen bij het vrouwelijke enkelvoud. Voorbeeld: La couverture est chaude. — De deken is warm. s'il te plaît is een vaste beleefde uitdrukking die je gebruikt bij een verzoek aan één persoon die je met tu aanspreekt. In deze zin betekent ze “alsjeblieft”. Samen bestaat de zin uit de gebiedende wijs Apporte, het object une petite couverture en de beleefde toevoeging s'il te plaît. De volledige betekenis is: “Neem alsjeblieft een kleine deken mee.”

  3. Est-ce qu'il nous faut aussi des boissons ?

    Hebben we ook drinken nodig?

    Est-ce qu'il
    begint een ja/nee-vraag
    nous faut
    hebben we nodig
    aussi
    ook
    boissons
    drankjes
    Uitgebreide uitleg

    Est-ce qu'il opent een ja/nee-vraag. Est-ce que is een vaste vraagconstructie; het daaropvolgende il hoort hier bij de uitdrukking il faut, en verwijst niet naar een eerder genoemde persoon. Een vraag zonder deze constructie kan in het Frans ook met intonatie worden gevormd, maar Est-ce que ... ? maakt de vraag duidelijk. nous faut komt van falloir, een onpersoonlijk werkwoord. In de constructie il faut + iemand + iets betekent het dat iemand iets nodig heeft: Il me faut de l'eau. — Ik heb water nodig. Het voornaamwoord nous betekent hier ons en is degene die de behoefte heeft; faut blijft bij deze betekenis in de derde persoon enkelvoud, omdat il faut de vaste vorm is. Het werkwoord falloir wordt dus niet vervoegd alsof nous het onderwerp is. Vergelijk: Il nous faut du temps. — We hebben tijd nodig. aussi betekent ook. Het voegt deze behoefte toe aan iets anders dat al ter sprake is of wordt meegerekend. In deze zin staat het vóór het zelfstandig naamwoord: Il nous faut aussi du pain. — We hebben ook brood nodig. boissons is het meervoud van boisson, drankje of drank. Het woord is vrouwelijk: une boisson, des boissons; het meervoud wordt hier zichtbaar met -s. In de vaste zin gaat het om drankjes in het algemeen, niet om één specifiek drankje. Een bruikbaar enkelvoudsvoorbeeld is Je prends une boisson fraîche. — Ik neem een koud drankje. Samen vormen de delen Est-ce qu'il faut ... ? een ja/nee-vraag naar noodzaak. Il nous faut aussi des boissons betekent letterlijk dat er voor ons ook drankjes nodig zijn. De volledige zin betekent daarom: Hebben we ook drinken nodig?

  4. Une boisson fraîche, ce serait bien.

    Een koud drankje zou fijn zijn.

    boisson
    drankje
    fraîche
    koud; fris
    ce serait bien
    dat zou fijn zijn
    Uitgebreide uitleg

    boisson betekent hier ‘drankje’. Het is een zelfstandig naamwoord en is vrouwelijk: une boisson en in het meervoud des boissons. In de voorafgaande zin staat inderdaad het meervoud des boissons; hier staat de enkelvoudsvorm van hetzelfde woord. fraîche betekent hier ‘koud’ of ‘fris’ en beschrijft boisson. De vorm is vrouwelijk enkelvoud, omdat boisson vrouwelijk enkelvoud is. De basisvorm van het bijvoeglijk naamwoord is frais; de vrouwelijke vorm is fraîche, bijvoorbeeld: un jus frais — ‘een koud sapje’, maar une boisson fraîche — ‘een koud drankje’. ce serait bien betekent ‘dat zou fijn zijn’. serait is de conditionnel présent van être in de derde persoon enkelvoud: être → il/elle est → il/elle serait. In deze constructie verwijst ce niet naar een specifiek benoemd zelfstandig naamwoord; het kondigt de voorgestelde situatie aan. Ce serait bien is een bruikbaar patroon om een wens of voorstel voorzichtig te formuleren. Bijvoorbeeld: Ce serait utile. — ‘Dat zou nuttig zijn.’ Samen vormen de delen Une boisson fraîche, ce serait bien.: ‘Een koud drankje zou fijn zijn.’ Une markeert hier een onbepaald drankje; de zin legt daarmee geen afzonderlijk exact aantal vast. De eerste woordgroep noemt wat gewenst zou zijn, en ce serait bien beoordeelt die voorgestelde situatie als fijn.

  5. Je peux apporter des gobelets.

    Ik kan wat bekers meenemen.

    Je peux
    ik kan
    apporter
    meenemen
    gobelets
    bekers
    Uitgebreide uitleg

    Je peux betekent hier “ik kan”. peux is de vorm van pouvoir bij je; het drukt hier mogelijkheid of vermogen uit. Na pouvoir volgt een infinitief: Je peux venir = “Ik kan komen”. Bij nous is de vorm bijvoorbeeld nous pouvons (“wij kunnen”). apporter betekent hier “meenemen” of “brengen”. Het is een infinitief na peux, dus het verandert hier niet mee met de persoon; die informatie staat in peux. Voorbeeld: Je peux apporter de l’eau. = “Ik kan water meenemen.” gobelets betekent hier “bekers”. Het enkelvoud is gobelet; gobelets is de meervoudsvorm. De slot-s wordt in deze vorm normaal niet uitgesproken. des gobelets verwijst naar niet nader bepaalde bekers in het meervoud; des geeft op zichzelf geen vast aantal aan. Samen vormen Je peux + apporter + des gobelets de betekenis: “Ik kan wat bekers meenemen.” peux drukt de mogelijkheid uit, en apporter des gobelets noemt wat de spreker kan meenemen. In de gegeven context past dit bij het meenemen van bekers voor het genoemde drankje.

  6. Ce serait utile, merci. Nous pouvons les partager.

    Dat zou helpen, bedankt. We kunnen ze delen.

    Ce serait
    Dat zou zijn
    utile
    nuttig; behulpzaam
    merci
    bedankt
    Nous pouvons
    wij kunnen
    les
    ze; hen
    partager
    delen
    Uitgebreide uitleg

    Ce serait betekent hier “dat zou zijn”. serait is de conditionele vorm van être bij een enkelvoudig onderwerp: être → serait (“zou zijn”). De conditionnel presenteert de beoordeling als iets voorwaardelijks of voorzichtigs. Vergelijk: Ce sera utile. = “Dat zal nuttig zijn.” utile betekent hier “nuttig” of “helpend”. Het is een bijvoeglijk naamwoord; de vorm is hetzelfde voor mannelijk en vrouwelijk enkelvoud. In Ce serait utile beschrijft het ce, niet een zelfstandig naamwoord dat ernaast staat. Voorbeelden: C’est utile. = “Dat is nuttig.” Ces conseils sont utiles. = “Deze adviezen zijn nuttig.” merci is een vaste manier om te bedanken: “bedankt”. Het kan zelfstandig aan het einde van een zin staan, zoals hier. Het is geen deel van de voorwaardelijke vorm serait. Nous pouvons betekent “wij kunnen”. pouvons is de vorm van pouvoir (“kunnen”) voor nous in de tegenwoordige tijd: je peux, nous pouvons, ils peuvent. Het hulpwerkwoord staat vóór de infinitief die beschrijft wat mogelijk is. Hier volgt partager. les betekent hier “ze” als meervoudig lijdend voorwerp. De vorm les wordt gebruikt vóór een werkwoord en maakt op zichzelf geen onderscheid tussen mannelijk en vrouwelijk meervoud. In deze context verwijst het, volgens de vaste vertaling en de voorafgaande vermelding van des gobelets, naar die bekers. Het staat vóór de infinitief in de combinatie les partager. partager is de infinitief “delen”. De infinitief blijft na pouvons onveranderd; de persoon en het getal zitten in pouvons. Voorbeeld: Nous pouvons partager le pain. = “We kunnen het brood delen.” Samen vormen de delen: Ce serait utile = “Dat zou nuttig zijn”, merci = “bedankt”, en Nous pouvons les partager = “We kunnen ze delen”. De hele uiting betekent dus: “Dat zou helpen, bedankt. We kunnen ze delen.”

  7. Ils peuvent tenir dans mon sac.

    Ze passen in mijn tas.

    Ils peuvent
    ze kunnen
    tenir
    passen
    dans
    in
    mon
    mijn
    sac
    tas
    Uitgebreide uitleg

    Ils peuvent betekent hier “ze kunnen”. Ils is een persoonlijk voornaamwoord in de derde persoon meervoud; in deze zin verwijst het volgens de vertaling naar de dingen die eerder genoemd zijn. Peuvent is de vorm van pouvoir voor ils/elles: ils peuvent = “ze kunnen”. De constructie pouvoir + infinitief drukt mogelijkheid of vermogen uit, bijvoorbeeld: Ils peuvent entrer. — “Ze kunnen binnenkomen.” tenir betekent hier “passen” of “erin kunnen”. Dit is de infinitief na peuvent; na een vervoegde vorm van pouvoir blijft het volgende werkwoord in de infinitief. Tenir heeft in andere contexten ook betekenissen zoals “houden”, maar in deze zin gaat het om de beschikbare ruimte. Bijvoorbeeld: Le livre peut tenir dans le sac. — “Het boek kan in de tas passen.” dans betekent “in” en geeft hier de ruimte aan waarin iets past. Het wordt gebruikt voor een plaats binnenin iets: dans la boîte betekent “in de doos”. mon betekent “mijn”. Het is een bezittelijk woord bij een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord: mon sac = “mijn tas”. Bij een vrouwelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord is de vorm doorgaans ma, en bij meervoud mes; het verschil hangt dus af van het zelfstandig naamwoord, niet van de bezitter. sac betekent “tas”. Het is hier een mannelijk enkelvoudig zelfstandig naamwoord, wat zichtbaar is aan mon. Het kan ook een andere soort zak of tas aanduiden wanneer de context dat bepaalt. Samen vormen de delen: Ils peuvent (“ze kunnen”) + tenir (“passen”) + dans mon sac (“in mijn tas”). De volledige zin betekent daarom: “Ze passen in mijn tas.” De zin zegt dat de eerder bedoelde dingen in de tas kunnen passen; peuvent tenir drukt die mogelijkheid uit.

  8. Alors, nous sommes prêts.

    Dan zijn we klaar.

    Alors
    dan; dus
    nous sommes
    wij zijn
    prêts
    klaar
    Uitgebreide uitleg

    Alors staat hier aan het begin als verbindingswoord met de betekenis ‘dan’ of ‘dus’. Het kan een gevolg of overgang inleiden. Voorbeeld: Alors, on commence. — ‘Dan beginnen we.’ nous sommes betekent hier ‘wij zijn’. sommes is de vervoegde vorm van être (‘zijn’) bij nous in de tegenwoordige tijd: nous sommes. Vergelijk: je suis — ‘ik ben’, ils sont — ‘zij zijn’. Het onderwerp nous staat expliciet bij deze werkwoordsvorm. prêts betekent hier ‘klaar’. Het is het bijvoeglijk naamwoord prêt in het meervoud: prêt — ‘klaar’ (enkelvoud), prêts — ‘klaar’ (mannelijk meervoud). De uitgang -s past bij de meervoudige vorm in deze zin; de vorm is niet de vrouwelijke meervoudsvorm prêtes. Voorbeeld: Nous sommes prêts à partir. — ‘Wij zijn klaar om te vertrekken.’ Samen vormen de delen Alors + nous sommes + prêts de betekenis: ‘Dan zijn we klaar.’ Alors verbindt deze uitspraak met wat eraan voorafgaat; nous sommes prêts zegt dat de groep die met nous wordt aangeduid, klaar is.

Grammatica

Qu'est-ce qu'il faut + infinitif ?

Qu'est-ce qu'il faut apporter ?

kès-kil foe aport-tee

Wat moet je meebrengen?

« Qu'est-ce qu'il faut » vraagt wat nodig is; daarna volgt een werkwoord in de infinitief.

Adjectif féminin : -e

Une petite couverture fraîche.

uun puh-tiet koovèr-tuur frèsj

Een kleine, koude deken.

« Petite » en « fraîche » krijgen een vrouwelijke vorm omdat « couverture » vrouwelijk is.

Frans woordenschat

apporter werkwoord
apor-tee meebrengen apporte
aussi bijwoord
oo-sie ook
boisson zelfstandig naamwoord
bwa-sõ drankje boissons
couverture zelfstandig naamwoord
koovèr-tuur deken
falloir werkwoord
fa-lwaar nodig zijn faut
frais bijvoeglijk naamwoord
frè koud fraîche
gobelet zelfstandig naamwoord
go-blè beker gobelets
merci tussenwerpsel
mèr-sie bedankt
petit bijvoeglijk naamwoord
puh-tie klein petite
qu'est-ce que uitdrukking
kès-keuh wat

Qu'est-ce que je dois apporter ?

s'il te plaît uitdrukking
siel tuh plè alsjeblieft
utile bijvoeglijk naamwoord
uu-tiel nuttig

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat moet ik meenemen?

Antwoord tonenQu'est-ce que je dois apporter ?

Een koud drankje zou fijn zijn.

Antwoord tonenUne boisson fraîche, ce serait bien.

Ik kan wat bekers meenemen.

Antwoord tonenJe peux apporter des gobelets.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

meebrengen

Antwoord tonenapporte

klein

Antwoord tonenpetite

drankje

Antwoord tonenboissons

nodig zijn

Antwoord tonenfaut