Il
In « Il fait froid dehors. » is « Il » het vaste onderwerp in de Franse weeruitdrukking; het verwijst hier niet naar een persoon. Gebruik « Il » samen met « fait » om over het weer te spreken.
fait
In « Il fait froid dehors. » betekent « fait » niet letterlijk ‘maakt’, maar vormt het samen met « Il » en « froid » de uitdrukking voor koud weer. Het gebruikspatroon is « Il fait + weerbeschrijving », bijvoorbeeld in een nieuwe zin: « Il fait chaud. »
froid
In « Il fait froid dehors. » betekent « froid » ‘koud’ en beschrijft het het weer buiten. In « le froid » betekent hetzelfde woord ‘de kou’; na « le » wordt het als iets zelfstandigs genoemd.
dehors
« Dehors » betekent hier ‘buiten’ en geeft aan waar het koud is. Je gebruikt het bijvoorbeeld achter een weerbeschrijving in « Il fait froid dehors. »
Mets
« Mets » is hier een bevel: ‘doe aan’ in de zin « Mets ton écharpe. » Het richt zich rechtstreeks tot iemand en staat vóór wat die persoon moet aandoen.
ton
« Ton » betekent hier ‘jouw’ en hoort bij « écharpe » in « ton écharpe ». Voor een zelfstandig naamwoord dat met een klinker begint, wordt deze vorm gebruikt; een bruikbaar patroon is « ton + zelfstandig naamwoord ».
écharpe
« Écharpe » betekent ‘sjaal’ en is in « Mets ton écharpe. » het kledingstuk dat iemand moet aandoen. Je gebruikt het met een bezittelijk woord zoals « ton » wanneer je over iemands sjaal spreekt.
Est-ce que
« Est-ce que » vormt hier samen de vraaginleiding in « Est-ce que j'ai aussi besoin de gants ? » « Est-ce » maakt de vraagformule, en « que » leidt de daaropvolgende zin in; samen maken ze van de mededeling een ja-neevraag.
j'ai
« J'ai » betekent hier ‘ik heb’ in « j'ai aussi besoin de gants ». Samen met « besoin de » drukt het uit dat iemand iets nodig heeft; een herbruikbaar patroon is « j'ai besoin de + iets ».
aussi
« Aussi » betekent hier ‘ook’: de spreker vraagt of naast de sjaal ook handschoenen nodig zijn. Het staat in « j'ai aussi besoin de gants » vóór de uitdrukking « besoin de ».
besoin
« Besoin » betekent hier ‘behoefte’ binnen de uitdrukking « j'ai besoin de gants », dus ‘ik heb handschoenen nodig’. Gebruik « besoin » in dit patroon samen met « avoir » en « de » voor datgene wat nodig is.
de
« De » is hier het verbindende deel van « besoin de » in « j'ai besoin de gants ». Het introduceert datgene wat nodig is; het bruikbare patroon is « besoin de + zelfstandig naamwoord ».
gants
« Gants » betekent hier ‘handschoenen’ en verwijst in de dialoog naar het paar dat de handen warm houdt. De vorm staat in « besoin de gants » en later in « mes gants ».
Ils
« Ils » betekent hier ‘ze’ en verwijst naar « gants », de handschoenen. Het staat als onderwerp vóór « garderont »; gebruik dezelfde vorm wanneer meerdere genoemde zaken iets doen.
garderont
« Garderont » betekent hier ‘zullen warm houden’ in « Ils garderont tes mains au chaud. » De vorm verwijst naar wat later zal gebeuren; het patroon « garder + iets + au chaud » beschrijft iets warm houden.
tes
« Tes » betekent hier ‘jouw’ en hoort bij het meervoudige zelfstandig naamwoord « mains » in « tes mains ». Een bruikbaar patroon is « tes + meervoudig zelfstandig naamwoord » wanneer je iets aan de aangesprokene toeschrijft.
mains
« Mains » betekent hier ‘handen’ in « tes mains ». Het is het lichaamsdeel dat door de handschoenen warm wordt gehouden; je kunt het gebruiken na een bezittelijk woord zoals « tes ».
au chaud
« Au chaud » betekent hier ‘warm gehouden’ of ‘in de warmte’ in « garderont tes mains au chaud ». « Au » en « chaud » vormen samen deze uitdrukking: « au » verwijst naar de toestand en « chaud » benoemt die toestand als warm; het patroon is « garder + lichaamsdeel + au chaud ».
Où
« Où » betekent ‘waar’ in « Où sont mes gants ? » Het vraagt naar de plaats van iets en staat aan het begin van deze vraag.
sont
« Sont » betekent hier ‘zijn’ in « Où sont mes gants ? » en vormt samen met « mes gants » de vraag naar hun locatie. Gebruik het patroon « Où sont + meervoudig zelfstandig naamwoord? » om te vragen waar meerdere dingen zijn.
mes
« Mes » betekent hier ‘mijn’ en hoort bij het meervoudige « gants » in « mes gants ». Een bruikbaar patroon is « mes + meervoudig zelfstandig naamwoord ».
à côté de
« À côté de » betekent ‘naast’ in « à côté de ton manteau ». « À » maakt deel uit van de plaatsaanduiding, « côté » betekent ‘kant’ en « de » verbindt die plaats met wat ernaast staat; gebruik het patroon « à côté de + plaats of voorwerp ».
manteau
« Manteau » betekent ‘jas’ in « ton manteau ». Het noemt het kledingstuk waarvan de handschoenen zich ernaast bevinden; je kunt het combineren met een bezittelijk woord zoals « ton ».
Je
« Je » betekent ‘ik’ en is in « Je vais les mettre » het onderwerp van wat de spreker van plan is te doen. Het staat vóór de werkwoordsvorm « vais »; een bruikbaar patroon is « Je vais + infinitief ».
vais
« Vais » betekent hier ‘ga’ in « Je vais les mettre » en vormt samen met « mettre » de nabije toekomst: ‘ik ga ze aandoen’. Gebruik « Je vais + werkwoord in de infinitief » om een voorgenomen handeling uit te drukken.
les
« Les » betekent hier ‘ze’ en verwijst naar de handschoenen in « Je vais les mettre ». Het staat vóór « mettre » als voorwerp van de handeling; een bruikbaar patroon is « Je vais les + infinitief ».
mettre
« Mettre » betekent hier ‘aandoen’ in « Je vais les mettre », omdat « les » naar de handschoenen verwijst. Na « vais » blijft het werkwoord in deze vorm staan; gebruik « mettre + kledingstuk » voor iets aantrekken of aandoen.
avant
« Avant » betekent hier ‘voordat’ in « avant de partir » en plaatst het vertrek na de handeling met de handschoenen. In dit patroon staat « avant de » vóór een werkwoord in de infinitief.
partir
« Partir » betekent hier ‘vertrekken’ of ‘weggaan’ in « avant de partir ». Na « avant de » staat het werkwoord in deze vorm; gebruik dit om aan te geven dat iets gebeurt voordat iemand vertrekt.
Alors
« Alors » betekent hier ‘dan’ of ‘dus’ in « Alors, tu seras prêt pour le froid. » Het verbindt de voorbereiding met het gevolg dat iemand klaar zal zijn; je kunt het aan het begin van een reactie gebruiken.
tu
« Tu » betekent ‘jij’ en verwijst hier naar de persoon die de sjaal en handschoenen aandoet. Het staat vóór « seras »; een bruikbaar patroon is « tu + werkwoord » wanneer je rechtstreeks tegen één persoon spreekt.
seras
« Seras » betekent hier ‘zult zijn’ in « tu seras prêt pour le froid ». De vorm beschrijft een toestand die later zal gelden; gebruik « tu seras + beschrijving » voor een toekomstige toestand.
prêt
« Prêt » betekent hier ‘klaar’ of ‘gereed’ in « tu seras prêt pour le froid ». Het beschrijft de toestand na het aandoen van de warme kleding; je kunt het gebruiken na « être » om te zeggen dat iemand klaar is.
pour
« Pour » betekent hier ‘voor’ in « prêt pour le froid » en geeft aan waarvoor iemand klaar is. Een bruikbaar patroon is « être prêt pour + situatie of activiteit ».
le
« Le » betekent hier ‘de’ in « le froid » en staat vóór « froid ». Samen verwijzen ze naar de kou als de weersituatie waarvoor iemand klaar is; gebruik « le + zelfstandig naamwoord » om een bepaald ding of verschijnsel te noemen.