Praten over lezen in je vrije tijd | Leer frans in het Nederlands

French lesson set in a contemporary Paris everyday setting: At home, two adults talk about reading a short book in a quiet room..

NL → FR / Niveau: A1

Over deze les

Met Praten over lezen in je vrije tijd oefen je gespreksuitdrukkingen, uitspraak, woordenschat, grammatica en quizzen in het frans.

Dialoog

A

Qu'est-ce que tu lis ?

Kès-kuh tü lie? Wat lees je?
B

Je lis un livre court.

Zjuh lie eun lievr koer. Ik lees een kort boek.
A

Tu aimes l'histoire ?

Tü èm listwaar? Vind je het verhaal leuk?
B

C'est facile à suivre.

Sè fasil a sjuivr. Het is makkelijk te volgen.
A

Où est-ce que tu lis d'habitude ?

Oe ès-kuh tü lie da-bitüüd? Waar lees je meestal?
B

Je lis d'habitude dans une pièce calme à la maison.

Zjuh lie da-bitüüd dang-z ün pyès kalm a la mè-zong. Ik lees meestal in een rustige kamer thuis.
A

Ça semble calme.

Sa sangbl kalm. Dat klinkt rustig.
B

Ça m'aide à profiter de mon temps libre.

Sa mèd a profietee duh mong tang lievr. Het helpt me om van mijn vrije tijd te genieten.

Woord voor woord

Qu'est-ce que « Qu'est-ce que » vraagt hier wat iemand leest: « Qu'est-ce que tu lis ? » betekent ‘Wat lees je?’. « Qu'est-ce » vormt het vragende deel rond ‘wat’, en « que » leidt de daaropvolgende zin in. Een bruikbaar patroon is « Qu'est-ce que » + onderwerp + werkwoord.
tu « tu » betekent hier ‘jij’ en is de persoon tegen wie de vraag wordt gesteld in « Qu'est-ce que tu lis ? ». Het staat vóór het werkwoord « lis ». Je gebruikt « tu » in een directe, informele vraag aan één persoon.
lis « lis » betekent in « Qu'est-ce que tu lis ? » ‘lees’ en in « Je lis un livre court. » ‘lees’ als onderdeel van ‘ik lees’. De vorm hoort bij het werkwoord lezen en staat hier bij « tu » of « Je ». Een bruikbaar patroon is « Je lis » + wat je leest.
Je « Je » betekent ‘ik’ in « Je lis un livre court. » en is het onderwerp van de zin. Het staat vóór het werkwoord « lis ». Een veelgebruikt patroon is « Je » + werkwoord om over je eigen handeling te vertellen.
un « un » betekent ‘een’ in « un livre court » en duidt daar één niet nader bepaald boek aan. Het staat vóór het zelfstandig naamwoord « livre ». Je gebruikt « un » hier als lidwoord bij « livre ».
livre « livre » betekent ‘boek’ in « un livre court ». Het is hier het voorwerp dat de spreker leest. Een bruikbaar patroon is « lire un livre » voor ‘een boek lezen’.
court « court » betekent ‘kort’ en beschrijft « livre » in « un livre court ». Samen gaat het om een boek met een beperkte lengte. Je kunt « court » in deze uitdrukking achter het zelfstandig naamwoord gebruiken: « un livre court ».
aimes « aimes » betekent hier ‘vind je leuk’ in « Tu aimes l'histoire ? ». De vorm staat bij « tu » en vraagt naar iemands waardering voor het verhaal. Een bruikbaar patroon is « Tu aimes » + iets waar je naar vraagt.
l'histoire « l'histoire » betekent ‘het verhaal’ in « Tu aimes l'histoire ? ». « l' » is hier het bepaalde lidwoord vóór « histoire », en samen verwijzen ze naar een specifiek verhaal. Je kunt « aimer » rechtstreeks met « l'histoire » verbinden om te vragen of iemand het verhaal leuk vindt.
C'est « C'est » betekent ‘het is’ in « C'est facile à suivre. ». Het is de gebruikelijke verkorte vorm van « ce est » en introduceert hier een beoordeling. Een bruikbaar patroon is « C'est » + bijvoeglijk naamwoord, zoals in deze zin.
facile « facile » betekent ‘makkelijk’ in « C'est facile à suivre. ». Het beschrijft hier dat iets goed te volgen is. Een bruikbaar patroon is « facile à » + infinitief, zoals « facile à suivre ».
à In « C'est facile à suivre. » maakt « à » deel uit van de constructie « facile à suivre »: iets is makkelijk om te volgen. Het verbindt « facile » met de infinitief « suivre ». Een bruikbaar patroon is een bijvoeglijk naamwoord + « à » + infinitief.
suivre « suivre » betekent ‘volgen’ in « facile à suivre ». Het staat als infinitief na « à » en verwijst hier naar het volgen van de inhoud. Je gebruikt een infinitief zoals « suivre » na een patroon als « facile à ».
« Où » betekent ‘waar’ in « Où est-ce que tu lis d'habitude ? ». Het vraagt naar de plaats van het lezen. Een bruikbaar patroon is « Où est-ce que » + onderwerp + werkwoord.
est-ce que « est-ce que » maakt in « Où est-ce que tu lis d'habitude ? » van de mededeling een directe vraag. « est-ce » vormt het vraagkader en « que » leidt de daaropvolgende zin in. Je kunt het patroon gebruiken als « Où est-ce que » + onderwerp + werkwoord om naar een plaats te vragen.
d'habitude « d'habitude » betekent ‘gewoonlijk’ of ‘meestal’ in « tu lis d'habitude ». Het geeft aan dat het lezen regelmatig op die manier gebeurt. Je kunt « d'habitude » vaak na het werkwoord plaatsen om een gewoonte te beschrijven.
dans « dans » betekent hier ‘in’ en geeft in « dans une pièce calme » de plaats aan waar iemand leest. Het wordt gevolgd door de ruimte waarin de handeling plaatsvindt. Een bruikbaar patroon is « dans » + plaats of ruimte.
une « une » betekent ‘een’ in « une pièce calme » en verwijst naar één niet nader bepaalde kamer. Omdat « pièce » vrouwelijk is, staat hier « une ». Je gebruikt « une » vóór een vrouwelijk zelfstandig naamwoord zoals « pièce ».
pièce « pièce » betekent ‘kamer’ of ‘ruimte’ in « une pièce calme ». Het is de plaats waar de spreker gewoonlijk leest. Een bruikbaar patroon is « une pièce » + bijvoeglijk naamwoord, zoals « une pièce calme ».
calme In « une pièce calme » betekent « calme » ‘rustig’ en beschrijft het de kamer. In « semble calme » geeft hetzelfde woord aan dat iets rustig lijkt. Je kunt « calme » dus gebruiken om een rustige ruimte te beschrijven of een indruk van rust uit te drukken.
la « la » is hier het bepaalde lidwoord in « la maison » en betekent ‘de’. Het staat vóór « maison », omdat naar het huis als een bepaalde plaats wordt verwezen. Een bruikbaar patroon is « à la maison » voor ‘thuis’.
maison « maison » betekent ‘huis’ in « à la maison ». De volledige uitdrukking betekent hier ‘thuis’, de plaats waar de spreker leest. « à la maison » is een veelgebruikt patroon om thuis als locatie aan te geven.
Ça « Ça » betekent hier ‘dat’ of ‘het’ in « Ça semble calme » en « Ça m'aide à profiter de mon temps libre. ». Het verwijst naar wat zojuist is genoemd of naar de leesactiviteit als geheel. Je kunt « Ça » als onderwerp gebruiken wanneer de situatie of activiteit al duidelijk is.
semble « semble » betekent ‘lijkt’ in « Ça semble calme. » en geeft een indruk weer, niet noodzakelijk een vaststaand feit. Het staat na het onderwerp « Ça » en vóór het bijvoeglijk naamwoord « calme ». Een bruikbaar patroon is onderwerp + « semble » + bijvoeglijk naamwoord.
m'aide « m'aide » betekent ‘helpt me’ in « Ça m'aide à profiter de mon temps libre. ». « m' » betekent ‘me’ en staat vóór « aide » omdat het volgende woord met een klinker begint. Een bruikbaar patroon is « aider quelqu'un à » + infinitief; hier is dat « m'aide à profiter ».
profiter « profiter » betekent hier ‘genieten’ in « profiter de mon temps libre ». Het staat als infinitief na « m'aide à » en beschrijft waarvan de spreker geniet. Een bruikbaar patroon is « profiter de » + iets waarvan je geniet.
de In « profiter de mon temps libre » leidt « de » datgene in waarvan iemand geniet: ‘van mijn vrije tijd’. Het hoort hier bij het vaste patroon « profiter de ». Je gebruikt « de » dus vóór het ding of de activiteit waarvan je geniet.
mon « mon » betekent ‘mijn’ in « mon temps libre » en geeft bezit of verbondenheid met de spreker aan. Het staat vóór « temps ». Een bruikbaar patroon is « mon » + zelfstandig naamwoord om iets als ‘mijn’ te beschrijven.
temps « temps » betekent hier ‘tijd’ in « mon temps libre ». Samen met « libre » betekent « mon temps libre » ‘mijn vrije tijd’. Je kunt « temps » in deze vaste uitdrukking gebruiken om tijd zonder werk of verplichtingen aan te duiden.
libre « libre » betekent ‘vrij’ in « mon temps libre » en beschrijft het soort tijd waarover de spreker beschikt. De volledige uitdrukking betekent ‘mijn vrije tijd’. « temps libre » is een bruikbaar patroon voor vrije tijd.

Grammatica

Qu'est-ce que + sujet + verbe ?

Qu'est-ce que tu lis ?

Kès-kuh tü lie?

Wat lees je?

Een veelgebruikte Franse vraagvorm: qu'est-ce que staat voor het onderwerp en het werkwoord volgt daarna.

profiter de + zelfstandig naamwoord

Profiter de mon temps libre.

Profietee duh mong tang lievr.

Genieten van mijn vrije tijd.

Na profiter gebruik je altijd de. Het bezittelijk woord mon staat vóór temps.

Frans woordenschat

aimer werkwoord
èmee leuk vinden aimes

Tu aimes l'histoire ?

court bijvoeglijk naamwoord
koer kort

un livre court

d'habitude bijwoord
da-bitüüd meestal

Je lis d'habitude dans une pièce calme.

facile bijvoeglijk naamwoord
fasil makkelijk

C'est facile à suivre.

histoire zelfstandig naamwoord
iestwaar verhaal l'histoire

Tu aimes l'histoire ?

lire werkwoord
lier lezen lis

Qu'est-ce que tu lis ?

livre zelfstandig naamwoord
lievr boek un livre

Je lis un livre court.

bijwoord
oe waar

Où est-ce que tu lis d'habitude ?

pièce zelfstandig naamwoord
pyès kamer

dans une pièce calme

qu'est-ce que uitdrukking
kès-kuh wat Qu'est-ce que

Qu'est-ce que tu lis ?

suivre werkwoord
sjuivr volgen

facile à suivre

tu voornaamwoord
je

Qu'est-ce que tu lis ?

Quiz

Woordvolgorde

Zet de woorden in de juiste volgorde.

Wat lees je?

Antwoord tonenQu'est-ce que tu lis ?

Ik lees een kort boek.

Antwoord tonenJe lis un livre court.

Vind je het verhaal leuk?

Antwoord tonenTu aimes l'histoire ?

Spelling

Tik op de letters om het woord te spellen.

kort

Antwoord tonencourt

leuk vinden

Antwoord tonenaimes

volgen

Antwoord tonensuivre

makkelijk

Antwoord tonenfacile