Klaar voor koud weer | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: Before going outside, two adults talk about wearing a scarf and gloves for cold weather..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met Klaar voor koud weer oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Il fait froid dehors.

iel fee frwaa deu-oor Buiten voelt het koud aan.
B

Mets ton écharpe.

me tong nesjarp Doe je sjaal om.
A

Est-ce que j'ai aussi besoin de gants ?

es-keu zjee oo-sie be-zwèng deu gang Heb ik ook handschoenen nodig?
B

Ils garderont tes mains au chaud.

iel gar-de-rong tee meng oo sjo Ze houden je handen warm.
A

Où sont mes gants ?

oe song mee gang Waar zijn mijn handschoenen?
B

Ils sont à côté de ton manteau.

iel song aa koo-tee deu tong mang-too Ze liggen naast je jas.
A

Je vais les mettre avant de partir.

zje vee lè metr a-vang deu par-tier Ik doe ze aan voordat ik ga.
B

Alors, tu seras prêt pour le froid.

a-lor, tuu se-raa prè poer leu frwaa Dan ben je klaar voor de kou.

Woord voor woord

Il In « Il fait froid dehors. » is « Il » het vaste onderwerp in de Franse weeruitdrukking; het verwijst hier niet naar een persoon. Gebruik « Il » samen met « fait » om over het weer te spreken.
fait In « Il fait froid dehors. » betekent « fait » niet letterlijk ‘maakt’, maar vormt het samen met « Il » en « froid » de uitdrukking voor koud weer. Het gebruikspatroon is « Il fait + weerbeschrijving », bijvoorbeeld in een nieuwe zin: « Il fait chaud. »
froid In « Il fait froid dehors. » betekent « froid » ‘koud’ en beschrijft het het weer buiten. In « le froid » betekent hetzelfde woord ‘de kou’; na « le » wordt het als iets zelfstandigs genoemd.
dehors « Dehors » betekent hier ‘buiten’ en geeft aan waar het koud is. Je gebruikt het bijvoorbeeld achter een weerbeschrijving in « Il fait froid dehors. »
Mets « Mets » is hier een bevel: ‘doe aan’ in de zin « Mets ton écharpe. » Het richt zich rechtstreeks tot iemand en staat vóór wat die persoon moet aandoen.
ton « Ton » betekent hier ‘jouw’ en hoort bij « écharpe » in « ton écharpe ». Voor een zelfstandig naamwoord dat met een klinker begint, wordt deze vorm gebruikt; een bruikbaar patroon is « ton + zelfstandig naamwoord ».
écharpe « Écharpe » betekent ‘sjaal’ en is in « Mets ton écharpe. » het kledingstuk dat iemand moet aandoen. Je gebruikt het met een bezittelijk woord zoals « ton » wanneer je over iemands sjaal spreekt.
Est-ce que « Est-ce que » vormt hier samen de vraaginleiding in « Est-ce que j'ai aussi besoin de gants ? » « Est-ce » maakt de vraagformule, en « que » leidt de daaropvolgende zin in; samen maken ze van de mededeling een ja-neevraag.
j'ai « J'ai » betekent hier ‘ik heb’ in « j'ai aussi besoin de gants ». Samen met « besoin de » drukt het uit dat iemand iets nodig heeft; een herbruikbaar patroon is « j'ai besoin de + iets ».
aussi « Aussi » betekent hier ‘ook’: de spreker vraagt of naast de sjaal ook handschoenen nodig zijn. Het staat in « j'ai aussi besoin de gants » vóór de uitdrukking « besoin de ».
besoin « Besoin » betekent hier ‘behoefte’ binnen de uitdrukking « j'ai besoin de gants », dus ‘ik heb handschoenen nodig’. Gebruik « besoin » in dit patroon samen met « avoir » en « de » voor datgene wat nodig is.
de « De » is hier het verbindende deel van « besoin de » in « j'ai besoin de gants ». Het introduceert datgene wat nodig is; het bruikbare patroon is « besoin de + zelfstandig naamwoord ».
gants « Gants » betekent hier ‘handschoenen’ en verwijst in de dialoog naar het paar dat de handen warm houdt. De vorm staat in « besoin de gants » en later in « mes gants ».
Ils « Ils » betekent hier ‘ze’ en verwijst naar « gants », de handschoenen. Het staat als onderwerp vóór « garderont »; gebruik dezelfde vorm wanneer meerdere genoemde zaken iets doen.
garderont « Garderont » betekent hier ‘zullen warm houden’ in « Ils garderont tes mains au chaud. » De vorm verwijst naar wat later zal gebeuren; het patroon « garder + iets + au chaud » beschrijft iets warm houden.
tes « Tes » betekent hier ‘jouw’ en hoort bij het meervoudige zelfstandig naamwoord « mains » in « tes mains ». Een bruikbaar patroon is « tes + meervoudig zelfstandig naamwoord » wanneer je iets aan de aangesprokene toeschrijft.
mains « Mains » betekent hier ‘handen’ in « tes mains ». Het is het lichaamsdeel dat door de handschoenen warm wordt gehouden; je kunt het gebruiken na een bezittelijk woord zoals « tes ».
au chaud « Au chaud » betekent hier ‘warm gehouden’ of ‘in de warmte’ in « garderont tes mains au chaud ». « Au » en « chaud » vormen samen deze uitdrukking: « au » verwijst naar de toestand en « chaud » benoemt die toestand als warm; het patroon is « garder + lichaamsdeel + au chaud ».
« Où » betekent ‘waar’ in « Où sont mes gants ? » Het vraagt naar de plaats van iets en staat aan het begin van deze vraag.
sont « Sont » betekent hier ‘zijn’ in « Où sont mes gants ? » en vormt samen met « mes gants » de vraag naar hun locatie. Gebruik het patroon « Où sont + meervoudig zelfstandig naamwoord? » om te vragen waar meerdere dingen zijn.
mes « Mes » betekent hier ‘mijn’ en hoort bij het meervoudige « gants » in « mes gants ». Een bruikbaar patroon is « mes + meervoudig zelfstandig naamwoord ».
à côté de « À côté de » betekent ‘naast’ in « à côté de ton manteau ». « À » maakt deel uit van de plaatsaanduiding, « côté » betekent ‘kant’ en « de » verbindt die plaats met wat ernaast staat; gebruik het patroon « à côté de + plaats of voorwerp ».
manteau « Manteau » betekent ‘jas’ in « ton manteau ». Het noemt het kledingstuk waarvan de handschoenen zich ernaast bevinden; je kunt het combineren met een bezittelijk woord zoals « ton ».
Je « Je » betekent ‘ik’ en is in « Je vais les mettre » het onderwerp van wat de spreker van plan is te doen. Het staat vóór de werkwoordsvorm « vais »; een bruikbaar patroon is « Je vais + infinitief ».
vais « Vais » betekent hier ‘ga’ in « Je vais les mettre » en vormt samen met « mettre » de nabije toekomst: ‘ik ga ze aandoen’. Gebruik « Je vais + werkwoord in de infinitief » om een voorgenomen handeling uit te drukken.
les « Les » betekent hier ‘ze’ en verwijst naar de handschoenen in « Je vais les mettre ». Het staat vóór « mettre » als voorwerp van de handeling; een bruikbaar patroon is « Je vais les + infinitief ».
mettre « Mettre » betekent hier ‘aandoen’ in « Je vais les mettre », omdat « les » naar de handschoenen verwijst. Na « vais » blijft het werkwoord in deze vorm staan; gebruik « mettre + kledingstuk » voor iets aantrekken of aandoen.
avant « Avant » betekent hier ‘voordat’ in « avant de partir » en plaatst het vertrek na de handeling met de handschoenen. In dit patroon staat « avant de » vóór een werkwoord in de infinitief.
partir « Partir » betekent hier ‘vertrekken’ of ‘weggaan’ in « avant de partir ». Na « avant de » staat het werkwoord in deze vorm; gebruik dit om aan te geven dat iets gebeurt voordat iemand vertrekt.
Alors « Alors » betekent hier ‘dan’ of ‘dus’ in « Alors, tu seras prêt pour le froid. » Het verbindt de voorbereiding met het gevolg dat iemand klaar zal zijn; je kunt het aan het begin van een reactie gebruiken.
tu « Tu » betekent ‘jij’ en verwijst hier naar de persoon die de sjaal en handschoenen aandoet. Het staat vóór « seras »; een bruikbaar patroon is « tu + werkwoord » wanneer je rechtstreeks tegen één persoon spreekt.
seras « Seras » betekent hier ‘zult zijn’ in « tu seras prêt pour le froid ». De vorm beschrijft een toestand die later zal gelden; gebruik « tu seras + beschrijving » voor een toekomstige toestand.
prêt « Prêt » betekent hier ‘klaar’ of ‘gereed’ in « tu seras prêt pour le froid ». Het beschrijft de toestand na het aandoen van de warme kleding; je kunt het gebruiken na « être » om te zeggen dat iemand klaar is.
pour « Pour » betekent hier ‘voor’ in « prêt pour le froid » en geeft aan waarvoor iemand klaar is. Een bruikbaar patroon is « être prêt pour + situatie of activiteit ».
le « Le » betekent hier ‘de’ in « le froid » en staat vóór « froid ». Samen verwijzen ze naar de kou als de weersituatie waarvoor iemand klaar is; gebruik « le + zelfstandig naamwoord » om een bepaald ding of verschijnsel te noemen.

Grammatica

avant de + infinitif

Mets une écharpe avant de partir.

mez uun eesjarp a-vang deu par-tier

Trek een sjaal aan voordat je vertrekt.

Na « avant de » volgt een infinitief. Het betekent: voordat je iets doet.

avoir besoin de + nom

J'ai besoin de gants.

zjee be-zwèng deu gang

Ik heb handschoenen nodig.

« Avoir besoin de » betekent ‘nodig hebben’. Na « de » staat wat je nodig hebt.

Frans woordenschat

à côté de voorzetsel
aa koo-tee deu naast

à côté de ton manteau

avoir besoin de uitdrukking
a-vwaar be-zwèng deu nodig hebben

J'ai aussi besoin de gants.

chaud bijvoeglijk naamwoord
sjo warm

au chaud

dehors bijwoord
deu-oor buiten

Il fait froid dehors.

écharpe zelfstandig naamwoord
eesjarp sjaal

ton écharpe

faire werkwoord
fègh doen; het weer zijn fait

Il fait froid.

froid bijvoeglijk naamwoord
frwaa koud

Il fait froid dehors.

gant zelfstandig naamwoord
gang handschoen gants

J'ai besoin de gants.

garder werkwoord
gar-dee houden garderont

Ils garderont tes mains au chaud.

main zelfstandig naamwoord
meng hand mains

tes mains

mettre werkwoord
mètr aandoen; aantrekken Mets

Mets ton écharpe.

bijwoord
oe waar

Où sont mes gants ?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Buiten voelt het koud aan.

Antwoord tonenIl fait froid dehors.

Doe je sjaal om.

Antwoord tonenMets ton écharpe.

Ze houden je handen warm.

Antwoord tonenIls garderont tes mains au chaud.

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

aandoen; aantrekken

Antwoord tonenMets

houden

Antwoord tonengarderont

hand

Antwoord tonenmains

koud

Antwoord tonenfroid