Cette
Cette betekent hier ‘deze’ en hoort bij de tafel waarnaar wordt gevraagd. De vorm staat vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord: cette + zelfstandig naamwoord.
table
Table betekent hier ‘tafel’, de tafel waar iemand wil zitten. Je kunt table gebruiken met een plaatsaanduiding, zoals in à cette table.
est
Est betekent hier ‘is’ en verbindt cette table met de eigenschap libre. Een veelgebruikt patroon is een onderwerp + est + beschrijving, zoals Cette table est libre.
libre
Libre betekent hier ‘vrij’ of ‘beschikbaar’: niemand gebruikt de tafel. De uitdrukking être libre kan ook zeggen dat een plaats of voorwerp beschikbaar is.
Il
Il is hier het grammaticale onderwerp van de onpersoonlijke constructie il n’y a personne en betekent niet zelfstandig ‘hij’. Gebruik il samen met il y a om het bestaan of de aanwezigheid van iets of iemand uit te drukken.
n’y
N’y maakt hier deel uit van de ontkennende constructie il n’y a personne, die betekent dat er niemand is. Een nieuw voorbeeld is il n’y a pas de place: ‘er is geen plaats’.
a
A draagt in il n’y a bij aan de betekenis ‘er is’ of ‘er zijn’. Het patroon il y a + zelfstandig naamwoord wordt gebruikt om aanwezigheid of bestaan aan te geven.
personne
Personne betekent hier ‘niemand’ binnen de ontkennende constructie il n’y a personne. In een nieuw voorbeeld staat ne ... personne ook voor ‘niemand’, zoals Je ne vois personne: ‘Ik zie niemand’.
à
À betekent hier ‘bij’ in à cette table: bij deze tafel. Je gebruikt à vaak vóór een plaatsaanduiding, bijvoorbeeld voor een tafel, een stoel of een andere plek.
J’ai
J’ai betekent hier ‘ik heb’ en introduceert de behoefte van de spreker. Het vaste patroon avoir besoin de + zelfstandig naamwoord betekent ‘iets nodig hebben’, zoals in J’ai besoin d’un endroit.
besoin
Besoin draagt in J’ai besoin de de betekenis ‘behoefte’ en maakt samen met avoir de uitdrukking ‘nodig hebben’. Gebruik avoir besoin de vóór datgene wat je nodig hebt.
d’un
D’un betekent hier ‘van een’ en volgt op besoin in J’ai besoin d’un endroit. Het is de samengevoegde vorm van de en un; je gebruikt avoir besoin d’un + zelfstandig naamwoord voor ‘een ... nodig hebben’.
endroit
Endroit betekent hier ‘plek’ of ‘plaats’, namelijk een plaats om te zitten. Het kan worden gecombineerd met een beschrijving, zoals un endroit calme.
calme
Calme betekent hier ‘rustig’ en beschrijft de plek waar de spreker wil zitten. Je kunt calme vóór een zelfstandig naamwoord gebruiken, zoals in un endroit calme.
pour
Pour geeft hier het doel aan: de plek is bedoeld om te zitten. Het patroon pour + infinitief drukt vaak ‘om te ...’ uit, zoals pour m’asseoir en pour étudier.
m’asseoir
M’asseoir betekent hier ‘gaan zitten’ of ‘zitten’, met m’ voor de persoon die spreekt. De vorm wordt in deze zin gebruikt na pour: pour m’asseoir, ‘om te gaan zitten’.
loin
Loin betekent hier ‘ver’ en beschrijft de afstand van de tafel tot de deur. Het gebruikelijke patroon is loin de + plaats of voorwerp, zoals loin de la porte.
de
De betekent hier ‘van’ en geeft in loin de la porte het referentiepunt van de afstand aan. Gebruik loin de vóór datgene waarvan iets ver verwijderd is.
la
La staat vóór porte in la porte en verwijst naar een bepaalde deur. Je gebruikt la vóór een enkelvoudig zelfstandig naamwoord wanneer je naar een bekende of bepaalde zaak verwijst.
porte
Porte betekent hier ‘deur’, het punt waarmee de afstand van de tafel wordt beschreven. Het komt in deze zin voor na de vaste combinatie loin de.
Alors
Alors betekent hier ‘dan’ of ‘dus’ en leidt de conclusie van de spreker in: deze plek is geschikt om te studeren. Je kunt alors aan het begin van een zin gebruiken om een gevolg of conclusie aan te kondigen.
c’est
C’est betekent hier ‘dit is’ en introduceert de beoordeling van de plek. C’est is de samengevoegde vorm van ce en est; een bruikbaar patroon is c’est + zelfstandig naamwoord of beschrijving.
un
Un betekent hier ‘een’ in un bon endroit. Het staat vóór een zelfstandig naamwoord om naar één niet nader bepaalde zaak te verwijzen.
bon
Bon betekent hier ‘goed’ en beschrijft endroit: het is een goede plek om te studeren. Je kunt un bon + zelfstandig naamwoord gebruiken om iets positief te beoordelen.
étudier
Étudier betekent hier ‘studeren’ en staat na pour om het doel van de plek te benoemen. Het patroon pour étudier betekent ‘om te studeren’.
S’il te plaît
S’il te plaît betekent als geheel ‘alsjeblieft’ en maakt het verzoek beleefd. In deze vaste uitdrukking dragen S’il, te en plaît samen de verzoekfunctie: S’il vormt de uitdrukking, te verwijst naar de aangesproken persoon en plaît naar iets dat prettig of welgevallig is.
parle
Parle betekent hier ‘praat’ en vormt samen met S’il te plaît een beleefd verzoek. Je kunt parle combineren met een manier waarop iemand moet spreken, zoals parle doucement.
doucement
Doucement betekent hier ‘zacht’ of ‘zachtjes’ en beschrijft hoe iemand moet praten. Het kan na parler staan om aan te geven dat iemand zacht moet spreken: parler doucement.
pendant
Pendant betekent hier ‘tijdens’ in pendant que tu étudies. Samen met que leidt pendant een bijzin in die aangeeft wanneer iets gebeurt.
que
Que maakt hier samen met pendant de verbinding pendant que, met de betekenis ‘terwijl’. Het patroon pendant que + onderwerp + werkwoord beschrijft twee activiteiten die tegelijk plaatsvinden.
tu
Tu betekent hier ‘je’ of ‘jij’ en verwijst naar de aangesproken persoon. Het staat vóór het werkwoord in tu étudies; een vergelijkbaar patroon is tu + werkwoord.
étudies
Étudies betekent hier ‘studeert’ in pendant que tu étudies. De vorm hoort bij tu en kan in een nieuwe zin opnieuw na tu worden gebruikt om te zeggen wat de aangesproken persoon doet.
Bien sûr
Bien sûr betekent als geheel ‘natuurlijk’ of ‘zeker’ en bevestigt hier dat de spreker zacht zal praten. Bien draagt in deze uitdrukking bij aan een positieve bevestiging en sûr aan de zekerheid; samen vormen ze een vaste bevestiging.
je
Je betekent hier ‘ik’ en is het onderwerp van parlerai. Het staat vóór een werkwoord om de spreker aan te wijzen, zoals in je parlerai doucement.
parlerai
Parlerai betekent hier ‘zal praten’ en geeft aan wat de spreker van plan is te doen. Je kunt je parlerai combineren met een bijwoord, zoals in je parlerai doucement.
Ça
Ça betekent hier ‘dat’ en verwijst naar het zacht praten uit de vorige zin. Ça kan als onderwerp vóór een werkwoord staan, zoals in Ça aide.
aide
Aide betekent hier ‘helpt’ in Ça aide les autres à étudier. Een bruikbaar patroon is ça aide + persoon of groep + à + infinitief, voor iets dat iemand helpt om iets te doen.
les
Les staat in les autres vóór een meervoudige groep die als bepaald wordt voorgesteld. Je gebruikt les vóór een meervoudig zelfstandig naamwoord of een meervoudige aanduiding van personen of zaken.
autres
Autres betekent hier ‘anderen’ en verwijst naar de andere mensen in de bibliotheek, naast de gesprekspartners. Samen met les vormt het les autres, een veelgebruikte aanduiding voor andere personen of zaken.